Boek I Hoofdstuk 15 Over de werken uit liefde verricht

Om niets ter wereld, noch uit liefde voor iemand mag men iets kwaads doen, maar mag men, om iemand in de nood dienst te bewijzen, soms wel een goed werk uitstellen of ook door een beter vervangen. Want met zo te handelen wordt het goede werk niet teniet gedaan, maar in een beter veranderd. Zonder de liefde is een uitwendig werk van geen nut (1); maar wat uit liefde gedaan wordt, hoe klein en hoe gering het in zichzelf zij, dat wordt geheel en al vruchtbaar. Want God let meer op de goede stemming waarmede men iets doet, dan op de hoeveelheid van het werk zelf.

Hij doet veel, die veel liefde heeft. Hij doet veel, die een zaak wl doet. Hij doet wl, die meer het gemeen voordeel betracht dan zijn eigen voordeel. Somtijds wat men voor liefde aanziet, is eerder zinnelijkheid: want het gebeurt zelden dat natuurlijke neiging, eigen wil, hoop op beloning of gemakzucht niet enige invloed hebben.

Wie de ware en volmaakte liefde bezit, zoekt nooit zichzelf in gelijk wat; maar hij begeert alleen dat in alles de wil van God geschiede. Hij benijdt ook niemand, omdat hij nooit enig persoonlijk voordeel wenst, en zijn vreugd in zichzelf niet stelt, maar in God alleen boven alle goederen zijn zaligheid zoekt. Hij eigent nooit aan het schepsel enig goed toe, maar brengt alles tot God terug, van wie hij alles als uit de bron voortvloeit, en in wiens genieting, als in hun einddoel, alle Heiligen rusten. O! Wie maar een vonkje van die ware liefde bezat, die zou voorwaar gevoelen hoe alle aardse dingen vol van ijdelheid zijn.

1) 1 Kor. 13: 3

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek I Hoofdstuk 14 Over het vermijden van lichtvaardig oordeel

Keer uw ogen op uzelf, en wacht u de daden van anderen te oordelen. Wie een ander oordeelt, geeft zich nutteloze moeite, dwaalt dikwijls, en zondigt licht; maar wie zichzelf beoordeelt en onderzoekt, arbeidt altoos met vrucht. Gelijk ons een zaak ter harte gaat, zo oordelen wij er doorgaans over, want het recht oordeel verliezen wij licht door onze eigenliefde. Indien God altijd het zuiver doelwit was van ons verlangen, zouden wij niet zo licht gestoord worden om de weerstand van ons gevoel.

Maar daar schuilt dikwijls iets van binnen, of daar komt iets van buiten bij, dat krachtig aantrekt.

Vele mensen zoeken heimelijk zichzelf in wat zij verrichten, zonder dat zij het weten. Zij schijnen in een volmaakte vrede bevestigd te zijn, zolang alles geschiedt naar hun wil en wens; maar het valt anders uit dan zij begeren, aanstonds worden zij ontroerd en droefgeestig. Door het verschil van meningen en gevoelens ontstaan er niet zelden onenigheden tussen vrienden, tussen medeburgers en zelfs tussen kloosterlingen en godgewijde personen.

Een oude gewoonte legt men moeilijk af; en verder dan zijn eigen inzicht, laat niemand zich gaarne brengen. Indien gij op uw eigen rede of vernuft meer steunt dan op de deugd van onderwerping, ons door Christus aangewezen, dan zult gij zelden en laat een verlicht mens worden; want God wil dat wij Hem volkomen onderworpen zijn, en dat wij ons boven alle redenering verheffen door een vurige liefde.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek I Hoofdstuk 13 Over het weerstaan aan de bekoringen

 

Zolang wij op de wereld leven, kunnen wij niet vrij zijn van kwelling en bekoring. Daarom staat er in het boek Job geschreven: Het leven van de mens op aarde is een bekoring (1). Daaruit volgt dat ieder zich in acht zou moeten nemen voor zijn bekoringen, en waken in het gebed, opdat de duivel geen gelegenheid vinde om hem te bedriegen, hij, die nooit inslaapt, maar altoos rondloopt, zoekende wie hij zal kunnen verslinden (2). Niemand is zo volmaakt en zo heilig, of hij heeft somtijds bekoringen; wij kunnen daar niet volkomen van bevrijd blijven.

Maar de bekoringen zijn dikwijls voor de mens zeer nuttig, alhoewel zij lastig en onaangenaam zijn, omdat hij hierdoor vernederd, gezuiverd en onderricht wordt. Alle Heiligen hebben vele kwellingen en bekoringen ondergaan, en zijn daardoor vooruit gekomen. En die de bekoringen niet hebben kunnen doorstaan, zijn verstoten geworden en bezweken. Daar is geen genootschap zo heilig, en geen plaats zoafgezonderd, of daar zijn bekoringen en beproevingen.

Daar is geen mens geheel vrij van bekoringen, zolang hij leeft; want wij dragen in ons de aanleiding om bekoord worden; sinds wij in de begeerlijkheid geboren zijn. Als de een bekoring of kwelling ons verlaat, dan komt er een andere in de plaats; en wij zullen altijd iets te lijden hebben, want wij hebben het voorrecht van ons eerste geluk verloren. Velen zoeken de bekoringen te ontvluchten, en zij vallen er nog meer in. Door de vlucht alleen kunnen wij niet overwinnen; maar door geduld en ware ootmoedigheid worden wij sterker dan al onze vijanden.

Die de uiterlijke aanleiding der bekoringen ontwijkt, en daarvan de wortel niet uitroeit, zal weinig vorderen; zij zullen zelfs spoediger tot hem wederkeren, en hij zal ze meer gevoelen. Allengskens, door geduld en lankmoedigheid, zult gij ze (met Gods hulp) beter overwinnen, dan door uw ongeduldig en hardnekkig tegenstreven. Neem dikwijls raad in de bekoringen, en behandel niet met hardheid iemand die bekoord wordt; maar stort hem bemoediging in, gelijk gij voor uzelf zoudt wensen.

De oorsprong van alle kwade bekoringen is ongestadig van het hart, en gering betrouwen op God.

Want, gelijk een schip zonder roer door gebaren heen en weer geslingerd, zo wordt een krachteloos mens, die zijn voornemens laat varen, op verschillende wijzen bekoord. Het vuur beproeft het ijzer, en de bekoring de rechtvaardige mens (3). Wij weten dikwijls hoever onze kracht reikt; maar de bekoring leert wat wij zijn. Men moet nochtans waakzaam zijn, vooral in het opkomen der bekoring: omdat alsdan de vijand gemakkelijker overwonnen wordt, indien men hem in de deur der ziel geenszins laat binnentreden, maar hem terstond, zohaast hij klopt, buiten afweert. Vandaar deze spreuk: Bied weerstand in ’t begin: te laat komt het geneesmiddel, als de ziekte door ’t lang verloop de overhand heeft genomen (4). Want eerst is het maar een gedachte die in de geest komt; daarna een sterke inbeelding, hierop volgt welbehagen, ongeregelde beweging, en dan de toestemming. En alzo treedt de boze vijand van lieverlede geheel binnen, als men hem in ’t begin niet wederstaat. En hoe langer iemand getalmd heeft te wederstaan, des te zwakker wordt hij dagelijks, en des te sterker de vijand tegen hem.

Sommigen lijden zwaarder bekoringen in het begin van hun roeping; anderen op het einde. Enigen integendeel worden bijna geheel hun leven gekweld. Enigen worden ook maar licht bekoord, volgens de schikking van Gods wijsheid en rechtvaardigheid, die de gesteltenis en de verdiensten der mensen weet, en alles tot zaligheid van zijn uitverkorenen voorbeschikt.

Daarom moeten wij niet wanhopen, als wij bekoord worden, maar God des te vuriger bidden, opdat Hij zich gewaardige ons te helpen in al onze kwellingen: en Hij zal zeker, volgens de woorden van de Apostel Paulus, ons in de bekoring zulke hulp verlenen, dat wij ze zullen kunnen overwinnen (5). Laten wij dan onze zielen onder de hand Gods verootmoedigen bij alle bekoring en kwelling: want de ootmoedigen van geest zal Hij redden en verheffen (6).

In bekoringen en lijden ziet de mens hoeveel vooruitgang hij gedaan heeft; ook is de verdienste groter, en de deugd komt beter tevoorschijn. Het is niets groots wanneer iemand godvruchtig en ijverig is, als hij geen zwarigheid voelt; maar wanneer hij in de tijd van tegenspoed zich geduldig houdt, dat geeft hoop op grote vorderingen. Enigen worden van grote bekoringen bewaard en worden dikwijls overwonnen in kleine, die dagelijks voorkomen, opdat zij daardoor verootmoedigd zouden worden, en nooit op zichzelf in grote zaken zouden betrouwen, daar zij in kleine zo zwak zijn.

1) Job 7: 1

2) 1 Petr. 5: 8

3) Eccl. 31: 31

4) Ovidius

5) I Kor. 10: 13

6) Psalm 33: 19

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek I Hoofdstuk 12 Hoe voordelig de tegenspoed is

Het is goed voor ons, dat wij somtijds wat bezwaren en tegenspoed hebben, omdat deze dikwijls de mens tot zijn hart terugroepen, daar zij hem herinneren dat hij in ballingschap leeft, en op niets, dat van de wereld is, zijn hoop moet stellen. Het is ook goed dat wij soms tegenspraak te verduren hebben, en dat men van ons een slecht en ongunstig gedacht heeft, zelfs als wij wl doen en het goed menen. Dat dient ons dikwijls tot ootmoedigheid, en behoedt ons voor ijdele glorie. Dan immers zoeken wij beter God, de inwendige getuige, wanneer wij daar buiten door de mensen misacht worden, en dat men van ons geen goed denkt.

Daarom diende de mens aan God zodanig vast gehecht, dat hij niet nodig had veel menselijke troost te zoeken. Als een mens van goede wil gekweld en bekoord, of met kwade gedachten geplaagd wordt, alsdan begrijpt hij beter dat hij God nodig heeft, zonder wie hij niets goeds kan doen. Dan leert hij ook treuren, zuchten en bidden voor de ellenden, welke hij lijdt. Dan verdriet het hem, langer te leven; dan wenst hij dat de dood kome, opdat hij moge ontbonden worden en bij Christus zijn (1). Alsdan ook merkt hij duidelijk dat volkomen zekerheid en ongestoorde vrede op deze wereld niet bestaan kunnen.

1) Phil. 1: 23

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Top-10 van gregoriaanse liederen

Het zal je ook al overkomen zijn. Je neemt deel aan een liturgische dienst, plotseling wordt er een gregoriaans gezang of een Latijnse hymne aangeheven en er is niet voorzien in een boekje of projectie van de tekst en de melodie. Je kent de melodie wel vaag, dus je kan in het beste geval nog wat mee neuriën, maar je kan met de beste wil van de wereld het lied geen recht doen door mee te zingen en je voelt je in je deelname aan de liturgie een beetje verloren.  

Read More

Boek I Hoofdstuk 11 Over het verwerven van de vrede, en de ijver om vooruitgang te doen

Wij zouden veel vrede genieten, indien wij ons niet wilden bemoeien met woorden en daden van anderen, en met dingen die niet aan onze zorg behoren. Hoe kan iemand lang in vrede blijven, die zich met andermans bekommernissen inlaat, die gelegenheden zoekt, welke verstrooiing bijbrengen, en weinig of zelden ingekeerd leeft. Zalig zijn de eenvoudigen, want zij zullen veel vrede genieten.

Waarom zijn sommige Heiligen zo volmaakt geweest en zo ingetogen? Omdat zij zich beijverd hebben zichzelf te versterven in alle aardse lusten: en daarom hebben zij met alle innigheid des harten God kunnen aankleven, en ongehinderd met zichzelf bezig zijn. Maar wij, wij hebben te veel werk met onze driften, en zijn te zeer bekommerd om vergankelijke dingen. Zelden ook overwinnen wij ten volle een enkele ondeugd, en hebben geen ijver om dagelijks vooruit te gaan: daarom blijven wij lauw en koud.

Waren wij aan onszelf volkomen afgestorven en inwendig niet in verwarring, dan zouden wij ook de goddelijke dingen kunnen smaken, en iets van de hemelse beschouwing kunnen proeven. Maar het enige, ja het allerzwaarste beletsel is, dat wij, verslaafd aan onze driften en begeerlijkheden, geen moeite doen om de volmaakte weg der Heiligen op te gaan. En als er ons een weinig tegenspoed overkomt, laten wij te haastig de moed zinken en keren wij ons naar menselijke troost.

Indien wij ons best deden, om, als dappere mannen, pal te staan in de strijd, voorzeker zouden wij de hulp Gods van de hemel op ons zien nederdalen. Want Hij is bereid te helpen die strijden en op zijn genade betrouwen; en Hij zelf geeft ons de gelegenheid tot strijden, opdat wij zouden overwinnen. Indien wij de voortgang van het christelijk leven maar stellen in uitwendige gebruiken, dan zal onze godsvrucht spoedig een einde nemen.

Maar laat ons de bijl aan de wortel zetten, opdat wij, verlost van de driften, een vreedzame stemming mogen bezitten. Indien wij ieder jaar maar n gebrek uitroeien, dan zouden wij spoedig volmaakt zijn. Maar nu integendeel bevinden wij dikwijls, dat wij beter waren en reiner in het begin van onze bekering, dan na vele jaren geestelijk leven. Onze vurigheid en onze vorderingen moesten dagelijks aangroeien; en nu schijnt het iets bijzonders te zijn, als iemand een deel van zijn eerste vurigheid kan behouden. Indien wij in het begin maar een weinig geweld deden, wij zouden daarna alles kunnen doen met gemak en met genoegen.

Het is zeer moeilijk gewoonten af te leggen; maar het is nog moeilijker tegen zijn eigen wil in te gaan. Maar indien gij nu in het kleine en lichte geen overwinning behaalt, wanneer zult gij het meer moeilijke te boven komen? Wedersta van eerst af uw neiging en ontmaak u van de kwade gewoonte, opdat zij u niet allengskens tot groter moeilijkheid brenge. Ach! Indien gij overdacht wat vrede gij uzelf en wat vreugde gij anderen zoudt bezorgen door u goed te gedragen, ik geloof dat gij meer bezorgd zoudt zijn voor uw geestelijke vooruitgang.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Wat een belevenis!

“Sààài !” …dat krijg je te horen als je kinderen vraagt of ze graag naar de mis gaan. Niet alleen kinderen: de vraag is of hun ouders er anders over denken, want ook die vinden telkens wel ‘betere’ bezigheden, zo lijkt het, om hun kroost de kerkgang te besparen.

Hoe is het echter mogelijk de wekelijkse bijeenkomst als “saai” te evalueren, waarmee gelovigen wereldwijd tweeduizend jaar lang ingaan op de vraag die Jezus zijn leerlingen (en ons met hen) stelde op het Laatste Avondmaal? Hoe kan je het grootse wonder dat tijdens de eucharistie voor onze ogen werkelijk wordt, “saai” noemen, dat niets minder inhoudt dan de zelfopoffering van de Zoon van God aan het kruis en de daardoor verkregen genade van eeuwig leven bevrijd van onze zonden?

Wat is de eucharistie?
Wat is de eucharistie?

Menselijk

Eigenlijk is het heel begrijpelijk. Het wonder dat geschiedt, is onzichtbaar voor onze ogen, dus we hebben moeite het te “beleven”, tenzij vanuit een diep geloof. Je zou kunnen denken dat dit een modern gegeven is, omdat we met al onze techniek en onze multimedia zo gewoon zijn geworden aan intense “belevenissen”, aan het spektakel van tv, games, pretparken en wat niet meer, dat een eucharistie geen schijn van kans meer maakt om, tenminste op zintuigelijk vlak, als een “belevenis” te gelden.

Dat zal wel meespelen, maar het probleem is niet ‘modern’, gelovigen van alle tijden hebben ermee geworsteld. Hoe ik dat weet? Heel eenvoudig: omdat de liturgie, dat is de vorm waarin de eucharistie wordt uitgevoerd, onze ‘interface’ tussen het hemelse en het wereldse, altijd heel veel aandacht heeft gekregen in de geschiedenis van de Kerk.

Liturgie is conceptueel een onmogelijke opdracht. Ze moet vorm geven aan een ontzagwekkend wonder, maar dat wonder zelf… is onwaarneembaar. Als ze elke zondag een indrukwekkende en verrassende show zou opzetten om van dat wonder een belevenis te maken, dan verdwijnt het onwaarneembare wonder in het niets en blijft er slechts aandacht over voor de show errond. Dat is dus alvast niet de taak van liturgie.

Nederige elementen

In de loop van twintig eeuwen heeft de Kerk geworsteld met het liturgisch dilemma en minutieus heeft ze een vorm gedistilleerd die ons helpt het eucharistisch wonder te beleven, zonder in de plaats ervan te treden. Dat doet ze door het opwekken van een sfeer van ontzag, mysterie en verbondenheid. Om die sfeer te bewerken, bespeelt de Kerk alle zintuigen: zicht (kaarslicht, duisternis, liturgische gewaden, gouden vaatwerk, altaarstukken,…), gehoor (gregoriaanse liederen, stiltes, secreta-gebed, belgeluid,…), geurzin (wierook), tastzin (besprenkeling met wijwater, knielen, vredeswens, kruisverering,…) en smaak (het Heilig Sacrament zelf).

Wat al deze liturgische middelen, die van een eucharistie een belevenis helpen maken, gemeen hebben, is dat het nederige elementen zijn, die geen van allen in de plaats treden van het sacrament of de spektakelwaarde ervan overtreffen, maar die ons toelaten onze aandacht op het wonder te vestigen.

Woord

Interessant is de liturgische rol van spraak en taal. In onze parochie is de vaste priester Pools en als hij andere verplichtingen heeft, vervangen hem de priesters van onze resp. anglo-Afrikaanse en Witrussissche gemeenschappen. Alledrie spreken ze Nederlands ‘naar gosdvrucht en vermogen’, wat wil zeggen dat ze soms wel eens moeilijk te begrijpen zijn. Als men zich erover verbaast dat mij dat niet ergert, zeg ik altijd dat ik de mis woord voor woord kan volgen. Het scenario ligt vast: louter qua tekst is alles voorspelbaar en om de gaten in te vullen heb ik een missaaltje. Aan nieuwe teksten, buiten de homilie, verwacht ik me niet en ik zou er—eerlijk gezegd—ook geen boodschap aan hebben.

Onder de elementen waarmee we liturgie invullen, is het woord het minst nederig. Woorden eigenen zichzelf de betekenis van de belevenis toe en hebben de neiging in de plaats te treden van het sacrament. Woorden die geen betrekking hebben op het misoffer, dragen niet bij tot de sfeer van ontzag, mysterie en verbondenheid, maar zijn snel gesproken. Een priester die zich opstelt als een radioverslaggever die zijn programma moet volpraten met interessant weetjes, is een stoorzender. Een ogenblik van stilte is minstens zo betekenisvol. Zelfs het gebruik van een andere taal (Latijn?) zou niets mogen afdoen aan de beleving van de eucharistie, integendeel! Overdreven belangstelling voor ‘wat de priester ons te vertellen heeft’ is in de liturgie misplaatst en is een symptoom van clericalisme.

Gebaar

Een andere vorm van clericalisme treedt op in een liturgie waar de priester achter het altaar de mis ‘staat te doen’, terwijl het gelovige volk er als een publiek naar zit te kijken. Het is niet door aandachtig te kijken en te luisteren dat de eucharistische werkelijkheid ons plots in de ogen zal schijnen. De enige gestalte waarin we Christus zullen waarnemen, is die van het doodgewone stukje brood en spectaculairder dan dat, wordt het niet.

Wel kunnen we Christus’ nederige gestalte waardig beantwoorden met een expressieve houding van eerbied. Wist je dat het de gewoonte is in een kerk om tijdens de eredienst te buigen voor het altaar en om —ook buiten de eredienst— te knielen voor het heilig Sacrament, hetzij op het altaar voor aanbidding, hetzij in het tabernakel? En dat het knielen gebeurt op de rechterknie, die voorbehouden is voor God, in tegenstelling tot de linkerknie, waarop je zou knielen voor wereldse heersers, mocht dat nog gebruikelijk zijn?

Ook het verloop van de liturgie kent een aantal geplogendheden als het op lichaamshouding aankomt. Die beschreef ik reeds in mijn Praktische gids bij gebedshoudingen in de liturgie. Dat lijkt misschien allemaal overbodig, maar het is een hulp om God te (h)erkennen in ons gebed zodat het niet gewoon iets tussen mensen onderling wordt. Een hulp om de persoonlijke relatie met Jezus in de liturgie te tonen.

Het grootste Wonder
Het grootste Wonder

Op die manier ben je geen toeschouwer van de mis, maar een deelnemer. Eén van de belangrijkste argumenten voor de ad-orientem-oriëntatie van het altaar is dat de priester daarmee dezelfde gebedshouding aanneemt als de gelovigen. Hij gaat  niet alleen voor, maar hij gaat samen met de gelovigen op in het gebed van de Kerk. Dat kan je niet zeggen van de versus-populum-oriëntatie, waar de persoon van de priester veel meer aandacht opeist.

Voor Wie kom je?

Je kan naar de kerk gaan om bevriende medegelovigen te onmoeten, omdat je van de muziek houdt, omdat je de priester graag hoort preken of omdat de liturgisten ervoor zorgen dat er altijd iets speciaals te beleven is. Je kan uit een kerk wegblijven omdat het publiek je niet aanstaat, omdat je de muziek slecht vindt, omdat je niet op dezelfde golflengte als de priester zit of omdat je de liturgie gewoon sààài vindt. Het is natuurlijk mooi meegenomen als je je ergens volledig thuis kan voelen, maar stel je eens de eerlijke vraag voor Wie je naar de mis gaat. Wie verwacht je te ontmoeten? Wat hoop je te beleven?

Boek I Hoofdstuk 10 Over het vluchten van overtollige woorden

Schuw het gewoel der mensen, zoveel gij kunt: want het verhandelen van wereldse gebeurtenissen is schadelijk, dan zelfs wanneer het met goede mening geschiedt. Immers wij worden zo licht door de ijdelheid aangetast en gevangen. Ik wenst al dikwijls gezwegen en niet onder de mensen verkeerd te hebben. Maar waarom spreken wij en onderhouden wij ons zo gaarne met anderen, ofschoon wij nochtans zelden, zonder letsel voor ons geweten, tot de stilzwijgendheid wederkeren. Daarom spreken wij zo gaarne, wijl wij door die samenspraken van weerskanten zoeken getroost te worden, en ons hart door verschillende gedachten bezwaard, lucht willen geven. En nog veel liever spreken en denken wij over dingen, waaraan wij gehecht zijn en waarnaar wij sterk verlangen, of waarin wij een tegenzin voelen.

Maar dikwijls, helaas! Zonder winst en baat. Want die uitwendige troost verhindert niet weinig de inwendige en goddelijke troost. Daarom moet men waken en bidden, opdat de tijd niet zonder nut voorbijga. Indien u het spreken geoorloofd en dienstig is, zo spreek altijd over dingen die stichten. De verkeerde gewoonte, en de onachtzaamheid voor onze voortgang, zijn de grote oorzaak dat wij onze mond niet genoeg bewaken.

Nochtans is een godvruchtig onderhoud over geestelijke dingen hoogst voordelig tot onze geestelijke vooruitgang; vooral onder mensen, die met hetzelfde hart en dezelfde geest in God verenigd zijn.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek I Hoofdstuk 9 Over gehoorzaamheid en onderwerping

Het is iets groots in de gehoorzaamheid aan een overste ondergeschikt te leven, en zijn eigen meester niet te zijn. Het is veel voordeliger onderdaan te zijn dan overste. Maar velen leven in ondergeschiktheid meer uit dwang dan uit liefde; en die hebben verdriet en zijn geneigd tot morren. Deze zullen geen vrijheid van geest bekomen, vooraleer zij zich uit ganser harte onderwerpen aan Gods wil. Dezen zullen geen vrijheid van geest bekomen, vooraleer zij zich uit ganser harte onderwerpen om Gods wil. Loop her- of derwaarts: gij zult geen rust vinden, tenzij in ootmoedige gehoorzaamheid aan het bestuur van uw overste. De inbeelding dat men beter zal zijn in andere plaatsen heeft er velen van t spoor gebracht.

t Is waar, elkeen handelt liefst naar eigen zin, en is meer genegen voor die, welke van zijn gedacht zijn. Maar als God onder ons woont, is het somtijds nodig dat wij ons eigen gevoelen afstaan om de vrede.

Wie is er zo wijs dat hij alles ten volle weten kan? Daarom, betrouw niet te veel op eigen goeddunken; maar luister ook gaarne nar het gevoelen van anderen. Als uw gedachte goed is, en dat gij er nochtans om Gods wil van afgaat om een andere te volgen, daar zult gij meer voordel uit trekken.

Ik heb dikwijls horen zeggen, dat het veiliger is raad te vragen en aan te nemen, dan te geven. Het kan ook voorvallen dat elk gevoelen goed zij; maar zich naar anderen niet te willen voegen als de genegenheid of de rede het vereist, is een teken van hoogmoed en hardnekkigheid.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek I Hoofdstuk 8 Over het vermijden van al te grote gemeenzaamheid

Open uw hart niet aan iedereen (1), maar bespreek uw verlangen met iemand die wijs is en God vreest. Wees zelden met jonge en vreemde mensen. Vlei de rijken niet, en zoek niet om onder hooggeplaatsten te verkeren. Verkeer met ootmoedigen en met eenvoudigen, met personen, die godvruchtig en goed van zeden zijn, en spreek liefst over stichtende dingen. Wees niet gemeenzaam met enige vrouw; maar beveel in het algemeen alle deugdzame vrouwen God aan. Zoek geen ander gemeenschap dan met God en met zijn Engelen, en vermijd de kennismaking der mensen.

Liefde moet men jegens alle mensen hebben, maar gemeenzaamheid is niet geraadzaam. Somtijds gebeurt het, dat een onbekende persoon, door zijn goede naam, glinstert, maar van nabij gezien verliest hij al zijn glans. Wij menen somtijds dat wij aan anderen behagen door gedurige omgang; veeleer beginnen wij hun te mishagen door de gebreken, die zij in ons bespeuren.

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)