Maand: januari 2015

Jouw alledaagse voorleesbijbel

Voorleesbijbel

Alledaags Geloven, het dashboard voor dagelijks gebed, studie of bezinning, heeft een nieuwe kaart: de voorleesbijbel. De website voorleesbijbel.nl bevat de volledige bijbel, voorgelezen door gewone Nederlanders. De kaart op Alledaags Geloven voert je van begin tot einde door de ganse bijbel. Ook op deze kaart is de Heilige Geest beschikbaar, die je naar een willekeurige bijbelpassage voert.

Read More

Uit God geboren II

68. Zaterdag na de Derde Zondag na Driekoningen

Welk een geluk wordt ons in Christus geschonken! Niemand kan dat beschrijven als Sint Jan . Zoals gewoonlijk ziet hij het christelijk leven in zijn volheid, in zijn weelderige bloei, zoals het volgens Gods bedoeling normaal zou moeten zijn, maar wat in feite, helaas, veeleer een uitzondering is, ook onder hen die zich noemen naar zijn naam. Zo heeft de evangelist ook hier niet de naakte „staat van genade” op het oog, maar een vol, bewust en zich in geest en daden uitlevend kindschap Gods. Luister slechts naar de wonderlijke woorden in zijn eerste brief: „Wie uit God geboren is, bedrijft geen zonde, want zijn zaad is in hem; hij kán zelfs niet zondigen, omdat hij uit God is geboren” ( 1 Joh. 3, 9 ). Wij voelen aanstonds aan, dat deze woorden slechts van toepassing zijn op diegenen die volop kinderen Gods zijn geworden, op hen die wij volmaakten of heiligen moeten noemen. Dat zijn zij „die van genade vervuld, slechts leven in de Heilige Geest, zij die, levende dankzegging geworden, het goddelijke leven bezitten niet enkel als een min of meer latente toestand, maar als voortdurende daad en in voortdurende bewustheid, niet alleen meer in het diepst van hun wezen, maar in al hun vezels” ( Marie Antoinette de Geuser ). Deze zielen hebben door versterving en kruis hun vlees en zijn begeerlijkheden onderworpen; zij hebben het natuurlijke leven dat zij verwierven door de geboorte „uit bloed en uit de wil van vlees en man” ( Joh. 1, 13 ) besnoeid, zodat het de geschikte en gereinigde akker werd voor het „goddelijk zaad” . Door het zuivere gebed en de innerlijke overgave van hun wil aan God staan zij in een blijvend en voedzaam contact met de bron waaruit hun leven welt. Want anders dan bij het natuurlijke leven, dat door de geboorte van zijn oorsprong wordt los gemaakt en er naar streeft daarvan volkomen onafhankelijk te worden, zal het eeuwige leven in ons sterker worden, naarmate het inniger ingaat en teruggaat tot zijn goddelijke oorsprong, naarmate het onderdompelt in zijn eeuwige en enige bron en terugebt in de zee waaruit het vloeide. „God is een vloeiende en ebbende zee, die zonder ophouden vloeit in al zijne geliefden, naar ieders behoeven en waardigheid; en al degenen die aldus begiftigd zijn in hemel en op aarde, doet Hij wederom terugebben met al wat zij bezitten en vermogen” ( Ruusbroec ). De aldus in God gevestigde en uit God herboren ziel zal naar buiten werken door veel daden van een rijk en edelmoedig deugdenleven; zij zal, God verheerlijkend in haar binnenste, Hem verheerlijkt willen zien in en door de zielen en zich geheel wijden aan het apostolaat waartoe Hij haar roept naar haar krachten en omstandigheden.

Moeten wij dit ideaal ontmoedigd ter zijde schuiven als was het voor ons niet bestemd? Moeten wij zeggen dat het onwerkelijk en onbereikbaar is? Zal een valse nederigheid ons influisteren dat het hoogmoed is zulk een volmaaktheid na te streven? Voorzeker, deze heiligheid ligt ver boven onze natuurlijke krachten, maar God roept allen die door de genade herboren zijn met een „hemelse roeping” . Wij allen die gedoopt zijn en leven in staat van genade, bezitten de Heilige Geest en zijn onuitsprekelijke gaven. Het is „Gods wil dat gij heilig wordt” ( 1 Thess. 4, 3 ). Het is Gods wil dat zijn heerlijke gaven aan ons niet renteloos blijven, maar rijke vrucht dragen, de „vrucht des Geestes: liefde, blijdschap, vrede…” ( Gal. 5, 22 ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Uit God geboren I

67. Vrijdag na de Derde Zondag na Driekoningen

Wij lezen in het laatste evangelie der mis: „De zijnen ontvingen Hem niet. Maar aan allen die Hem ontvingen gaf Hij de macht kinderen Gods te worden, aan allen, die in zijn naam geloven, die niet uit bloed noch uit de wil van vlees of man, maar die uit God geboren zijn” ( Joh. 1, 11-13 ). Wellicht is iemand geneigd het jammer te vinden dat wij deze sublieme woorden bijna elke dag horen. Zo zou hun betekenis voor ons bewustzijn kunnen vervagen, hun werking en kracht verminderen. God verhoede dit. Mogen integendeel deze woorden die al de eenvoud, de kracht en de diepte van Johannes ‘ ziel uitdrukken, zich immer vaster prenten in onze geest.

1. „De zijnen ontvingen Hem niet.” Het uitverkoren volk had zijn messias, zijn heil, verworpen. Johannes was daarvan de eerste verbijsterde getuige geweest. „De wereld erkende hem niet” . Ook de grote heidenwereld van Johannes ‘ tijd sloot zich af voor haar heil. Zeker, velen aanvaardden dankbaar de openbaring Gods in Jezus, maar het bleven toch uitzonderingen. Deze tragische situatie, weergegeven met Johannes ‘ woorden: „Het Licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam Het niet aan” ( Joh. 1, 5 ), is niet beperkt gebleven tot de tijd van het eerste christendom. Men zou geneigd zijn te zeggen dat deze woorden als in een eeuwig geldende formule de vaste verhouding uitdrukken die er bestaat tussen wereld en christendom. En mogen er gelukkiger tijden zijn geweest waarin het althans scheen of de meesten Christus aanvaardden, de gelovige ziet zich heden meer dan ooit voor het ontstellende en raadselachtige feit geplaatst dat de wereld als geheel Christus verwerpt, dat zij die niet minder dan vroeger „duisternis” moet heten, het Licht van zich afstoot dat zij behoeft. En thans verwerpt zij Christus nadat zij Hem gekend heeft. Het heidendom waarin deze wereld terugvalt, is daarom erger dan het eerste. Wij mogen onze ogen niet sluiten voor deze harde werkelijkheid. Velen van ons, geboren en getogen in een katholiek gezin en levend in een beschut katholiek milieu, realiseren zich te weinig, dat „de wereld Hem niet erkent” . En mag ons (ons vooral, priesters, en toekomstige priesters, kloosterlingen) deze werkelijkheid onverschillig laten? Mogen wij ons opsluiten in onze kleine kring en tevreden zijn met de redding van onze eigen ziel alleen? Gaat het hier niet over de grote belangen van Jezus’Hart en om het heil van de mensen? Wanneer wij onszelf niet zoeken, maar „de dingen van Jezus Christus” , dan zal de gedachte aan het kleine getal der werkelijk in Hem gelovenden ons geen rust laten. Sint Franciscus van Assisië kon reeds troosteloos klagen: Amor non amatur : de Liefde wordt niet bemind” . En lijkt ons zijn tijd niet heilig bij de onze?

2. „Maar aan allen die Hem ontvingen, aan die allen (al zijn het er betrekkelijk weinigen, — maar overal, onder alle volken en in alle tijden, vindt Hij — God zij geloofd! — zijn ware vrienden) gaf Hij de macht kinderen Gods te worden.” De wereld weet niet welk een heerlijkheid zij versmaadt en vele gelovigen beseffen niet wat zij bezitten en zijn daarom half verdorde takken aan de levende Wijnstok die Christus is. „De macht om kinderen Gods te worden” wordt als van ouds versmaad voor een bord linzensoep. Het goddelijk kindschap wordt weggeworpen voor de boze eigen wil die, in zichzelf opgesloten, het begin van de hel is. Wij behoeven er ons niet over te verwonderen dat de heiligen als zinneloos werden van smart over zulk een verblindheid, dat zij hun leven en alles konden offeren om één ziel te redden en tegelijkertijd met Jezus begaan waren om het lot van de velen.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

In God alleen is onze kracht

66. Donderdag na de Derde Zondag na Driekoningen

„Almachtige, eeuwige God, zie goedgunstig neer op onze zwakheid” (oratie)

„Zonder Mij kunt gij niets,” hebt Gij gezegd, o Heer, en uw grote heilige Augustinus vermaant ons dit goed te begrijpen: „Jezus zegt niet: „Zonder Mij kunt ge weinig” , maar: „Zonder Mij kunt ge niets” . Het is inderdaad een wezenlijk verschil, Heer. Wie weinig vermag, kan altijd hopen tot het meerdere te komen en misschien tot het vele. Wie niets kan, wel, hoe eenvoudig is dat! Hij zal uit zichzelf nooit iets vermogen. Geef ons uw licht en uw genade om deze waarheid te overwegen.

1. Daar is vooreerst het volstrekte en radicale onvermogen van onze natuur en alle zuiver menselijke krachten ten overstaan van het bovennatuurlijke heil waartoe God ons in Christus heeft geroepen. Deze „zwakheid” geldt zonder meer voor allen, ook voor de zogenaamd sterke naturen en de grote wilsmensen. Hier klinken Jezus’ woorden „Zonder Mij kunt gij niets” zonder enige beperking. Het is waar dat Gods genade in Christus „rijk is voor allen” en aan allen wordt aangeboden. Wie gedoopt zijn en werkelijk in Christus geloven, ontvangen „leven en leven in overvloed” . Maar het is heilzaam en noodzakelijk zich er diep van bewust te blijven dat dit bovennatuurlijke leven en deze krachten des Geestes ontvangen zijn, niet aangeboren noch verworven in de strikte zin van het woord. Hoe waar dit is en hoe weinig wij eigenmachtig kunnen beschikken over wat Gods gave is, weten zij die ondanks alle goede wil soms jarenlang zijn gedompeld in een woestijn van dorheid, in een (schijnbare) onmacht om te bidden. En wij allen ondervinden ooit in ons leven welk een grondeloze mogelijkheid toto zonde er schuilt in onze ziel, en ons zou overmeesteren zo Gods hand ons niet vasthield. Deze ervaringskennis van het eigen onvermogen, hoe smartelijk ook, zal met Gods genade de ziel vestigen in een diepe nederigheid. En dit fundament van ons geestelijk gebouw is met geen prijs te duur betaald.

2. Bovendien hebben wij allen Gods „genezende” genade nodig wegens de verduistering van het verstand en de verzwakking van de wil door de erfzonde, die blijven nawerken, ook nadat de mens door de genade tot de bovennatuurlijke orde is verheven. Ook aan deze zwakheid lijden allen zonder uitzondering, al is ze niet in allen in dezelfde mate en op dezelfde wijze aanwezig. Want al schijnt het ene temperament meer geschikt dan het andere om de heiligheid na te streven, wij mogen niet vergeten dat allen op een of andere wijze door de erfzonde zijn gewond. Gods genade eist niet zozeer een sterke, als wel een deemoedige en eerlijke wil, en het beetje meer energie dat de ene mens boven de andere schijnt te bezitten, staat in geen enkele verhouding tot Gods almacht, die zich bij voorkeur bedient van het kleine en zwakke. „De kracht komt eerst in zwakheid tot haar recht” ( 2 Kor. 12, 9 ), „De machtigen haalt hij neer van de troon, maar Hij verheft de geringen” ( Magnificat ).

3. En van al onze krachten en vermogens, wat ze dan ook mogen zijn, geldt Sint Paulus ‘ woord: „Wat hebt gij dat ge niet hebt gekregen?” ( 1 Kor. 4, 7 ). Elke mens is naar heel zijn wezen, doen en kunnen een schepsel, door God geschapen en voortdurend door God in stand gehouden. Gods werken is altijd door het enige wat ons scheidt van het volstrekte niets. Hoe waar is het dat God alleen alle glorie toekomt en hoe goed is het met de Kerk te bidden: „Almachtige, Eeuwige (Gij alleen), zie goedgunstig neer op onze zwakheid” . Niet is onverdraaglijker voor God en de mensen dan geestelijke hoogmoed, de zonde der farizeeën. „Jezus sprak tot hen: „Voorwaar, Ik zeg u, de tollenaars en zondaressen zullen eerder in het Rijk Gods binnengaan dan gij” ( Mt. 21, 31 ).

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Het verlangen naar de hemel

65. Woensdag na de Derde Zondag na Driekoningen

„Goede moed houden wij, ook al zouden wij er de voorkeur aan geven uit het lichaam te verhuizen en in te wonen bij de Heer” ( 2 Kor. 5, 8 ). Ook dit is wellicht een woord dat wij te gemakkelijk uit vrome lectuur in de mond nemen: „Hoe lieflijk zijn uw woontenten, o Heer, hoe smacht mijn ziel naar de eeuwige aanschouwing Gods!” Is het werkelijk waar dat wij smachten naar de hemel en de aarde moe zijn? Laat de vervulling van onze persoonlijke wensen, laten eer en versmading, rijkdom en armoede ons koud? Zijn wij alleen gevoelig geworden voor Jezus en zijn belangen? Leeft in ons het sterke en bijtijden bijna ondragelijke verlangen om „bij de Heer in te wonen” ?

1. Men treft niet zelden vrome mensen aan, die nooit hebben geleerd de aarde en het leven, door God geschapen, lief te hebben. „God zag, dat alles goed was” , en de mens, de kroon der schepping, noemde Hij zelfs zeer goed. Wij mogen nooit vergeten, dat deze innerlijke goedheid der schepping door de zondeval wel werd gekwetst, maar niet vernietigd. Doch sommigen zouden, door een al dan niet bewuste angst gedreven, uit de wereld willen vluchten. De eerste taak van de mens is geestelijk volwassen te worden en het leven en zichzelf te aanvaarden. De normale weg des mensen is er een, die opstijgt van het schepsel naar God. Eerst hij, die de mensen liefheeft, kan God liefhebben ( 1 Joh. 4, 20 ). En alleen degene, die de aarde met al wat zij bevat als een schone godsgave heeft aanvaard, kan haar op de juiste wijze aan God ten offer brengen, indien en voor zover Hij zulks vraagt. Of eren wij God door Hem geschenken aan te bieden, die wijzelf als minderwaardig beschouwen?

2. Den eerst kan er sprake zijn van ene waarachtig verlangen naar de hemel, een begeerte die positieve volheid is, een brandende dorst die geen levensmoeheid insluit, een overstromend leven van Gods Geest in de ziel die haakt naar de voltooiing in de eeuwige aanschouwing. Dit is het verlangen van Sint Paulus : „Leven is voor mij Christus en sterven dus een gewin, maar wanneer ik in het vlees blijf leven, dan betekent dit voor mij vruchtbare arbeid. Ik weet dus niet wat ik kiezen moet. Ik word naar twee kanten getrokken. Ik smacht er naar ontbonden te worden en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste” ( Phil. 1, 21-23 ). Het is het verlangen van Sint Theresia : „of lijden of sterven” . Het is het volmaakte hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Het wordt ingegeven door een sterke en gelouterde liefde — een liefde die bereid is te leven (en te lijden) zolang het God behaagt en in dat leven niets wil vinden dan: Christus en zijn glorie — maar die somtijds, over dit leven en zijn nog schone mogelijkheden heen, als het ware overslaat in een rechtstreekse vlam, in een luide kreet om Hemzelf . Niet langer wil zij het werk voor Hem, het denken aan Hem, niet langer de aardse spiegelbeelden en de sluier des geloofs, niet langer de tekenen der sacramenten en de stem van zijn Bruid, niet langer zijn gaven, maar Hemzelf van aanschijn tot aanschijn. Dan slaat de vlam weer neer (maar binnen blijft het gloeien) en de ziel zegt met Sint Martinus : „Als ik nog noodzakelijk ben, ik weiger de arbeid niet” , of met Sint Paulus : „maar beter voor u is, dat ik blijf leven in het vlees” ( Phil. 1, 24 ). Dit is het grote verlangen, een gave Gods en de vrucht van heiligheid.

Intussen willen wij trouw inwendig Hem aanhangen, opdat Hij in ons dit vuur ontsteken mag naar de mate van zijn welbehagen.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)