Maand: november 2010

Preek van deze avond aan de kinderen (die weer eens niet konden stilzitten tijdens het eten en onder het bidden)

Bidden en eten, da’s ongeveer hetzelfde. Het zijn momenten van de dag waarop we iets samen doen. Als we alleen zouden eten om geen honger te hebben, zou het gemakkelijker zijn als we ‘s morgens het eten uithalen en dat iedereen ervan kan nemen, als hij honger heeft. Jij hebt eerder honger dan ik, dus dan kan jij eerder eten, en hoef je niet te wachten. Ik heb later honger, en ik hoef dus geen tijd te verliezen wanneer jij wil eten. Net als met bidden. Dat is immers spreken met God, dus als jij met God wil telefoneren, doe je dat toch best wanneer je dat zelf wil? Toch doen we dat altijd samen, waarom? We eten samen, en we bidden ook samen, omdat we daarmee willen laten zien dat we mekaar graag zien, dat we bijeen horen. En iets samen doen, daar horen regels bij. Als je iets alleen doet, kan je doen wat je wil, en hoef je met niemand rekening te houden, maar als je iets samen doet, moet je rekening houden met de anderen. Om samen-eten gemakkelijk te laten verlopen, zijn er een heleboel regeltjes, die heel gemakkelijk zijn en die je allemaal kent. Je gaat vooraf naar het toilet, we wachten tot iedereen aan tafel is, dan bidden we eerst, en daarna krijgt ieder zijn portie. Er worden vooraf geen ‘bestellingen’ opgenomen (“ik wil dit en dat”, “ik lust dat niet”,…), je zit recht, je houdt je handen boven tafel, je eet boven je bord, we blijven aan tafel tot iedereen gedaan heeft, etc… En voor bidden is het net zo. Je houdt het rustig in de kamer waar we bidden, je knielt, je vouwt je handen, we maken het kruisteken, je zit niet te wiebelen, we bidden samen, etc… Alleen op die manier is samen-bidden mogelijk. Dat zijn regeltjes die we niet zelf hebben uitgevonden, maar die volgen ook onze grootouders en hun grootouders en ook miljoenen andere mensen op de wereld. Die regeltjes zijn goed omdat al die mensen ze al gebruikt hebben en we hebben ze nodig om het voor onszelf en voor de anderen gemakkelijk te maken. Daarom zijn ze ook zo eenvoudig. Als ze gevolgd worden, moeten we er niet voortdurend over te discussieren. Dan wordt samen-eten en samen-bidden veel aangenamer. Door die regeltjes toe te passen, kunnen we mekaar tonen dat we iets samen willen ondernemen en dat het ons niet gaat over ons eigen willetje, maar dat we willen tonen dat we mekaar graag zien, even graag als we onze honger stillen en even graag als we God graag zien, en dat we daarvoor nederig kunnen zijn.

Het is gek, maar als ik zo’n preek afsteek op de kinderen, moet ik altijd denken aan hoe het er tegenwoordig in de kerk aan toegaat…

“Zorg dat u niet meer zondigt, anders zou u nog iets ergers kunnen overkomen!” (Joh 5,14)

Denkvermogen

Er zijn de laatste week tientallen bijdrages verschenen in kranten en blogs over de citaten uit mgr. Léonards boek “Monseigneur Léonard – gesprekken”. Meestal waren die zo emotioneel dat ze elke overtuigingskracht ontbraken en mij rillingen bezorgden, vaststellend hoe beperkt het denkvermogen in het publieke debat nog is. Er is maar één artikel dat mij heeft kunnen doen twijfelen mijn steun voor de aartsbisschop te doen opgeven, en wel dat van Mark van de Voorde. Hij raakt de kern van de tweespalt die er bestaat tussen een bepaald mondig binnen-kerkelijk publiek enerzijds en anderzijds het deel van het kerkelijk gezag dat de kerkelijke leer nog wil vertegenwoordigen.

Natuurwet

VDV doet moeite om Léonards stelling te begrijpen, maar -naar hij rapporteert- lukte hem dat niet. In het betoog van de aartsbisschop meent hij een tegenstelling te ontmaskeren. Léonard valt impliciet terug op het concept van de natuurwet. Maar de natuurwet is een zedelijke wet, en niet te verwarren met onze biologische natuur, die ook zijn wetmatigheden heeft, waarvan bijvoorbeeld ziektes en seksuele driften onderdeel uitmaken. De natuurwet -volgens VDV een deel van onze cultuur, zoals hij vroeger reeds betoogde, maar volgens de kerk een deel van ons bewustzijn dat direct relateert naar de wijsheid van de scheppende God-, is juist een rem op onze biologische reacties.

De fysieke natuur, waartoe een ziekte behoort, is niet rechtvaardig, merkt VDV terecht op, het is een proces van oorzaken en gevolgen, en die zijn -naar christelijke normen- meestal juist heel onrechtvaardig. VDV meent dus dat Léonard de gerechtigheid toewijst aan het proces dat zich in de fysieke (biologische) natuur van de mens afspeelt, en toont vanuit die veronderstelling aan dat er van gerechtigheid geen sprake kan zijn. De natuurwet in de werkelijke betekenis, heeft VDV echter gemakkelijkheidshalve, maar onterecht aan de kant gezet en daarmee creëert hijzelf de tegenstrijdigheid die hij Léonard verwijt.

Het fysisch proces van oorzaak en gevolg voltrekt zich deels volgens toeval en buiten onze wil om (dus zonder schuld), deels veroorzaakt door ons collectief handelen (dus met een soort van gedeelde schuld), deels veroorzaakt door ons individueel handelen (dus met een duidelijke persoonlijke schuld). De overdracht van AIDS als gevolg van promiscuiteit valt onder laatste categerie, maar dat betekent -volgens VDV, die wel de schuld erkent- niet dat de verhouding tussen oorzaak en gevolg ‘rechtvaardig’ is. Of dat het het gevolgd derhalve een ‘straf’ zou zijn.

Een nieuwe verklaring

Het begrip ‘immanente rechtvaardigheid’ is ondertussen al op tal van manieren verklaard en geinterpreteerd, maar persoonlijk hou ik eraan mgr. Léonard recht te doen in zijn eerlijke mening, en een nieuwe verklaring te lanceren die m.i. nauw aansluit bij wat het begrip werkelijk inhoudt, en hoe het ook inpasbaar is een (christelijk) ethisch discours, zelfs voor wie het personalisme boven de natuurwet stelt.

Wie de natuurlijke zedenwet overtreedt en als gevolg daarvan ziek wordt, roept op het ogenblik van de overtreding reeds de straf af over zichzelf. Het oordeel wordt niet door mens of God uitgesproken, maar door de zondaar zelf. Het is deze ‘immanentie’ die de ‘rechtvaardigheid’ beperkt tot de persoon en tot de relatie van zijn vrije wil tot het causale proces dat zich afspeelt in zijn fysieke natuur. Zonde en straf, in combinatie ‘rechtvaardigheid’ geheten, worden ‘immanent’ aan mekaar. Die beperking, de ‘immanentie’, impliceert meteen dat God (of de kerk) niet in dit oordeel betrokken wordt, maar Zijn (of haar) rol ten volle mag (en moet) spelen, die bestaat uit genade en naastenliefde.

Ziekte en zonde bij Jezus

Christus heeft indertijd een aantal lammen genezen. Lucas verhaalt (Lc 5,17-26) hoe voor Christus’ voeten een lamme werd neergelaten. Hij vergaf eerst de zieke zijn zonden, en nadien pas liet Hij de zieke opstaan. Het was een retorische truuk om de aanwezige farizeeërs te laten zien dat het mogelijk was dat iemands zonden op aarde vergeven worden. Als hij, de Mensenzoon, immers zieken kon genezen, dan kon hij toch zeker iemands zonden vergeven? Johannes vertelt (Joh 5,1-18) wat Jezus nog aan de zieke te vertellen had, nadat hij hem had genezen: “U bent nu gezond, zorg dat u niet meer zondigt, anders zou u nog iets ergers kunnen overkomen!”. Jezus genas niet zomaar, om te genezen. Jezus genas om de zonde weg te nemen. In Jezus’ optreden zelf, is de ziekte een verzinnebeelding van de zonde. Jezus focust niet op de ziekte, maar op de zonde die de zieke bedreven had. Maar langs de andere kant is het wel de ziekte die tot geloof, het vertrouwen in Jezus, heeft gevoerd, en dus ook tot de genade!

Waarheid

Naar mijn mening zit er daarom een cruciale leemte in het godsbeeld van Van de Voorde (en met hem de goegemeente van de Vlaamse kerk). Rond Christus’ heilsmysterie heerst een drammerige theologische retoriek die volgens het mechanisme van de self-fulfulling prophecy, de zonde onderdompelt in een poel van barmhartigheid (lees: relativisme) en de facto afschaft. Zij vergeten dat men moet barmhartig zijn jegens de zondaar, niet jegens de zonde! Het eerste slachtoffer is de waarheid. Een van de symptomen daarvan is het verschijnsel dat in het publieke debat niet langer met rationele argumenten wordt gestreden en men niet oprecht naar waarheid op zoek is, maar dat alle retoriek zich ontspint rond gevoelens en emoties. Het komt er in de publieke opinie vandaag op aan wie zich ‘beledigd’ voelt, wie ‘geschokt’ is, wie zich ‘veroordeeld’ voelt door andermans uitspraken, etc… Als illustratie mag het debat gelden dat aanleiding geeft aan dit artikel. Of iets al dan niet waar is, wordt daardoor irrelevant.

Naturalisme voorbijgestreefd

VDV en met hem de meesten van Léonards kritikasters, weten geen weg met de natuurwet, die als algemeen geldende waarheid het fundament vormt van het ethische discours van de katholieke kerk. Hetzelfde kon worden waargenomen bij het recente IVF-debat, waarvan de ethische fundamenten ook in de natuurwet liggen. Ze voeren het begrip natuurwet echter af als ‘wetenschappelijk voorbijgestreefd’. Is het concept ‘natuurwet’ dan echt dood en begraven? In de katechismus, naar ik mag hopen toch een wetenschappelijk onderbouwd werk, is er een hoofdstuk “Het heil van God: Wet en genade” dat uitvoerig over de natuurwet handelt. Ook voor onze paus, toch niet de minste onder de theologen, is de natuurwet een levend begrip. In zijn toespraak tot de Pauselijke Academie voor het Leven eerder dit jaar, merkt Benedictus XVI op dat de natuurwet een noodzakelijk beginsel is om ueberhaupt over ethische rechtvaardigheid te kunnen spreken.

Het lijkt me dan ook onjuist te stellen dat nieuwe inzichten in het ethisch discours, zoals het personalisme, een einde gemaakt hebben aan de waarheid van de natuurwet. Het is een bekend, maar intellectueel oneerlijk gebruik, telkenmale de schepen achter zich te verbranden, wanneer nieuwe inzichten zich aandienen. Het is veel waardevoller te trachten het oude met het nieuwe te verzoenen, zoals paus Johannes-Paulus II heeft gepoogd het personalisme met de natuurwet te verzoenen in Veritatis Splendor, mooi geïllustreerd door het antwoord van Jezus op de vraag van de jonge rijke, eerst de geboden te onderhouden, dan alles achter te laten en Hem te volgen (Mt. 19,16-21). Wanneer theologische inzichten evolueren, is het meestal zo dat noch het oude inzicht, noch het nieuwe inzicht, afzonderlijk een volmaakt beeld van Christus’ boodschap bieden, maar dat slechts de verzoening van het oude met het nieuwe inzicht een meer volmaakt beeld kunnen scheppen. De verwerping van het oude ten gunste van het nieuwe is een achteruitgang, geen vooruitgang.

Besluit

Als Jezus keer op keer spreekt over de zonde, wie zijn wij dat we menen erover te mogen zwijgen? De mensen van Jezus’ tijd stonden versteld als een zieke genas. Voor hen was de ziekte normaler dan de genezing. Vandaag is het omgekeerd. Is het daarom dat Jezus’ retoriek vandaag geen vat meer op ons lijkt te hebben? Samen met de ernst van ziek-zijn, is de ernst van zondig-zijn gedevalueerd… Zorgen voor zieken, dat is naastenliefde, dus vanzelfsprekend een taak waarvoor de Heer ons geroepen heeft, maar evenzo roept hij ons de zonde te erkennen. Hij vaardigde immers een nieuwe wet uit, onze naasten lief te hebben zoals Hij ons heeft liefgehad. En hoe heeft Jezus ons lief? Eerst maakt hij ons ervan bewust hoe we door onze zonden afgekeerd zijn van God en Zijn wet. Als we geloven in de kracht van Zijn genade, ontvangen we de vergiffenis, die nodig is om ons leven opnieuw naar God te richten. 

Dit artikel verscheen ook in Catholica.

“Gebt mir meinen Jesum wieder!”

Het was Judas, door wroeging bevangen, die in de tempel de dertig zilverlingen de hogepriesters toewierp en uitriep: Geef mij mijn Jezus terug! In de crisis die zich voor onze ogen voltrekt [het misbruikschandaal waardoor mgr. Van Gheluwe, bisschop van Brugge, zijn ontslag moest indienen, nvdr], zijn we allemaal Judassen. Alvorens kritiek te uiten, is het goed in eigen hart te kijken en te oordelen wat de kerk van Gods ene volk werkelijk ten goede komt. Slechts met oprechte spijt over de onverzoenlijkheid waarmee we tegenover mekaar staan, kunnen we in alle eerlijkheid uitroepen “Geef me mijn Jezus terug!”… Mijn Jezus is er voor iedereen die oprecht en eerlijk wil geloven en werken aan de opbouw van Zijn kerk.

Read More

De latere christenen

De traditie verschaft de kerk geleidelijkaan inzichten over het volmaakte christelijke leven. De terugkeer naar een vroegere traditie of uitsluiting van de traditie verarmt het christelijke leven.

Inleiding
In het vroege christendom bestond het sacrament van de biecht niet. Christenen werden wel gedoopt, vaak op volwassen leeftijd, en werden zo gezuiverd van al hun zondes. Maar wanneer ze in hun latere levenswandel opnieuw aan bekoringen toegaven, kwamen ze in gewetensnood. Wie zware zonden beging, sloot zichzelf uit van de christelijke gemeente, mocht niet meer deelnemen aan de eucharistie en was dus verstoken van het heil. Om terug bij de gemeente aansluiting te vinden, moest een zondaar publiek zijn zonde belijden door het boetekleed aan te trekken. Na een -vaak lange- periode van penitentie, werd de bekeerde zondaar opnieuw opgenomen in de gemeenschap. Pas veel later werd de persoonlijke biecht ingevoerd, waarbij de belijdenis wordt uitgesproken tegenover een biechtvader, die dan ook meestal een meer private vorm van penitentie oplegt.

In de discussie die volgde op vorige post kwam het typisch verwijt naar boven, dat veel elementen van de leer van de kerk, met name betreffende de sacramenten, niet gestoeld zijn op de Heilige Schrift.  Dat zette me toch tot nadenken, met als -verrassende?- conclusie dat het de traditie is die voert tot inzicht in het volmaakte christelijke leven.

Om het christelijk leven te vervolmaken, lijkt het aanlokkelijk terug te keren naar zijn prilste vorm, het leven van de eerste christenen. Dat kan op verschillende manieren. Sommigen vinden in de Heilige Schrift de enige en letterlijke instructie voor de inrichting van een christelijk leven. Anderen gaan aan de slag met al dan niet historisch verantwoorde literatuur over het leven van de vroege christenen.  Maar wat leren die eerste christenen ons nu concreet? Het blijken niet allemaal marterlaren te zijn. Ze worstelen met de bevrijding van hun culturele of religieuze achtergrond. Ze ontwikkelen afwijkende meningen over wie Jezus is en maken daarover ruzie… net als wij vandaag. Waarom zouden we dan zo’n buitengewone waarde hechten aan de woorden en handelingen van de eerste christenen? Zo zou ik bij wijze van praktische oefening aan eenieder die wil leven als de eerste christenen willen vragen, of zij, indien ze een zware zonde begingen, het boetekleed zouden aanvaarden, zoals in de eerste gemeenten de gewoonte was. De eerste christenen stonden slechts aan het begin van een leerproces in christelijk leven.

Zoeken naar het volmaakte christelijke leven is zoeken in het heden en in de toekomst, niet in het verleden. Maar de toekomst wist het verleden niet uit! Traditie is de schakel in de ketting die ons verbindt met de eerste christenen, en die ons de kennis overdraagt die sindsdien is opgebouwd. Traditie is mensenwerk, dus spijtig genoeg zijn er ook vergissingen en misbruiken in de traditie opgenomen. Als we de traditie echter in het perspectief plaatsen van een geschiedenis van twee millennia en van een toekomst van god-weet-hoeveel meer millennia christelijk leven, mogen we stellen dat de traditie in zich niet de fouten, maar de lering draagt van alle vergissingen en misbruiken die de kerkelijke leer misvormd hebben. Traditie is immers geen gesloten boek: ze wordt beleefd en ze leeft. Hoewel het op korte termijn en voor ongeduldige zielen soms anders overkomt, is traditie een evolutionair proces dat wordt getoetst aan het liefdesgehalte in het dagelijks leven van elke gelovige.

Als we de traditie aanvaarden en beleven, winnen we tweemaal! Een eerste keer omdat we de opgeslagen kennis en ervaring van eeuwen christelijk leven zonder veel moeite kunnen opnemen in de inrichting van ons eigen leven. Een tweede keer omdat we zelf een bouwsteen van de traditie uitmaken, door de goeie elementen ervan te bevestigen in onze gemeenschap en over te dragen op onze kinderen, de latere christenen… Als we de traditie verwerpen, doen we niet alleen onszelf tekort, maar -wat nog erger is- ontzeggen we haar ook aan al die na ons komt.

Allemaal kinderen

Alles vloeit naar mekaar toe. Onderweg naar huis had ik het met Toon over het verschil tussen kinderen die naar de scouts gaan en kinderen die niet naar de scouts gaan. Die eersten zijn natuurlijk veel dapperder. “Maar jij bent toch ook een kind”, zei hij me – “Waarom?” – “omdat God en Jezus de vader zijn van alle mensen en dus zijn alle mensen kinderen”… Geen speld tussen te krijgen; en hoewel Toon vanmorgen niet mee naar de mis was, verrassend toepasselijk op de evangelielezing. Na het voorlezen van de brief van mgr. Bonny over de zaak Vangheluwe, wees onze pastoor er de gelovigen immers op, dat dit de enige keer is in het evangelie van Sint Jan waarop Jezus zijn volgelingen toespreekt als ‘kindertjes’. En daarover gaat het vandaag natuurlijk: Jezus voegt aan de geboden van de wet, waarvan het eerste de liefde voor God is, een wederkerig gebod toe: God heeft ook de mensen – zijn kinderen – lief, dus moeten de mensen – uit liefde voor God – ook mekaar liefhebben. Maar de onthullingen tonen aan welk een verwrongen vorm van ‘liefde’ je krijgt als je die wederekerigheid negeert en die andere geboden van de wet, waaraan Jezus nochtans geen jota heeft veranderd, plots minder acht dan dat nieuwe gebod. We zijn allemaal kinderen van God, en moeten mekaar, en bovenal onze eigen kinderen, liefhebben met de liefde die God ons schenkt én met het respect dat God van ons eist. De tien geboden zijn actueler dan ooit. Bij de scouts hebben ze ook zoiets. Wet en Belofte heet dat. Op de site van de VVKSM Scouts en Gidsen Vlaanderen lees ik een wollig stukje over hoe zo’n belofte tegenwoordig een “persoonlijk engagement is hoe je de scouts mooier, toffer, beter,… zal maken”. Een uitleg die heel mooi is, maar waar mijn stekels van overeind komen, omdat ik dezelfde ondertoon hoor als in de populaire visie op Jezus’ boodschap van liefde: alles is goed, als we maar lief zijn voor mekaar. Baden-Powel drukte het toch iets concreter uit, en daar is niks mis mee, integendeel.