Maand: juni 2014

Jezus blokt

Hoe kreeg Jezus zoveel kennis en wijsheid op zo’n jonge leeftijd? Kreeg Hij die van bij de geboorte ingegoten door de Heilige Geest? Is Hij vanuit zijn goddelijke natuur alwetend? Of moest Hij zoals elk mens kennis met mondjesmaat vergaren en verwerken?

Growing in wisdom, Simon Dewey

Growing in wisdom

Onlangs kreeg ik op Pinterest het schilderij “Growing in wisdom” onder ogen, van Simon Dewey. Het is artistiek zeker geen hoogvlieger en behoort eerder tot de melige Saint-Sulpicestijl. Het onderwerp daarentegen is bijzonder origineel. De jonge Jezus, waarschijnlijk rond de leeftijd waarop Hij met zijn ouders ook de tempel in Jeruzalem bezocht, zit te studeren in de Thora, aan de werkbank van zijn wereldlijke vader, sint Jozef, die Hem met een olielampje bijlicht. Ik kan me geen enkele andere afbeelding voor de geest halen die een soortgelijk tafereel weergeeft. De meeste afbeeldingen van Jezus’ jonge jaren tonen Jezus die Jozef helpt bij het schrijnwerken.

In de heilige Schrift staat heel weinig opgetekend over Jezus’ jeugd. Enkel Lucas beschrijft in twee verzen hoe Jezus’ jeugd verliep: “Hij ging met hen [Jozef en Maria] mee naar Nazaret, en schikte zich naar hen. Zijn moeder bewaarde alles in haar hart. Jezus werd een wijs en volwassen man, die steeds meer in de gunst kwam bij God en de mensen.”

We weten dat Jezus eigenlijk een heel gewone jeugd had, want dat getuigen de joden van Nazareth, die niet snappen hoe zo’n gewone jongen zich plots durft openbaren als ‘uit de hemel neergedaald’ (Joh 6:42: “‘Dit is toch Jezus, de zoon van Jozef?’ zeiden ze. ‘En zijn vader en moeder zijn hier toch bekend? Hoe kan Hij dan beweren: “Ik ben uit de hemel neergedaald””). We weten ook dat Jezus heel goed bekend was met de joodse schriftteksten, zelfs op jonge leeftijd, zoals blijkt wanner Hij zich als twaalfjarige in de tempel bij de schriftgeleerden ophoudt (Lc 2:47: “Allen die Hem hoorden, stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden.”) Dus is de vraag: hoe komt een gewone jongen aan zoveel kennis van de Schrift?

Groeien in wijsheid

Hoe vergaren wij  kennis? Door studie en aandacht voor wat er om ons heen gebeurt. En hoe laten wij ons geloof groeien? Door gebed en door overweging hoe de Bijbel en de Traditie spreken over het mysterie van het leven.

Waarom zou dat voor Jezus anders zijn? Ook Jezus was eens een kind, dat heeft leren spreken en lezen en schrijven… en bidden. Het schilderij toont hoe Jezus door studie opgroeit tot de dertigjarige die we kennen uit de evangeliën: Jezus studeert, tot in de nacht, en zijn (wereldlijke) vader staat Hem daarin bij. Gewone tieners hebben nog een schop onder hun broek nodig eer ze achter hun boeken kruipen, maar daarvoor zorgt Jezus’ hemelse Vader; Hij wordt immers volledig gedreven door de Geest.

Jezus is zich ongetwijfeld bewust van zijn bijzondere relatie met God, maar dat wil nog niet zeggen dat Hij geestelijk als mens het volledige bewustzijn van God deelt. Voor zover Hij al deelgenoot is van Gods bewustzijn, moet Hij dat bewustzijn zelf voeden door studie en gebed.  De Heilige Geest bevestigt bij Jezus’ doop slechts wat zich eigenlijk al voltrokken heeft: de zoon van God heeft zich met wijsheid gevoed en verkrijgt de autoriteit om Gods wil te verkondigen (“Luister naar Hem!”).

Denken en leren op menselijke wijze

Paus Benedictus XVI

Paus Benedictus XVI raakt in de proloog van zijn Jezustrilogie ook heel even Jezus’ “groeien in wijsheid” aan, helemaal aan het einde van het boek: “Johannes zegt dat Jezus de enige is die rust aan het hart van de Vader en Hem heeft doen kennen (Joh. 1:18). Dat precies wordt duidelijk in het antwoord van de twaalfjarige: Hij is bij de Vader, Hij ziet de dingen en de mensen in Gods licht. Anderzijds is het ook waar dat zijn wijsheid toeneemt. Als mens leeft Hij niet in de abstracte alwetendheid, maar is Hij geworteld in een concrete  geschiedenis, in plaats en tijd, in menselijke levensfasen, en daaraan ontleent Hij wat Hij concreet weet. Hier blijkt duidelijk dat Hij op menselijke wijze heeft gedacht en geleerd.”

Kinderen van God

Waar ik nu toe wil komen is het volgende: als Jezus, die tenslotte Zoon van God is, zo hard moet studeren om zijn geloof vorm te geven, vanuit de joodse traditie waarin Hij geboren is, moeten wij dan niet minstens dezelfde ijver aan boord leggen om ons geloof te verdiepen vanuit de bronnen die ons gegeven zijn?

Of gaan wij ervan uit dat het voor ons, eenentwintigste-eeuwse stervelingen, gemakkelijker is om tot geestelijke volwassenheid te komen dan voor de Verlosser zelf, die de meest persoonlijke relatie met God heeft? Verwachten wij dat de geestelijke fundamenten van het geloof zomaar uit de hemel over ons zullen neerdalen? Dat de Heilige Geest alle kennis die noodzakelijk is voor de verdieping van ons geloof, in onze geest zal komen inplanten, zonder dat we daarvoor enige moeite moeten doen?

Schoolkinderen

Schoolkinderen leggen deze dagen hun laatste examens af. Leerlingen die niet menen te moeten studeren en verwachten dat een of andere deus ex machina hen wel zal helpen op het examen, komen er bekaaid vanaf. Dat vinden we maar normaal, want op school krijgen onze kinderen kennis en vaardigheden waar ze in het leven wat mee zijn. Maar waar krijgen onze kinderen kennis en vaardigheden waarmee ze in het eeuwige leven wat zijn?

mgr. Leonard

Op 28 april hield mgr. Leonard een toespraak voor aankomende godsdienstleerkrachten, waar hij zijn verwachting uitdrukt dat de gods­di­en­s­tles echt een les is, die de vergelijk­ing kan doorstaan met de andere vakken, wiskunde, biolo­gie, scheikunde, “een les die rijk is aan inhoud, die goed gestruc­tureerd is, met een nauwkeurige infor­matie en argu­men­tatie”. De aartsbisschop vervolgt dat het ‘kerygma’ (de verkondiging van het evangelie) ook in de les gods­di­enst het belan­grijkst is: als je over geloof wil spreken, is de persoon van Jezus — in woord en daad aan God gelijk en gestorven in godverlatenheid — niet te vervangen door abstract geformuleerde waarden van de menselijke rede.

De Heilige Geest

Let him ask of God, Jon McNaughton

Kennis alleen is niet zaligmakend. We hebben de Geest nodig, en mogen we op Hem vertrouwen, om ons te helpen doorzetten, om ons inzicht te geven in de betekenis van onze kennis, om ons het onderscheid te helpen zien tussen waarheid en leugen, om ons de moed te geven ook een eigen mening te vormen en ze te verdedigen. De Geest is onze helper in al die zaken, wanneer we tot Hem bidden, maar als we zelf geen enkele moeite doen om bronnen van geloof te openen, om kennis te vergaren en om dat allemaal een plaats te geven in ons geloofsleven, dan staat de Geest machteloos.

Laat ons het voorbeeld van Jezus volgen, en de bronnen van ons geloof bestuderen en bidden dat ze ons geloof vorm mogen geven.


De daad bij het woord voegend ga ik hier nog even reclame maken voor een lessenreeks aan het Antwerpse TPC over christelijke literatuur, dit jaar getiteld “Parels van de Franse spiritualiteit”. Ik mocht me ook onder de ‘studenten’ rekenen van de vorige reeks en dat was een aangename en leerrijke ervaring… en er worden geen examens afgenomen 🙂

Pinksterwonder in onze eigen kerk

Voor de eerste maal was de priester van de anglo-afrikaanse gemeenschap van dienst om de nederlandstalige mis op te dragen. Opmerkelijk dat dit net op Pinksteren gebeurt, want we verwachtten een taalprobleem. De Heilige Geest heeft hem nu niet meteen de gave gebracht perfect verstaanbaar Nederlands te spreken, maar wel het inzicht trouw te blijven aan het missaal, dus je moest je niet voortdurend afvragen wat hij allemaal aan het zeggen was. Voor wie echter niet vertrouwd zou zijn met het verloop van een behoorlijke mis, had het soms evengoed Latijn kunnen zijn…

Toch heb ik niet het gevoel gehad dat er iets ‘mis’ was met de mis. Een mis is dan ook niet louter het overbrengen van een talige boodschap. Ondanks taalverschilen blijft de essentie overeind: het gemeenschappelijk gebed en de taal- en cultuuroverstijgende tekenen van Jezus’ aanwezigheid in brood en wijn.

Een gewoon gebaar?, Samuele Marcantognini

Eergisteren was ik ook aan het lezen van het boek “Een gewoon gebaar?” van Samuele Marcantognini, een priester werkzaam in Nederland, die de achtergronden analyseert van de evolutie in de liturgie in Nederland sinds de jaren zestig. Hij parafraseert een kritiek van Kees Fens op liturgisch verbalisme:

“De rationalisatie van de ritus door het menselijk woord zou een ware plaag zijn die de actieve deelname van de gelovigen belemmert omdat hierdoor alles wordt verplaatst naar het rationele niveau van de deelnemer aan de ritus. Deze problematiek kennen we ook van vandaag; ook vandaag hebben het woord (het woord van God en het woord van de mens) de overhand en brengen de ritus uit zijn evenwicht, naar een rationeel niveau waar heel weinig ruimte overblijft voor de verbeelding.”

Toevallig (of niet, de Geest is altijd aan het werk) puliceert mgr. Pope op de datum van Pinksteren een artikeltje met zijn analyse over de evolutie van de liturgie. Hij ziet erin de dominantie van moderne en populaire cultuur over de cultuur van het geloof. Maar geen nood! Gelukkig is er de buitengewone ritus (of ‘tridentijnse mis’) waarin de liturgische schatten van eeuwen gevrijwaard worden van wilde bevliegingen en die sinds het Motu Proprio Summorum Pontificum opnieuw een rechtmatige plaats krijgt in het liturgische landschap.

Ook hij heeft het over het verbalisme:

“Yes, once one overcomes the notion that he or she must be hearing, seeing, and interacting with every aspect of the Mass, one is drawn to a more quiet contemplation of God and to the fact that many things are being done by God “for me” in a quiet and hidden way. So too in the Mass when the priest acts on my behalf, it is not required that I hear or understand every word. It is often enough that the priest ministers for me and that God both enables and receives this ministry. To pray quietly is thus an acceptable demeanor rather than to (only) relentlessly participate. Thus the usus antiquior emphasized a more contemplative dimension.”

Het bijwonen van onze pinkstermis was dus zelfs een zegen, want ze liet toe het verbalisme te ontsnappen dat de hedendaagse liturgie overheerst en de dat de verbeelding van het geloof onderdrukt. De mis is immers geen symbolische kant-en-klaarmaaltijd. De mis volg je met een soort van religieus zintuig dat Gods aanwezigheid betast op velerlei manieren en het woordelijk kunnen verstaan van de uitgesproken teksten is daarbij niet eens essentieel.

Als een priester elke keer met losbladige bundeltjes nieuwe, verrassende teksten aankomt, moet je je volledig op zijn woorden focussen, en dreig je geen tijd over te houden om ook aandacht te geven aan God. Dan kan je ook niet meer ‘deelnemen’ aan de liturgie, ook al zit je ijverig de nieuwste wisselgebeden mee op te zeggen.

Geef dan maar het missaal: diepzinnig genoeg als je je erover wil bezinnen, maar als je aandacht even wegglijdt naar het veel grotere mysterie dat woordenloos gebeurt, is daar alle ruimte toe. En die diepzinnige missaaltekst, die is niet verloren, want die krijg je volgende keer gewoon opnieuw voorgeschoteld! Het Nederlands zal ik dan misschien wel verstaan, maar het mysterie blijft…

Onvanzelfsprekend

Belangrijker dan de beschrijving van Jezus’ hemelvaart is in de lezing van het gelijknamige feest de opdracht die Hij geeft aan zijn leerlingen: “Ga, en maak alle volkeren tot leerling“. Door zelf van het toneel te verdwijnen, althans in zijn menselijke natuur, maakt Christus zichzelf ‘onvanzelfsprekend’. Heel letterlijk: Hij kan nu niet langer over zichzelf getuigen, het zijn vanaf nu zijn leerlingen die voor Hem moeten spreken. Wij zijn Jezus’ voorsprekers in de wereld, net zoals Maria onze voorspreekster is in de Hemel.

St. Willibrordus predikt langs de Schelde (Pieter Franciscus Dierckx, 1939, Heilig-Hartkerk, Antwerpen)

Onze kerk wordt gesierd door een levensgroot schilderij getiteld “Sint Willibrordus predikt langs de oever van de Schelde” (naar verluid oorspronkelijk bedoeld voor de naburige Sint-Willibrorduskerk, maar uiteindelijk om een praktische reden in onze kerk terechtgekomen). Als ik daarnaar kijk, probeer ik me voor te stellen hoe dat zou zijn, om niets te weten over Jezus en gekerstend te worden door zo’n predikende bisschop. Een al te romantisch beeld van een bisschop met mijter en tabberd, zittend in het gras en gretig toegehoord door sjofele scheldeoeverbewoners, is wellicht niet historisch te verantwoorden. “Het begint bij de basis” is een vrome leugen, want ook zo’n missiebisschop passeerde eerst langs Rome en — niet minder belangrijk — langs de wereldse overheden alvorens zijn kerk te stichten. Toch moet er ooit een moment zijn geweest waarop die man voor het eerst zo’n dorp bezocht en zijn prediking begon, of waarop hij voor het eerst de H. mis opdroeg. Niet vanzelfsprekend! Maar welk een unieke ervaring voor de ontvankelijke toehoorders!

Soms lijkt het alsof we nu in diezelfde lage landen dichter dan ooit bij de toestand van toen staan. Praktiserende gelovigen zijn een absolute minderheid. De kennis over het geloof bij het grootste deel van de bevolking is quasi nihil. Maar toch is de toestand niet te vergelijken, want kerktorens sieren nog steeds stad en land en iedereen vormt zich, helaas via de media, een beeld over onze roomse kerk. Een missie beginnen met een onbeschreven blad is geen optie — gelukkig of helaas? De ontvankelijkheid zal er in elk geval niet door stijgen.

Geloven, dat wil zeggen met de woorden van de paus, Jezus kennen door gebed, viering en navolging, is niet vanzelfsprekend. Gebed, viering en navolging vragen bewuste keuzes. Iedereen, ook een gelovige, woekert met zijn tijd in een wereld waarin zoveel afleiding bestaat. Er was een tijd dat de kerk heel duidelijke normen aangaf voor de maat waarmee een gelovige zijn tijd moest verdelen en moest afstaan (opofferen) aan godsdienst om zijn geloof body te geven: wekelijks naar de mis en dagelijks bidden ’s morgens, voor de maaltijden en ’s avonds. Als je van dat ritme afwijkt zonder gegronde reden, dreig je de zin van het gebed te verliezen en doe je afbreuk aan je relatie met God. Wie met Jezus wil spreken moet de gelegenheid maken het gesprek aan te gaan en daar niet op afdingen. Het lijkt misschien alsof het ooit vanzelfsprekend is geweest, maar dat was het nooit, anders zou de Kerk die regels niet hebben hoeven opstellen.