Maand: februari 2011

Aanbidding

Bidden is gemakkelijker als je je ergens op kan richten. Op een afbeelding van wie je aanbidt of aanroept. Je kan je aandacht erop kwijt als die dreigt af te glijden. Voor het bidden met de kinderen zoek ik een mooie afbeelding op Google en plak die op een stuk karton, dat eenvoudig kan worden opgesteld op de plaats waar gebeden wordt, en ook weer weggenomen, indien die plaats niet voor het gebed gereserveerd is.

Hierbij enkele aantrekkelijke hoge-resolutieafbeeldingen:

Heilige Maagd
http://bit.ly/fUbrVC
*
Heilig Hart van Maria
http://bit.ly/h6drrW
*
Heilig Hart van Jezus
http://bit.ly/i56mp9
*
“Virgin Mary Fish”
http://bit.ly/i5AJ5a
*

Heb je meer tips, laat dan een reactie achter…

Het Monotheïstisch dilemma

E.H. Toon Clarijs, pastoor in Aalst, verwijderde enkele dagen voor Kerstmis eigenhandig de kerstversiering die het stadsbestuur op zijn kerk had laten aanbrengen. Hij vond het opschrift ‘Prettige Feesten’ niet passen. Op een kerk hoort het opschrift ‘Zalig Kerstfeest’, zo verklaarde hij. De stad was verbolgen, want zij hebben natuurlijk met de beste bedoelingen een neutrale boodschap gekozen en gedacht “waarom zouden we ook de kerk niet meteen mee versieren?”… Uit wat volgt zal blijken dat pastoor Clarijs’ actie een daad van fundamentalistisch terrorisme in de dop is, gericht tegen een burgerlijke overheid die -met de beste bedoelingen- de beginselen van de burgerlijke samenleving met de voeten treedt. Het onbekende boezemt angst in. Als een pastoor de seculiere versieringen van zijn kerk haalt, is men ontzet, want men begrijpt niet waarom, evenmin als men het begrijpt waarom een terrorist zich met een vliegtuig op een toren stort. Gedreven vanuit het onbegrijpelijke, is terreur dubbel zo beangstigend.

Universele moraal

De bevolking van ons land wordt steeds minder homogeen. Daarom zijn er geen toonaangevende waarden meer die in de ganse samenleving worden aanvaard. Religies komen in mekaars vaarwater, en -meer nog- burgerlijke overheid en religie komen in mekaars vaarwater. Dat leidt tot conflicten. Filosoof Paul Cliteur heeft een boek geschreven, “Het monotheïstisch dilemma”, waarin hij focust op de extreemste vorm van samenlevingsconflicten, het religieus terrorisme. Zijn uitwerking van het thema, waarover hij niet voor het eerst schrijft, doet zijn naam als vrijzinnig atheïst eer aan.

Hij zoekt de oorzaak van terrorisme in een -weinig theologische- lezing van de heilige boeken van de monotheïstische godsdiensten, waarin gelovigen zich in slaafse onderwerping aan de wil van God te buiten gaan aan alle denkbare vormen van geweld. Cliteur biedt ook een oplossingaan! Als er geen homogeniteit bestaat in het maatschappelijk (religieus) waardenpatroon, moet die noodzakelijke homogeniteit via een ander kanaal aangeboden worden: de staat.

Cliteur ziet heil in een set van waarden die de verschillen in de samenleving kan overstijgen. Dat zullen volgens hem typisch verlichte concepten zijn als vrijheid van meningsuiting, universele mensenrechten, democratie, etc… Door deze universele waarden als hoogste  norm te aanvaarden, kunnen personen met een heel verschillende cultuur of godsdienst in harmonie deelnemen aan de burgerlijke samenleving. Het lijkt er sterk op dat Cliteur daarmee het warm water uitvindt. De grondrechten en institutionele beginselen van de moderne staatsinrichting bestaan immers al honderden jaren, met een duidelijk doel: het creëren van een burgerlijke ruimte waarin iedereen in relatieve vrijheid zijn leven kan organiseren. Dat lukt wonderwel… zolang de samenleving homogeen blijft. Net nu die burgerlijke ruimte uitgeleefd blijkt, haalt Cliteur diezelfde beginselen opnieuw boven, met de bange belofte dat het dit keer wel zal lukken… waarom?

Omgekeerde vrijheid

Vanuit seculier standpunt worden de zaken meestal zo voorgesteld alsof het godsdienstig extremisme sinds enkele decennia plotseling is opgedoemd en een bedreiging vormt voor de moderne burgerlijke maatschappij. Die laatste dient als referentiepunt en is in deze waarneming dus onveranderlijk (en onschuldig). Laten we echter de toestand ook eens proberen voor te stellen vanuit gelovig standpunt, waarbij het de moderne burgerlijke maatschappij is die evolueert en -sinds de laatste decennia- een bedreiging begint te vormen voor godsdienstig leven.

Als liberaal moet Cliteur toch aanvoelen dat onze wetgevers zich steeds vaker veroorloven zaken te regelen waarvan tot voorheen werd uitgegaan dat ze op organische wijze in de samenleving konden opgelost worden, steunend op een bepaald niveau van zelfregulering, op haar beurt gedragen door godsdienstige waarden. In een maalstroom van overambitieuze wetgevers, veeleisende burgers-consumenten, steeds complexer wordende structuren en versplintering van de maatschappelijke grondtoon, is het zelf-regulerend vermogen van de samenleving beetje bij beetje afgebrokkeld. Autonome maatschappelijke initiatieven worden losgeweekt van hun -vaak religieuze- wortels en onder de hoede van de staat geplaatst, onder het mom van  financiering, professionalisering, schaalvergroting en dies meer. Om de consumerende burger niet voor het hoofd te stoten, worden die vormen van staatscontrole en de nieuwe regels vaak voorgesteld als ‘liberaliseringen’, maar ze zijn dat natuurlijk niet. Daarbij komt dat met een aantal van die ‘regulariseringen’ een gelovige het bijzonder moeilijk heeft. Abortus bijvoorbeeld: mensen het recht op leven ontnemen, kan men bezwaarlijk een bijdrage tot meer vrijheid noemen? Of homohuwelijk: een reeds bestaand samenlevingscontract herdefinieren als huwelijk, levert toch niemand vrijheid op? Op geen enkel ogenblik stelt Cliteur zich in zijn boek echter serieus de vraag of de burgerlijke maatschappij misschien niet af en toe haar boekje te buiten gaat, zozeer is hij erop gefocust de oorzaak van religieus terrorisme te vinden in de heilige boeken. De verlichtingsidealen bewapenden eertijds de burgers tegen tirannie. Cliteur neemt nu dezelfde idealen ter hand, zogezegd als wapen tegen terreur, maar ditmaal wordt de burger niet meer ruimte gegeven, maar wordt zijn bewegingsruimte afgebakend. Religieus terrorisme is niet gericht tegen andere geloofsgemeenschappen (hoewel die het eerste slachtoffer zijn), maar tegen de staat! De staat, die volop bezig is de godsdienstigheid te versmachten, omdat zij meent bevoegd te zijn de ‘universele waarden’ te bevoogden.

Lege waarden

Cliteur analyseert terecht dat voor een religieus terrorist “niet de nationale rechtsorde het referentiepunt vormt, maar een geïdealiseerd heilig recht dat voorrang heeft boven de democratische wetgeving van natiestaten.” Is dat dan anders voor iemand die ook godsdienstig is, maar géén terrorist?

Cliteurs universele waardenset waarmee burgers over de grenzen van godsdienst in een burgerlijke maatschappij kunnen samenleven, kan nooit het “normstellend kader zijn voor alle godsdiensten”. Gelukkig heeft Cliteur geen boodschap aan een ‘gematigde’ of ‘vrijzinnige’ vorm van geloof, die gebaseerd is op de “misvatting dat men met woorden alle kanten uit kan” of gewoon op “onbekommerd projecteren” van “mensen die het ontbreken aan kennis van de Heilige Schrift of de heilige traditie, om op basis daarvan een godsbeeld te ontwikkelen en wie geen andere bron rest voor hun godskennis dan hun eigen fantasie.” Daarom voert hij de ‘seculiere gelovige’ op, die best radikaal mag zijn. Als een gelovige voor het dilemma wordt gesteld tussen toepassing van zijn geloofsmoraal en toepassing van de ‘universele’ moraal, met als inzet zijn zieleheil, hoe stelt Cliteur zich voor dat die gelovige zal kiezen? Je kan als gelovige een heel eind meegaan in het seculiere integratieproces, maar precies als het erop aankomt kàn een gelovige geen ‘seculier gelovige’ zijn. Om die consequentie te snappen moet je geen terrorist zijn, geen fundamentalist of radikalist, daarvoor moet je gewoon eerlijk zijn in je geloof.

Maar opnieuw is Cliteurs vergissing te verklaren. Het waanbeeld van de ‘tweetalige gelovige’ komt voort uit het beeld dat men graag koestert van het hedendaags Westers christendom, waarin wordt gedweept met idealen van democratie en gelijkheid.  Democratie en gelijkheid zijn echter relatieve waarden. De concrete waarden die in een democratie tot uiting komen, zijn een  afspiegeling van de waarden die leven in de representatieve groepen van de samenleving. Misschien waren vele christenen de laatste decennia best tevreden met de emanaties van ‘democratie’ en ‘gelijkheid’, maar dat zal dan vooral te danken zijn aan het feit dat de onderliggende samenleving reeds op voorhand doorkneed was van de concrete waarden van hun eigen geloof! De vraag is hoe ze zich zullen opstellen wanneer het spagaat groter wordt tussen de waarden van hun geloof en de ‘democratische’ waarden die zich zullen emaneren nu de samenleving heterogeen is geworden. Minstens een deel van hen zal uiteindelijk moeten vaststellen het gouden kalf gediend te hebben.

G.K. Chesterton stelde het zo: “The fact is this: that the modern world, with its modern movements, is living on its Catholic capital. It is using, and using up, the truths that remain to it out of the old treasury of Christendom.”

Theologie

Een gelovige kan perfect functioneren in een heterogene samenleving, volgens het waardepatroon van zijn geloof. Dat beaamt zelfs Cliteur. Als een gelovig burger vanuit zijn geloof een fatsoenlijke moraal meekrijgt, dan zal hij vanuit diezelfde waardenset kunnen functioneren zowel in de samenleving, als in zijn geloofsgemeenschap en in zijn relatie tot God. Zelfs als het een waarachtig fundamentalist betreft die -zoals Cliteur definieert- “geen enkele andere bron van moraal erkent dan de wil van God.” Die burger heeft dus geen behoefte aan een ‘universele waardenset’, of ‘morele tweetaligheid’, want die zou hem alleen maar belemmeren het goede te doen. Wie in deze periode van het jaar een katholieke kerk bezoekt, kan trouwens horen hoe veeleisend Christus wel is, wanneer hij zijn leerlingen onderricht over hoe ze zich in de samenleving moeten gedragen, tegenover eender wie, onafgezien zijn of haar geloof. Uit de moraal van de zaligsprekingen en de daarop volgende leringen in het Mattheüsevangelie, zie ik niet zo gauw terrorisme voortspruiten…

Cliteur erkent dat wel zijdelings, maar wil zelfs het Nieuwe Testament niet vrijpleiten van geweldsdrang. Opnieuw is het zijn focus op de heilige teksten die hem belet verder na te denken. Hij dekt zich in door met herhaling te stellen zijn onderzoeksterrein bewust af te bakenen tot de relatie tussen terrorisme en het monotheïsme. Dat is vanuit wetenschappelijk standpunt lovenswaardig en levert een verrassende collectie bijbelkritiek op, maar het is niet helemaal consequent om vanuit dit vernauwde gezichtsveld meteen oplossingen aan te reiken, alsof het probleem daarmee helemaal geanalyseerd is. Zijn analyse mist een gelovig perspectief en zijn oplossing is vanuit gelovig perspectief principieel onrealistisch. Hij bestrijdt het fundamentalisme, maar wanneer hij het concept ‘fundamentalisme’ definieert, blijkt dat hij het eigenlijk over elke zichzelf respecterende vorm van geloof heeft. In wezen bestrijdt hij het concept ‘geloof’ en in de ontkenning van de consequenties van geloven, zoekt hij de oplossing. Niet de gewelddadigheid van de heilige verhalen maakt een gelovige vatbaar voor terroristische neigingen, ook niet de graad van fundamentalisme in zijn geloof, maar de mate waarin vanuit de theologie aanspraak wordt gemaakt op staatkundige macht én de mate waarin vanuit de staat aanspraak wordt gemaakt op morele macht. Die verhouding moet de basis van de analyse zijn en in die verhouding schuilt de oplossing.

Dit artikel verscheen in Catholica

Oecumenische bescheidenheid

In Leuven ontving de anglicaanse aartsbisschop Rowan Williams een eredoctoraat wegens zijn verdienste als theoloog en kerkleider. Leuvens hoogleraar en oecumene-specialist Peter de Mey belicht de suboptimale toestand van de oecumenische dialoog (of ‘tweespraak’?) tussen de katholieke en anglicaanse kerken als volgt: “Recente problemen in bepaalde anglicaanse provincies zoals de wijding van een praktiserend homoseksueel priester tot bisschop en de wijding van vrouwelijke bisschoppen – nochtans de logische volgende stap na de erkenning van vrouwelijke priesters – bemoeilijken de dialoog. Maar er is geen andere weg om tot het herstel van de eenheid te komen. Op het vlak van de individuele seksuele moraal past ons in de rooms-katholieke Kerk momenteel enige bescheidenheid.”  Wat bedoelt De Mey daar nu mee? Wat is de relevantie van het misbruikschandaal in de oecumenische dialoog?Is er meer misbruik door priesters in de katholieke dan in de anglicaanse kerk? Geen idee, maar de kans lijkt me klein. Heeft misbruik door priesters iets te maken met de angels in de dialoog, te weten: praktiserend homoseksuele priesters en vrouwelijke priesters? Het lijkt me zelfs not done het misbruikdebat aan het genderdebat te koppelen…

De manier waarop De Mey het ene aan het andere koppelt, lijkt te insinueren dat de katholieke kerk nu beter wat toegeeflijker zou zijn en enkele aanpassingen in haar leer zou moeten aanbrengen om de anglicaanse kerk tegemoet te treden. Waarom dit momentum zich tot zo’n houding zou lenen, is mij vreemd, ik zou eerder een tegenovergestelde reactie verwachten van de kerk, namelijk een meer strikte toepassing van de leer.

Ik besef dat deze interpretatie, afgaande op een bijzonder kort citaat, slechts een slag in het water is. Van De Mey is er op het internet verder weinig materiaal te vinden, buiten een (heel technische) lezing over wederzijdse dooperkenning tussen de katholieke en protestantse kerken. Daarom zou ik verderop niet langer de persoon De Mey en zijn – mijn onbekende – standpunten willen behandelen, maar wel zijn exemplarisch onvoorzichtig gebruik van het begrip bescheidenheid, dat snel verward kan worden met het begrip nederigheid.

Mark van de Voorde schreef over die bescheidenheid maanden geleden al een bevattelijke bijdrage, waarin hij het onderscheid met de christelijke nederigheid duidelijk maakt, en waarschuwt: “een bescheiden mens gelooft niet dat hij wat te zeggen heeft. Hij heeft immers geen te hoge gedachten van zichzelf. Zijn mening is dus niet noemenswaardig. Bescheidenheid is dan ook de eerste stap om van je geloof te vallen.”

Bescheidenheid in oecumenische relaties is gevaarlijk, ze kan immers leiden tot de relativering van de geloofswaarheid. Ik ben geen oecumene-expert, maar ik stootte op een korte rede uit 1964 van paus Paulus VI, over de eenheid van de kerk. In dit uitgebreid citaat levert hij een heel correcte opdrachtsverklaring af voor iedereen die zich voor oecumene wil inzetten:

Zekerheid moet bij de katholiek gepaard gaan met nederigheid en dankbaarheid en nooit met trots. Een ander gevoel dat ons moet bezielen is broederlijke belangstelling voor allen die nog niet hetzelfde geluk deelachtig zijn als wij. Gij weet hoe veelomvattend deze belangstelling dient te zijn en hoe sterk deze innerlijke drang op dit ogenblik leeft in onze harten; belangstelling voor alles wat waar, goed, christelijk en heilig is bij onze afgescheiden broeders; belangstelling voor hun wij:z:e van denken en voelen; eerbiediging van hun gevoelens waar dit mogelijk is; verlangen om de problemen die er tussen ons bestaan en die de hereniging bemoeilijken op te helderen; zoeken, in een geest van nederigheid, geduld en vertrouwen, naar een loyale oplossing, een goede oplossing die voor niemand vernederend is maar eervol voor allen omdat zij beantwoordt aan de wens van Christus.

Paulus VI koppelt nederigheid aan zekerheid. Van de Voorde stelt dat nederigheid het tegenovergestelde is van bescheidenheid. En bescheidenheid leidt tot relativisme, wat dan weer het tegenovergestelde is van zekerheid. Het wezenlijke verschil tussen bescheidenheid en nederigheid ligt in het primaire referentiekader van deze respectieve houdingen. (Evangelische) nederigheid is in eerste instantie een houding die een gelovige aanneemt tegenover God, vanzelfsprekend niet zonder effect op iemands houding in de samenleving. Bescheidenheid is een houding die men aanneemt tegenover de wereld, of – in deze context – tegenover een oecumenische gesprekspartner. Bescheidenheid tegenover God is als het ware een contradictio in terminis, want waar de nederigheid de persoonlijke verdienste in het heil toewijst aan God, diminueert de bescheidenheid de persoonlijke verdienste en daarmee ook de verdienste van God. Waar de nederigheid de persoonlijke zonde erkent en vergiffenis afsmeekt van God, wijst de bescheidenheid de genade af.

Het lijkt waarschijnlijk een woordspelletje, maar voor wie met oecumene begaan is, is het onontbeerlijk mekaar goed te begrijpen, en zedig om te gaan met belangrijke geloofsbegrippen.

Wanneer slaat nederigheid over in bescheidenheid? Ik val – oecumeneleek zijnde – terug op een geherpubliceerd artikel over het begrip ‘dialoog’, waarin de auteur – vertrekkende van de doelstelling van oecumenische dialoog volgens Paulus VI – in na Vaticanum II de doelstelling ziet ontstaan “door dialoog de waarheid te achterhalen”[1], met opnieuw een waarschuwing: “de Katholiek die in de dialoog dit standpunt inneemt, twijfelt aan eigen geloof of is niet oprecht. Amerio zegt dit met veel nadruk. Hij voegt eraan toe, dat zulk een dialoog ook niet voor alle katholieke deelnemers zonder gevaar is en dat het denkbaar is, dat hij kan leiden tot verduistering of zelfs verlies van het geloof.”

Ik vermoed dat voor een verdere uitdieping van dit thema mijn filosofie tekort schiet. Waar bijvoorbeeld eindigt de ‘waarheid’ (die niet aan tijd of persoon gebonden is), en begint de ‘formulering’ ervan (die wel veranderlijk kan zijn)? Dat is een cruciale vraag voor de oecumene, maar ook voor onze kerk op zichzelf.

En als men het daarover eens is, blijft het spook van het voluntarisme op de loer liggen. Als een oprechte dialoog kan leiden tot een nieuwe, gemeenschappelijke formulering die dezelfde waarheid volledig weerspiegelt, is dat een lovenswaardige bijdrage tot de eenheid van de christenen. Als in een voluntaristische dialoog de waarheid wordt verduisterd of verzwakt (bijvoorbeeld met als aanleiding het misbruikschandaal, dat wezenlijk met de dialoog niks te maken heeft), opdat een gemeenschappelijke formulering van deze ‘nieuwe waarheid’ mogelijk wordt, is het geloof geschaad en daarvoor brengt de verworven eenheid geen soelaas.

 

[1] Vaticanum II zegt hierover in Dignitatis Humanae: “Men moet echter de waarheid zoeken op de wijze, die eigen is aan de waardigheid van de menselijke persoon en aan haar sociale natuur, nl. door een vrij onderzoek, door middel van onderricht of vorming, van uitwisseling van ideeën en dialoog, waardoor men aan elkaar de waarheid uiteenzet, die men heeft gevonden of meent te hebben gevonden, om zo elkaar te helpen bij het zoeken naar de waarheid. Is men eenmaal tot de kennis van de waarheid gekomen, dan moet men deze standvastig aanvaarden met een persoonlijke instemming.”

in na