Maand: december 2014

Geloven Leren is verhuisd!

De website van Geloven Leren, de blog met “opinie en tools voor de katholieke gelovige”, ondergaat tijdens het kerstoctaaf enkele grondige veranderingen! Graag even uw aandacht, dan houden we het kort zodat u snel verder kan met de voorbereidingen van de feestelijkheden:

  • gelovenleren.net is het nieuwe adres waarop de blog bereikt kan worden. Het oude adres bij wordpress.com blijft vooralsnog actief, maar er zullen geen nieuwe berichten verschijnen. Alle oude artikels zijn ook op het nieuwe adres te vinden.
  • gebruikers van RSS moeten een nieuw adres instellen in hun nieuwslezer:
  • lezers die ingeschreven zijn op de blog via wordpress.com, kunnen nieuwe artikels ontvangen via RSS of via e-mail; zie gelovenleren.net voor de nodige links
  • lezers die ingeschreven zijn op de blog via de verzendlijst op mailchimp, hoeven niets te ondernemen om de blog te blijven volgen

Read More

Kinderen Gods

33. Zondag onder het octaaf van Kerstmis

De vrucht van Jezus’ menswording en verlossing is het kindschap Gods: „toen de volheid van de tijd was gekomen, zond God zijn Zoon, geboren uit de vrouw, geboren onder de Wet, om hen die onder de Wet stonden vrij te kopen, opdat wij allen het kindschap zouden ontvangen” ( Gal.4, 4. 5 ; epistel).

Omdat de Zoon mens werd en een lijdend mens, „staande onder de Wet” , zijn wij bevrijd van de zonde, geen slaven meer, maar kinderen van de Vader in de hemel, die alleen „Vader” en alleen „goed” is ( Mt.23, 9 ; Mk.10, 18 ).

1. Zich kind van God te weten en te voelen is het ware geluk van een christenmens, de eigenlijke vreugde van het kerstfeest. Het mag niet voorkomen, dat de vijanden van het christendom ons kunnen verwijten: „Zij beweren verlost te zijn, kinderen van God, die de hemel geopend zien en vandaar hun Zaligmaker verwachten, maar zij gedragen zich niet als verlosten, zij zijn zonder vreugde en fierheid, zij hebben het uiterlijk van slaven, als alle anderen” . Is het niet waar, dat het goddelijk kindschap voor de meesten van ons theorie blijft, een onwerkelijke overtuiging zonder invloed op het leven? Betekent het woord van Sint Jan , dat wij bijna dagelijks vernemen, voor ons wel levende en hoogste realiteit: „Aan allen die Hem ontvingen gaf Hij de macht Gods kinderen te worden, aan allen die in zijn naam geloven” ( Joh.1, 12 )? Wij geloven dat wij door Gods genade bij het doopsel zijn kinderen zijn geworden. Maar dit geloof lééft niet, het straalt niet uit van zijn verborgen centrum in het diepst van onze ziel over ons denken en voelen en doen: het is niet volop wat Sint Jan bedoelt met „geloven in zijn naam” .

Een kind is bij zijn vader „thuis” , het is met zijn vader vertrouwd en „eigen” . Men zou bijna geneigd zijn te zeggen: het is niet zozeer een kwestie van liefde als wel van vertrouwen en zekerheid. Natuurlijk bemint een kind zijn vader, maar willicht wordt aan die liefde zelden rechtstreeks uiting gegeven. Het is mogelijk dat de vader gestreng is en zijn kind dikwijls moet bestraffen. Doch één ding blijft: het kind voelt zich thuis, het zal immer tot zijn vader terugkeren, het is zonder meer zeker van zijn bescherming en hulp, het vindt daar zijn natuurlijke sfeer, de vanzelfsprekende grond van zijn leven. Wanneer ons geloof in God volmaakt was, neen, wanneer wij maar een greintje echt geloof bezaten ( „als een mosterdzaadje” ), dan zou een onbeperkt vertrouwen de dominant zijn in onze verhouding tot God. Welk een diepe klank kregen dan voor ons Jezus’ woorden zoals deze (en vele andere): „Weest niet bezorgd… uw hemels Vader weet dat ge dit alles nodig hebt… Als gij, zondige mensen, aan uw kinderen goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal dan uw Vader die in de hemel is het goede geven aan wie het Hem vragen!” De mentaliteit van het goede kind tegenover zijn algoede Vader ontbreekt ons, omdat ons geloof te onwerkelijk is, en ook omdat onze opvattingen over God dikwijls beheerst worden door infantiele angstvoorstellingen.

2. Deze gesteltenis is in ons de vrucht van de Heilige Geest. „God heeft de Geest van zijn Zoon in onze harten gezonden, die roept: „ Abba , Vader!” ” (epistel). De Geest van Jezus is de Geest van het goddelijk kindschap. Diezelfde Geest leeft in ons en wil door zijn genade geheel bezit nemen van onze geest om ons het sterke, diepe en tedere bewustzijn bij te brengen, dat wij in Jezus kinderen zijn van God, opdat wij door die Geest bewogen en geleid vertrouwvol uitroepen: „Vader!” Door Hem weten wij in het diepst van ons hart dat God onze Vader is, nu en altijd en in alle nood. Er is niets wat in het leven noodzakelijker is dan dit levende geloof in God, dan deze durf om God in het midden te plaatsen van ons reële bestaan en van het wereldgebeuren. „Wat zijt gij bevreesd, gij kleingelovigen!” ( Mt.8, 26 ) „Alles is het uwe” ( 1 Kor.3, 21 ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De beminde leerling

31. Sint Jan Evangelist 27 December

De adelaar, dat is Johannes , verkondiger der hoogste waarheden, met gestage blik schouwend het innerlijke en eeuwige Licht ( Augustinus ). Hij is de tweede heilige bij de kribbe. Na de jeugdige martelaar de grijze en wijze leraar der liefde, na de vurige getuige die blijde zijn bloed stort de apostel die, zat van dagen, zijn van de Geest vervulde woorden neerschrijft en als laatste leerling van Christus sterft na een lang leven in zijn dienst besteed. Boven dit leven zou men als motto zijn eigen woord kunnen plaatsen: „God is liefde en wie in de liefde blijft, blijft in God en God in hem” ( 1 Joh. 4, 16 ).

1. Johannes is de apostel der liefde. Eén aspect daarvan kan men ook zó en menselijker uitdrukken: hij is de leraar van de intimiteit met de goddelijke Meester, van de vertrouwelijke omgang die hij zelf als geen ander heeft genoten in de korte jaren van Jezus’ lichamelijke aanwezigheid en waaruit hij verder heeft geleefd in een verhouding, die inniger en sterker werd naarmate ze geestelijker was. Hij was de discipel van Jezus’ voorkeur, de „beminde leerling” , zoals hij zichzelf zo discreet en tegelijk zo fier aanduidt in zijn evangelie. Jezus heeft zich verwaardigd ook hierin aan ons, mensen, gelijk te zijn, dat, waar Hij allen beminde, Hij tegelijk die éne beminde met een liefde van voorkeur. Zijn blik zag in de jonge man die bijna oneindige mogelijkheid ten goede, die aanleg der godsliefde die wij, in haar volle bloei, mogen bewonderen in zijn geschriften. Hoe is die liefde Johannes ‘ geluk geweest! Als hij er in hoge ouderdom zo bescheiden, bijna tussen de regels door over schrijft, begrijpen wij enigermate wat ze voor hem heeft betekend. Onvergetelijk was zijn eerste ontmoeting met Jezus; hij heeft er zelfs het uur van onthouden. Met Petrus en zijn broer Jakobus was hij getuige van de twee grote wonderen en van Jezus’ doodsstrijd. Hij mocht bij het laatste Avondmaal rusten aan Jezus’ borst. Hij alleen van alle apostelen stond bij het kruis en ontving daar de grootste schat van de Meester: zijn Moeder. „En hij nam haar bij zich op” ( Joh. 10, 27 ). Het was geen wonder dat Johannes schreef: „Het Woord is vlees geworden en Het heeft onder ons gewoond en wij hebben zin glorie aanschouwd, een glorie als van de Eéngeborene des Vaders, vol van genade en waarheid” ( Joh. 1, 14 ). Dit geluk heeft zijn ziel vervuld met een levenslange verwondering over die ontzaglijke nederdaling Gods, over het Woord dat mens is geworden.

2. Deze intimiteit met de Meester moeten wij ons echter niet te menselijk voorstellen. Johannes heeft het woord bewaard: „Zalig zij die niet gezien en toch geloofd hebben” ( Joh. 20, 29 ). In de Mens, die hij ontmoette, zag zijn geloof het „Woord des levens” ( 1 Joh. 1, 1 ). Zijn evangelie toont ons hoe diep zijn geloof is doorgedrongen in de geheimen der verlossing, hoezeer hij „met gestage blik het innerlijke en eeuwige Licht heeft aanschouwd” , dat voor hem in Jezus was opgegaan. Door gebed en beschouwing heeft hij het zoete samenzijn met de Meester heel zijn leven voortgezet en verdiept. Het is juist hierin dat hij voor ons een voorbeeld is. Als wij in de volhardende innigheid der beschouwing durven leven, zullen wij die gelukkigen zijn „die niet gezien en toch geloofd hebben” .

Wij wagen het te zeggen, dat van alle heilige geschriften de evangeliën de voornaamste zijn, maar van de evangeliën zelf dat volgens Johannes , welks zin niemand kan vatten, die niet eveneens aan Jezus’ borst heeft gerust, en die niet van Jezus Maria heeft ontvangen, zodat zij ook voor hem een moeder is ( Origines ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Vol van Heilige Geest

30. Tweede Kerstdag Sint Stephanus, eerste martelaar

„De stenen die Stephanus troffen, waren hem zoet. Hem volgen alle heilige zielen” (antifoon van de lauden).

1. Het lijkt verwonderlijk dat Sint Stephanus , de eerste bloedgetuige, door de Kerk als eerste heilige bij de kribbe wordt geleid, en dat zij ons een wilde martelaarsscène voorhoudt onmiddellijk na het lieflijke tafereel van de kerstnacht. Bij enig nadenken vinden wij hier toch een diepe zin. De komst van de Zoon Gods in het vlees mag voor ons niet louter een vertederende idylle zijn, een pastorale met schalmeien en fakkels in de nacht. Over de kribbe valt reeds de schaduw van het kruis. Het Kind, dat wij aanbidden, is gekomen om te sterven voor onze zonden. „Bij zijn intrede in de wereld zegt hij: „Offers en gaven hebt Gij niet gewild, — maar een lichaam hebt Gij Mij bereid. Brand- en zoenoffers behaagden U niet. Toen zeide Ik: „Zie, Ik kom!” In de boekrol staat van Mij geschreven, uw wil te volbrengen, o God” ( Hebr. 10, 5-7 ) „Een lichaam hebt Gij Mij bereid” : het tere lichaam, het zachte vlees van het pasgeboren Kindje is bestemd voor het harde kruishout. Het lijdt nu reeds in de koude van de nacht en de ruwheid van de kribbe. Ook Stephanus heeft als een goede slaaf de Heer Jezus Christus zijn jong en sterk lichaam aangeboden dat boog en brak onder de last der stenen. Maar in het vuur van zijn Christus-liefde „werden die stenen hem zoet” en hij stierf zoals Jezus stierf met een bede om vergeving op de lippen: „Heer, reken hun deze zonde niet aan” . Hij gaat ons voor in edelmoedige liefde voor het Kind dat gekruisigd is. Wij moeten hem althans van verre volgen, indien wij ware christenen willen zijn. „Hem volgen alle heilige zielen.”

2. De bladzijden van de Handelingen der Apostelen die ons het beeld van Stephanus en het verhaal van zijn snelle wedren naar Christus hebben bewaard en waaraan het epistel is ontleend, trillen na van een heilige geestdrift, die ook de lezer van deze tijd nog in vlam vermag te zetten.

Stephanus was jong en vurig, een schitterende meteoor aan de hemel van het eerste christendom. Bij hem vergeleken lijken de apostelen van Jerusalem bedachtzame en bedaagde lieden. Hij ziet met verwonderlijke helderheid de weg der Kerk, de nieuwe schepping, de breuk met het oude, met de eigenwaan, met de Joodse, nationale trots. Die helderziendheid en zijn moed om onvervaard te getuigen van wat hij schouwde, brengen hem in een kort en hevig conflict met de leiders van zijn volk. Doch zonder aarzeling gaat hij zijn weg tot het einde dat de dood is, de zalige dood van de martelaar. Van zijn aanstelling tot diaken verhaalt Sint Lukas : „en men koos Stephanus , een man vol geloof en Heilige Geest” . Hiermee is alles verklaard. Dit keert in het verhaal telkens terug: „vol van Heilige Geest” . De natuurlijke geestdrift van zijn edelmoedige jeugd was slechts uitgangspunt, voedingsbodem van Gods genade. Vóór hij stierf, zag hij de hemelen geopend en de heerlijkheid des Heren. Reeds vóór zijn verscheiden heeft Hij de grenzen van leven en dood overschreden. Hij smaakte reeds de Wederkomst en de zalige voleinding. Ook in deze christelijke extase is hij het prototype der martelaren.

Ook wij ontvingen de Heilige Geest en zijn genade, — als een kapitaal dat renteloos blijft? als een schat die wij begraven in het diepst van ons hart? die zelfs daar, in de binnenkamers van het gemoed, niet vruchtbaar wordt in innig gebed en ingetogenheid? Of als een kracht om te smeken met de onuitsprekelijke verzuchtingen des Geestes en te getuigen met de moed der belijders?

„Wees getrouw tot de dood en Ik zal u de kroon des levens geven” ( Openb. 2, 10 ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)