Heiligen buitenkijken

Ik hou van heiligen zoals deze AndrƩ Bessette, die volgens Kenteringen.nl vandaag, op Driekoningen, op de kalender staat.

H. AndrƩ Bessette

Hij was een eenvoudige en ongeschoolde man en werd conciƫrge en portier van het Notre Dame College in CƓtes-des-Neiges; een nederige taak die hij heel serieus nam. In deze functie ontmoette hij veel mensen die voor nood bij hem aanklopten en zo werd hij door zijn diepe devotie en gebeden op voorspraak van H. Jozef een toevlucht voor wanhopige, zieke en arme mensen en wist hij velen te genezen. Dat deed hij ook door zieken te zalven met olie uit de lamp van het Jozefaltaar. Hij herhaalde telkens bij elke genezing dat het H. Jozef zelf was die genas en niet hijzelf. Vanwege de grote toestroom van mensen liet hij een kapelletje bouwen voor H. Jozef, dat uitgroeide tot een grote basiliek: het Oratorium van de Heilige Jozef (in MontrƩal), de grootste kerk van Canada.

kenteringen.nl

Dat moet zich hebben afgespeeld aan het einde van de negentiende eeuw.

Ik probeer me dan voor te Ā stellen of dat nu nog zou kunnen. Hij was ongeschoold, maar wel ingetreden bij een congregatie, een soort van broeder dus, vermoed ik, alleszins geen priester. Hij kreeg de functie van portier. Als er zieken aan de deur kwamen bellen, verzaakte hij blijkbaar aan zijn plicht die door te sturen naar een van de priesters (of hadden die het allemaal te druk?) en hij probeerde zelf de zieken te helpen. Als een soort van pseudo-ziekenzalving haalde hij olie uit het lampje dat bij het altaar van Sint Jozef stond om de zieken te zalven en hij bad voor hen op voorspraak van Sint Jozef. Het moet zijn dat de congregatie dit oogluikend toestond en op de duur had zijn ‘winkeltje’ zo goed te doen dat de volkstoeloop de bouw van een kapel noodzaakte en later een heuse basiliek.

Zijn levensverhaal op wikipedia werpt meer licht op de omstandigheden. Blijkbaar werd hij door velen in zijn religieuze gemeenschap buitengekeken als een charlatan. Nochtans maakte hij er een punt van dat de vele genezingen niet te danken waren aan hem, maar aan de voorspraak van Sint Jozef. Het is een kleine eeuw later, in 2010, dat paus Benedictus XVI de man heilig verklaart.

Ik vraag me dan af: hoeveel zogenaamde charlatans lopen er vandaag nog rond, die we nu in de kerk buitenkijken, die zo rond het jaar 2100 door de danmalige paus zullen worden heiligverklaard? Of zijn we vandaag zo goed geworden in buitenkijken dat ze gewoon geen kans meer maken?

De gebruiksvriendelijke kerk

Enkele weken geleden heb ik iets bijgeleerd over tabernakels. Mijn nieuwsgierigheid werd geprikkeld door een tweet van Nikolaas Sintobin sj. Hij schreef een artikeltje op zijn blog over de abijkerk van van Sint-Benedictusberg in Vaals. Hij was verrast dat er geen tabernakel aanwezig is in de kerk.

Dat deed me al de wenkbrauwen fronsen, maar de retweet waarin confrater Jos Moons sj stelt dat “een tabernakel sinds #VaticanumII niet meer de centrale plaats in de kerk heeft”, zette me aan om wat verder te zoeken. De hashtag #VaticamunII in combinatie met boude beweringen heeft wel eens meer die uitwerking op mij.

De onschatbare informatiebron van rkdocumenten.nl geeft elke leek de mogelijkheid zo’n uitspraken te checken. Lang leve de democratisering van het magisterium van de Kerk!

In de documenten van het tweede Vaticaans Concilie worden echter geen schikkingen gesteld voor tabernakels, toch niet in directe verwoording. Navraag bij voornoemde twitteraars leerde me dat de Algemene Instructie van het Romeins Missaal (ook een product van Vaticanum II, of toch van de ‘geest’ ervan) bepalingen bevat over de locatie van het tabernakel in een kerkgebouw.

Via google had ik intussen ook al een afbeeldingen gevonden van de crypte in Vaals, waar het tabernakel wel degelijk centraal staat, maar in een aparte ondergrondse ruimte, zo groot als een kerk op zich, die dus volledig is toegewijd voor de aanbidding.

Trouwens, zo stelt Sintobin ons gerust, Vaals is een heel conservatieve abdij, “hun liturgie is zo goed als volledig in het Latijn”. Mijn ongeruste gevoelens dat het ging om een willekeurige interpretatie ‘volgens de geest van het concilie’, zijn dus netjes op hun plooi gekomen.

Gerustgesteldā€¦ Of niet helemaal?

De psychologische uitwerking van de uitspraak dat “een tabernakel sinds #VaticanumII niet meer de centrale plaats in de kerk heeft” gaat bij mij veel verder dan de boodschap die eigenlijk wordt gebracht. De ontvanger van de boodschap bepaalt immers mee de inhoud, dat weten historisch-kritische exegeten best.

Ik mag ervan uitgaan dat de boodschap in strikte zin daarin bestond dat de gewoonte om het tabernakel midden bovenop het hoofdaltaar van een kerk te plaatsen sinds de liturgische hervormingen van Vaticamum II geen algemene regel meer is bij de inrichting van een kerk, omdat er omwille van praktische schikkingen (de plaatsing van een volksaltaar voor het hoofdaltaar, bijvoorbeel) andere locaties beter in aanmerking komen om de voortdurende aanwezigheid van Christus volwaardig tot haar recht te laten komen.

Het is mijn eigen achterdocht die achter deze uitspraak een achterstelling vermoed van het belang van de manifeste aanwezigheid van het Allerheiligste Sacrament in een kerk. In mijn achterdocht hoor ik dat sinds Vaticanum II het belang van de blijvende aanwezigheid van Christus in de geconsacreerde hosties moet worden gerelativeerd, dat het dus niet zoveel uitmaakt waar die worden bewaard en dat ze middenin de Kerk eigenlijk een beetje in de weg staat van belangrijker attributen. Ook dat kwam verderop in de Twitterdraad tot uiting: “Wie ter communie gegaan is, is zelf ‘vlees van Christus’ geworden, daarom staat het tabernakel niet centraal”.

Magisterium over het tabernakel

Op RKDocumenten vind je teksten uit het magisterium die handelen over de bewaarplaats van de heilige Rest, voor en na het Concilie:

  • Preconciliair decreet over de plaatsing van het tabernakel uit 1957 (toen er dus nog geen sprake was van volksaltaren): “De allerheiligste Eucharistie moet bewaard worden op de verhevenste en edelste plaats van de Kerk, en daarom als regel op het hoofdaltaar”.
  • Algemene instructie van het Romeins Missaal uit 1969: “moet men het allerheiligste Sacrament bewaren in een tabernakel in een gedeelte van de kerk dat voornaam is, onderscheiden, in het oog vallend, met luister versierd en geschikt voor het gebed”, maar dus ook: “Vanwege de tekenwaarde is het passend dat op een altaar waaraan de Mis gevierd wordt, geen tabernakel staat waarin de allerheiligste Eucharistie bewaard wordt. Derhalve verdient het de voorkeur het tabernakel te plaatsen, […] ofwel op het priesterkoor, buiten het altaar van de viering, in een vorm en op een plaats die meer passend zijn zonder het oude altaar uit te sluiten dat niet meer gebruikt wordt voor de viering; of ook in een kapel die geschikt is voor persoonlijke aanbidding en gebed door de gelovigen, die organisch met de kerk verbonden is en voor de gelovigen zichtbaar is.”
  • Document Inaestimabile Donum van de Congregatie van de Geloofsleer uit 1980 (onder paus Johannes Paulus II, net voordat Joseph Ratzinger prefect van de conregatie zou worden): “Het tabernakel, waarin de Eucharistie wordt bewaard, kan zich bevinden op een altaar of zelfs daarbuiten op een plaats in de Kerk die goed zichtbaar, werkelijk voornaam en passend versierd is, of in een aparte kapel die zich leent voor persoonlijk gebed en aanbidding door de gelovigen.”
  • Exhortatie Sacramentum Caritas van Paus Benedictus XVI uit 2007: “In kerken waar geen Sacramentskapel is en nog wel het hoofdaltaar met tabernakel aanwezig is, is het passend van die structuur gebruik te blijven maken voor het bewaren en aanbidden van de Eucharistie, […]. In nieuwe kerken is het goed een Sacramentskapel te voorzien, dicht bij het priesterkoor.” ļ»æ

Het is duidelijk dat de tekst uit de Instructie van het Missaal passages bevat die bij selectieve lezing oorzaak kunnen zijn van het misverstand waardoor heel wat tabernakels in het verdomhoekje zijn geraakt tijdens de haastige herinrichtingen na het Concilie. Maar de latere teksten zetten dit misverstand recht.

Ik besluit dat sinds het Tweede Vaticaans Concilie het tabernakel inderdaad wordt losgemaakt van het altaar en dat laatste bewaart vanzelfsprekend de centrale positie in de kerk, die dus—in geometrische termen—niet langer gedeeld wordt met het tabernakel.

Als er in een kerkgebouw na het concilie een relocatie noodzakelijk is van het tabernakel, is dat omwille van die reden en met de bedoeling het Heilig Sacrament prominenter aanwezig te stellen in functie van de nieuwe omstandigheden, als je de teksten welwillend leest.

Een gebruiksvriendelijke kerk

Inrichters van kerken zouden een cursus interaction design moeten volgen voor ze in de kerk met altaren en tabernakels gaan schuiven.

Als je een programmeur een computerprogramma laat ontwerpen, loop je het risico dat het resultaat een ingewikkeld programma is dat vanalles kan, maar waar een gewone gebruiker geen weg mee weet, tenzij hij een heel dikke handleiding doorworstelt.

De toepassing van de principes van interaction design helpen de programmeer een programma te maken dat eenvoudig te gebruiken wordt, zoals de apps op je gsm. Het bevat niet alle toeters en bellen van het ingewikkelde computerprogramma, maar de belangrijkste functies zijn prominent aanwezig en intuĆÆtief bruikbaar zonder handleiding.

Als je een theoloog een kerk laat bouwen, krijg je een gebouw boordevol vormen, leegtes of abstracte kunstwerken met diepe symbolische betekenissen en functies, dat spiritueel heel rijk kan zijn, maar waar een gewone gelovige geen weg mee weet, tenzij hij eerst zelf een cursus theologie volgt waarin al die betekenissen uitgelegd worden.

Katholieke gelovigen weten dat een kerk de plaats is waar Christus aanwezig is in het Heilig Sacrament, dat is een belangrijke functie van het kerkgebouw. Daarom is het logisch dat de inrichting van de kerk ervoor zorgt dat eender wie het gebouw binnentreedt in een oogopslag het tabernakel zal terugvinden en er ook plaats zal vinden om bij het tabernakel Christus te aanbidden.

Neem de proef op de som: stap een willekeurige kerk binnen en ga na hoelang het duurt voor je het tabernakel hebt gevonden. Probeer vervolgens een plaatsje te vinden waar je voor het tabernakel kan neerknielen om te bidden. Haal je dat binnen een paar minuten, dan is het een gebruiksvriendelijke kerk! Ben je na vijf minuten nog steeds vruchteloos op zoek naar Jezus, dan is er iets grondig mis met de inrichting van die kerk! Misschien ware het praktischer geweest deze zelf-test in de Algemene Instructie van het Romeins Missaal op te nemen šŸ™‚

Op de boeiende wikipediapagina over het tabernakel lees je welke vormen deze bewaarplaats van het geconsacreerde brood in de loop van de geschiedenis heeft aangenomen. Dat lijkt misschien mijn betoog om de ‘klassieke’ vorm te bewaren enigszins te relativeren, maar mij heeft het vooral bijgebracht dat in de twintig eeuwen kerkgeschiedenis kerkinrichters de principes van interaction design feilloos wisten te hanteren! Soms meer dan vandaag…

Venerabelkapel in de Antwerpse kathedraal

Moderne kunst vrijgeleide voor godslastering?

We maakten een reisje in de Westhoek en reden op de baan tussen Staden en Roeselare langs een bijzonder opvallend futuristisch bouwwerk dat een kerk bleek te zijn. Toch wel erg benieuwd maakten we een stop en wat bleek: de kerk was zelfs open! Ik dacht vol verwachting bij mezelf, zo’n moderne architectuur is niet mijn ding, maar dat kan vanbinnen wel best meevallen.

Futuristische Christus-Koningkerk in Sleihage

Net achter het portaal passeer je onder dit kunstwerk door, aan het plafond opgehangen, aardig groot, want ik zou de spanwijdte op zo’n 2m schatten.

Beeld boven het portaal van de Christus-Koningkerk van Sleihage

Ik heb me al het hoofd gebroken over wat het zou kunnen voorstellen. Je herkent een christushoofd met doornenkroon, op een romp met vleugels als van een nachtvlinder in plaats van armen, een reptielachtig lichaam zonder benen (of moet ik zeggen: poten) en een lange staart. Het beeld is gericht naar het altaar.

Is het een verbeelding van de verrezen Christus, die zoals een nachtvlinder uit zijn pop tot nieuw leven komt? Maar waarom dan de staart?

Is het een verbeelding van een demon, die huist bij het portaal van de kerk, om de kerkgangers na hun sacramentele ontmoeting met Christus bij het buitengaan eraan te herinneren dat het Kwaad buiten die deuren loert?

Is het een vermenging van bijbelse symboliek, de bronzen slang die Mozes op een paal bevestigde tot redding van de Israelieten, of de slang die Jezus aan zijn leerlingen als beeld van wijsheid voorhoudt, de vleugels van de cherubs waarvan zo vaak sprake in het oude testament, of van de adelaar in de apokalyps, of de worm die blijkens een artikel dat ik op mijn zoektocht aantrof diverse malen in de Bijbel als beeld wordt gebruikt?

Ik ben benieuwd of ik er ooit een uitleg over zal krijgen, maar hoe goed die ook zou zijn: dit beeld is aartslelijk.

De modernistische architectuur van de kerk was een uitdaging op zich, maar die wil ik graag aangaan zolang ze ten dienste staat van het geloof. Ik vind het haast jammer dat de kerk toegankelijk was, want de indruk die het beeld op me heeft achtergelaten (dat niet tot de oorspronkelijke inrichting kan hebben behoord, daarvoor is het een te grote stijlbreuk) straalt af op het hele gebouw.

De architect van het futuristische gebouw kan dit nooit gewild hebben. Ook de andere aanwezige kunstwerken van heel uiteenlopende al dan niet figuratieve aard kwamen niet in harmonie met het gebouw. Het bouwjaar 1960 en de blanke vloersteen van het presbyterium laten me eveneens betwijfelen of het aanwezige volksaltaar bij het originele ontwerp hoort, want als je voor het altaar staat heb je eerder de neiging de ober te wenken om een mojito te bestellen dan neer te knielen in aanbidding voor het tabernakel.

Misschien had ik over het geheel milder geoordeeld als dat beeld niet bij de ingang had gehangen. Nu echter beeld ik me in dat ik als pas aangestelde bisschop van bisdom Brugge de parochie mijn plechtige intrede zou aankondigen, waarop ik een ferme bulldozer zou huren, me met staf en mijter aan de stuurknuppel zou zetten en vanuit Brugge naar Sleihage zou denderen om—tot verrassing van de verzamelde gelovige gemeenschap—de kerk frontaal binnen te rijden en ze met de grond gelijk te maken.

Kerkelijke kunst moet dienstbaar zijn, zelfs al is ze modern. Moderne kunst is geen vrijgeleide tot blasfemie. De Kerk zou daarover moeten waken. Punt.

Plechtige intrede van de bisschop van Brugge in de Christus-Koningparochie in Sleihage

Religieus militantisme 1933-2018

Vorige week werd ik op de Carnotstraat aangeklampt door een jongeman met baard en zo’n typisch noordafrikaans mutsje op zijn hoofd, die gratis boekjes over de Islam verdeelde, “om te informeren, niet om te bekeren”. Ik heb een boekje aangenomen en gevraagd of hij een bekeerling was, want in taal en uiterlijk leek hij een oervlaamse jongen. Dat was zo.

Hij gaf enkele voorbeelden waarom hem de Islam meer aanspreekt dan het katholieke geloof, waarmee hij ongetwijfeld in zijn jeugd ook in aanraking is gekomen. De Islam is—volgens hem—veel eenduidiger. God die geboren wordt als een kind bijvoorbeeld, dat vond hij heel inconsequent. Ofwel is God een almachtige Schepper, en dan is er geen enkele reden waarom Hij ook nog eens als kind geboren zou worden, ofwel is God niet almachtig en zelf deel van de Schepping, maar dan is Hij ook geen God meer. Ook een God die sterft, vat hij niet.

Ik heb het gesprek nog verder onderhouden en geprobeerd uit te leggen hoe die ongerijmdheden toch zin hebben, tot het voor de jongeman tijd was om naar het gebed te gaan, maar ik moet ook toegeven dat het vragen zijn waarop geen pasklaar antwoord te geven is. Het zijn de paradoxen van Kerstmis, waarover zonet een interessant artikel in mijn RSS-bus rolde, van de hand van mgr. Charles Pope.

Enkelvoudigheid van God

Ik kon het echter niet laten en heb een beetje verder rondgekeken op internet of er over dit soort vragen niet nog zinvoller dingen te zeggen zijn en ik kwam—via enkele esoterische omweggetjes—uit bij het concept van de “divine simplicity” of de “enkelvoudigheid van God”, een concept dat bekend is in christelijke, joodse en ook islamitische theologie. De enkelvoudigheid van God wordt door St. Thomas van Aquino betoogd in zijn Summa Theologiae (Eerste deel, Derde vraag). Verderop in de Summa vind je bijvoorbeeld het antwoord op de vraag: “Was het gepast dat God mens werd?” (Derde deel, Eerste vraag), gevolgd door nog zo’n slordige 700 pagina’s disputen over de Menswording, waaronder ook de weerlegging dat de Menswording in strijd zou zijn met de enkelvoudigheid van God, waarmee ik mijn islamitische gesprekspartner van antwoord had kunnen dienen!

Thomas van Aquino, Summa Theologiae Theologische Summa Nederlandse vertaling door een groep Dominicanen, Antwerpen

Uitgeverij “Geloofsverdediging”

Het grappige is nu dat de enige online beschikbare publicatie van Thomas van Aquina’s Summa in het Nederlands een slordig ingeschande versie betreft van een boek uit 1933, gepubliceerd door de uitgeverij “Geloofsverdediging” van de paters Dominicanen in hun, nu leegstaande, Antwerpse klooster in de Ploegstraat, net achter de hoek dus van de plaats waar ik die jonge Vlaamse islamiet ontmoette, die ook aan geloofsverdediging doet met soortgelijke boekjes, precies 85 jaar later. Zo herhaalt de geschiedenis zich, maar nooit helemaal op dezelfde manier!

Offensiefbeweging

Offensief-meeting

“Geloofsverdediging” was als uitgeverij de voorloper van uitgeverij Halewijn NV, die vandaag nog steeds tal van katholieke publicaties verzorgt. Weer een beetje verder zoeken op internet bracht me bij een artikel over “De Offensiefbeweging in Vlaanderen“. Het artikel beschrijft hoe het Antwerpse dominicanenklooster de spil was in het katholiek ideologisch militantisme van het interbellum en de thuisbasis van katholieke documentatiecentra, een tijdscrift “De Waarheid”, propagandacentrales en zogenaamde “offensiefbrigades” die zelfs bij gelegenheid als knokploeg opereerden.

De tijden zijn veranderdā€¦ en misschien mogen we nog van geluk spreken dat onze islamitische stadsgenoten in de professionalisering van hun apologetische ijver slechts een flauwe afspiegeling zijn van de Dominicanen van weleer. Anderzijds mogen we ons de vraag stellen of we zelf tegenwoordig niet een beetje te weinig aan geloofsverdediging doen. Men zegt dat de jongeren van vandaag op vlak van religie onwetend zijn, maar wel heel ontvankelijk. Hoe spreken we hen echter aan? Zijn de—laat ons eerlijk zijn—eerder flauwe artikeltjes op Kerknet.be voldoende wervend voor buitenstaanders? Ik vrees ervoor… Een youtubekanaal met apologetische filmpjes lijkt me wel wat, zoals dat van Christelijke Apologetiek.

Of is de tijd rijp zijn om een Nederlandse paperback van de Summa uit te brengen en een offensiefbrigade op te trommelen om ermee de straat op te gaan?