Maand: juli 2012

Abstract overschot

Komende zondag wordt het evangelie van de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging gelezen. Een populair verhaal in het lectionarium, wellicht omdat het zo nauw aansluit bij het sacrament van de eucharistie. Misschien zegt het verhaal wel meer over de eucharistie dan het verhaal van Witte Donderdag zelf, wanneer de eucharistie wordt ingesteld. Best de moeite waard om even bij stil te staan.

La multiplication des pains (Jacques Muller, 1992, © Jacques Muller)
La multiplication des pains (Jacques Muller, 1992, © Jacques Muller)

Op missale.net verschijnt als illustratie bij de lezing een abstrakt werk “La multiplication des pains” van Jacques Muller. Ik ben zelf zo geen groot liefhebber van abstracte kunst, zeker niet als het gaat over geloofsverbeelding, maar in dit geval is het wel op zijn plaats: een wonder is abstract.

Maar zeggen dat een wonder abstract is, impliceert niet dat het onwerkelijk is, of dat concrete begrippen er niet op van toepassing zijn. Ik ben me beginnen afvragen hoe  het wonder van de broodvermenigvuldiging zich feitelijk heeft kunnen voltrokken. De bijbel verhaalt slechts twee toestanden: het voor en het na. Voor de vermenigvuldiging plaatsvindt, zijn er vijf broden en twee vissen, en duizenden hongerige mensen. Na de vermenigvuldiging zijn er twaalf manden overschot en duizenden voldane mensen. Wat is er intussentijd gebeurd?

Jezus spreekt een gebed uit en zegt aan zijn leerlingen dat ze het brood en de vissen moeten uitdelen, “zoveel men maar wil”.  En later vraagt hij het overschot op te halen, “opdat er niets verloren gaat”.

Hoe kan het wonder van de vermenigvuldiging zich fysisch voltrekken? Daarover zeggen de evangelisten niets. Maar er valt misschien wel een en ander af te leiden uit wat ze wel vertellen.

Allereerst: het brood en de vissen zijn niet uit het niets gekomen. Het is geen ‘schepping’, maar een ‘vermenigvuldiging’. Er is brood en vis van bij het begin, maar te weinig. Uit dat weinige is voldoende brood en vis voortgekomen voor duizenden mensen. Het is niet zo dat er plotsklaps een hele berg voedsel ligt, maar er is een continue vermeerdering, een groei van wat  er al is.

Ook opmerkelijk: het is niet in Jezus’ handen dat het wonder zich voltrekt. Jezus spreekt het dankgebed uit over vijf broden en twee vissen. Dat is duidelijk verhaald in het evangelie, en tot dan is er nog niets wonderlijks gebeurd. Jezus geeft vervolgens aan zijn leerlingen de opdracht het voedsel uit te delen. Het moet dus in de handen van de apostelen zijn, dat het wonder zich feitelijk voltrekt. Hoe? Dat wordt niet verteld. Breken zij het brood, en blijven de twee helften even groot als de oorspronkelijke homp? Dat zou kunnen -niet dat ik het kan verklaren, het blijft per slot van rekening een wonder, maar zo kan ik het me wel voorstellen. Zo kunnen ze blijven breken en uitdelen, totdat iedereen voldoende heeft, en wanneer ze de laatste hompen zonder te breken uitdelen, is het wonder voltooid.

Stel je nu in de plaats van een van de leerlingen. Je weet niet wat je moet verwachten als je de opdracht krijgt met zo weinig voedsel zoveel mensen eten te geven, maar je vertrouwt op Jezus. Wat doe je? Je gaat naar het eerste groepje, en je breekt een stuk van een brood en je geeft het hen. Maar bij het breken, en misschien zelfs zonder dat je het meteen merkt, zijn beide helften gegroeid en bij het volgende groepje kan je weer een stuk van een brood breken, zonder dat de voorraad in je mand vermindert. Na het tweede of het derde groepje krijg je het door: hier gebeurt een wonder! Hoe reageer je? Een wetenschappelijke geest zou stoppen met uitdelen, een weegschaal opstellen en proberen te verifieren hoe de broodmassa zichzelf bij het breken vermeerdert. De leerlingen echter laten zich niet van de wijs brengen, en delen voort uit, tot iedereen voldoende heeft.

Als het wonder zich op deze, haast vanzelfsprekende wijze voltrekt, zullen de meeste mensen zelfs niet in de gaten hebben dat er iets merkwaardigs gebeurt. Daarom vraag Jezus na afloop om opnieuw ronde te doen, ditmaal om het overschot op te halen. Pas dan, zo vertelt ook de evangelist, zien de mensen het wonder dat zich voltrokken heeft.

Hoewel het dus een groot wonder is, doet het zich heel subtiel voor, haast onmerkbaar. Het is daarom dat ik een abstract schilderij wel nuttig  vind om dit wonder te verbeelden, omdat een figuratief werk alleen maar de toestand voor of na het wonder kan weergeven, en een abstract werk de focus op het onzichtbare kan leggen.

Het verhaal vertelt veel over de eucharistie, een heel gelijkaardig wonder dat zich elke zondag voor onze ogen voltrekt, maar zonder dat we het zelf verifieerbaar kunnen zien gebeuren. Ook dat wonder vertrekt van ‘iets’: gewoon brood. Ook dat wonder voltrekt zich weliswaar door Jezus,  maar in de handen van zijn apostelen (in casu de priester, die de Mis opdraagt op last van de bisschop en dus vanuit de apostolische traditie). Ook dat wonder kennen we maar door een beschrijving van de toestand voor de consecratie (brood) en de toestand na de consecratie (lichaam), zonder evenwel de overgang (de ‘transsubstantiatie’) te kunnen bepalen. Ook dat wonder kunnen we niet verifieren met onze wetenschappelijke geest. Ook dat wonder zet zich continu voort: elke zondag opnieuw, in elke kerk in de wereld, vermenigvuldigt zich het eucharistisch brood.

Een mooie vergelijking, zal je zeggen, maar er blijft een wezenlijk punt openstaan. Waar zijn die twaalf manden overschot, waaraan ook wij het profetisch wonder zullen herkennen dat zich voltrekt in de Heilige Mis? Waar blijft onze voldaanheid?

Die ‘overschot’, dat zijn wijzelf. Door het eten van het brood, dat lichaam werd, worden wijzelf ook deel van  lichaam. Daarom is er in de eucharistie geen overschot aan brood: alles wordt bewaard in de mens. De uitwerking van de eucharistie is de eenheid van de Kerk in en door Christus’ lichaam. Daardoor zijn we verbonden met gelovigen overal ter wereld en in alle tijden, die door hetzelfde brood te eten van hetzelfde lichaam deel uitmaken.

Wij zijn de broodkruimels die Jezus opnieuw verzameld wil zien, opdat er niemand zou verloren gaan. Wanneer Hij ons heeft verzameld, zullen we voldaan zijn en het wonder zien.

Parabels: een vat vol tegenstrijdigheden

Jezus hield van parabels. Eenvoudige verhalen over mensen, maar die iets vertellen over God. We noemen ze soms ook ‘gelijkenissen’. Maar ik denk niet dat die naam juist is. Veel van die parabels zijn verhalen die ergens niet kloppen, toch niet vanuit menselijk perspectief.

Een paar voorbeelden. Een herder laat zijn kudde aan de rovers over, om één verloren schaap te zoeken. Een vrouw die er geen boterham minder om hoeft te laten, gaat een halve dag lopen zoeken naar een verloren centje. Een vader wiens zoon al zijn geld heeft verbrast, richt een groot feest aan wanneer die zoon haveloos terugkomt, en zet daarmee zijn trouwe zoon te schande. Een bruidegom laat vijf bruidsmeisjes midden in de nacht in de kou staan, omdat ze te laat zijn. Een meester straft zijn dienaar, van wie hij wist dat hij tot weinig bekwaam was, terwijl hij zijn ene talent veilig en wel bewaard heeft, zoals hem was gevraagd!

We kunnen die parabels niet begrijpen als we ze proberen uit te leggen met “God is als de goede herder” of “God is als de vader van de verloren zoon” of “God is de bruidegom” of “God is de Heer van de talenten”, want die verhalen kloppen langs geen kanten, en wat hoort dat dan te zeggen over God?

Een goede herder blijft immers bij zijn kudde. Een vrouw die een cent verliest, zorgt beter dat haar huishouden is gedaan, in plaats van tijd te verliezen met zoeken. De vader van de verloren zoon zal dan wel blij zijn dat zijn zoon terug is, maar zou hem beter de les spellen in plaats van hem op te hemelen. En dan die Heer van de talenten! Wat een onrechtvaardigheid om zijn kleinste dienaar, die al zo weinig toevertrouwd kreeg en er -op zijn manier- dan nog goed heeft voor gezorgd, alles af te nemen, te verdelen onder de grotere dienaars en hem aan de deur te zetten. Wat die doet, druist in tegen alle rechtvaardigheidsgevoel, om nog maar te zwijgen van barmhartigheid.

Wat is nu de boodschap van die parabels? Is God een roekeloze herder? Een huismoeder die haar tijd verliest? Een vader die zijn zoons ongelijk behandelt? Een bruidegom die de deur dichtslaat voor zijn bruidsmeisjes? Een meester die een arme alles afneemt en uitdeelt aan de rijken?

Als de parabels ons iets kunnen vertellen over God, is het dat God niet is zoals de mensen, niet oordeelt zoals mensen en niet te begrijpen is zoals mensen mekaar (menen te) begrijpen.

Wanneer een mens het zou opgeven om een ander te redden, juist dan zet God door. Wanneer een mens alles op alles zou zetten om iemand bij zich te houden, juist dan zegt God: vertrek maar. Wanneer een mens radikaal zou willen veroordelen, juist dan toont God barmhartigheid. Wanneer een mens zou zoeken naar een goedhartige oplossing, juist dan kent God geen genade en oordeelt streng en definitief.

Zo is God: onafgebroken verwikkeld in een strijd met ons -menselijk- geweten, met ons -oh zo verheven- gevoel voor goed en kwaad. En wat Hij ons wil voorhouden te doen, is niet gevat in eenvoudige gelijkenissen, maar is een onderdeel te worden van die strijd.

Tastbaar geloof

In de lezing van vorige zondag was er een vrouw die lijdt aan ongeneeslijke bloedvloeiingen. Zij bevindt zich in een menigte die om Jezus heen zwermt en wordt plotseling door Jezus’ kracht, en omwille van haar geloof, genezen, juist op het moment dat ze de zoom van zijn kleed aanraakt.

Sinds ik-weet-niet-hoe-lang heeft de katholieke kerk gebruik gemaakt van reliquieën als tastbare herinnering aan Gods genadegaven. Daar stellen we ons nu gemakkelijk boven, omdat een zoveelste splinter van het kruis van Jezus, zelfs al zou hij authentiek zijn, in wezen eigenlijk ook maar gewoon een stukje hout is. Als we zo’n stukje hout gaan vereren of er bijzondere krachten aan toekennen, dan zijn we toch bijgelovig?

Maar wat lezen we in het evangelie? Jezus was op weg naar het huis van Jairus. Hij was zich helemaal niet bewust van de aanwezigheid van die zieke vrouw en had ook niet de intentie haar te genezen. De vrouw richtte zich niet tot Jezus, ze probeerde zijn aandacht niet te trekken, er was hoegenaamd geen persoonlijk contact tussen Jezus en de zieke vrouw. Er was ook niemand anders die bij Jezus bemiddelde, zoals Jairus dat deed voor zijn zieke dochtertje. En toch! Toch werd de vrouw genezen. Hoe? Omwille van haar geloof, maar door het aanraken van de zoom van Jezus’ kleed, waardoor er “een kracht van Hem uitging”.  Zonder die aanraking, zou Jezus’ kracht niet in die vrouw gevloeid zijn, ondanks haar groot geloof…

Bestaat er voor de werkzaamheid van reliquieën een betere definitie dan deze?