Maand: februari 2015

Minne

117. Quatertemperzaterdag in de vasten

In de tweede les van de mis van heden lezen wij: „Als gij al deze geboden die ik u bevolen heb te volbrengen, nauwgezet onderhoudt, als gij de Heer uw God bemint, al zijn wegen bewandelt en Hem aanhangt, zal de Heer al deze volkeren voor u verdrijven …” ( Deut.11, 22.23 ). Reeds in het Oude Verbond vroeg God de liefde en aanhankelijkheid van zijn uitverkorenen. De grote wet der liefde voor God boven alles kon door Jezus letterlijk worden ontleend aan ditzelfde boek Deuteronomium . Het is waar dat het vleselijk en hardnekkig volk der Joden nog nauwelijks kon doordringen in de geestelijke diepten van dit gebod en dat, zoals in de aangehaalde tekst, meestal slechts goederen van tijdelijke aard door God in het vooruitzicht werden gesteld. Niettemin blijft het feit bestaan dat de God der openbaring vanaf het begin niet enkel onderwerping eiste en gehoorzaamheid, doch ook liefde vroeg. De ogen der mensen konden echter pas geopend worden voor de volheid van dit gebod, nadat de goddelijke liefde zelf in Jezus was geopenbaard en gekruisigd. Sindsdien is het een gemeenplaats geworden te spreken van de liefde als de wet van het Nieuwe Verbond . Wij doen dat wellicht al te lichtvaardig, zonder ons er voldoende rekenschap van te geven over welk begin en einde der werkelijkheid het hier gaat, zonder „met alle heiligen te beseffen welke de breedte en de lengte en de hoogte en de diepte is en de alle kennis overtreffende liefde van Christus te kennen om zo van alle volheid Gods vervuld te worden” ( Eph.3, 18.19 ). De goddelijke liefde is een mysterie. Wie zich op de weg der liefde begeeft, bevindt zich op een weg zonder einde. Daar is geen grens waar het goddelijke wezen geen begrenzing kent. De wet van deze liefde werd door Hadewijch op onnavolgbare wijze geformuleerd: „God si u God ende ghi Hem minne” . God zij voor de ziel niets dan God, dat is de Eerste en Enige, de Afgrond van alle goeds en alle leven, de Aanbiddelijke en Allerhoogste. En de ziel zij voor Hem niets dan „minne” , liefde, louter liefde, louter antwoord, niets dan verlangen en volkomen overgave.

God is de Oneindige en Onuitsprekelijke. Het is daarom dat men geen hogere eis kan stellen dan deze: God zij u God. Men kan van de diepste betrekking die de ziel kent eigenlijk niets méér zeggen. In dit woord is alles vervat voorzover het mogelijk is in mensentaal dit onzegbare uit te spreken. Wat Hadewijch formuleerde is hetzelfde als wat vóór haar talloze malen reeds de psalmisten en profeten van het Oude Testament neerschreven. Deus meus es tu , Gij zijt mijn God” .

In het gebed wordt deze liefdesverhouding beleefd, door de vervulling der geboden wordt zij gerealiseerd in de orde van de menselijke werkelijkheid. „Als gij Mij liefhebt, onderhoudt dan mijn geboden” ( Joh.14, 15 ). Beide zijn noodzakelijk. Zelfverloochening en naastenliefde zijn voedsel, bewijs en verwezenlijking van de minne. Zonder de beschouwing verflauwt de innerlijke aandrang, de naar God uitstromende beweging des harten die alleen ons brengen kan tot de volkomen vervulling van zijn wil.

In het inwendige gebed wordt de brand der minne ontstoken en aangewakkerd tot een onuitblusbaar vuur. Wij mogen deze liefde niet verwarren met gevoelsvroomheid. Gevoel is een reactieverschijnsel en erg afhankelijk van lichamelijke en psychische factoren. Het eigenlijke waarom het in beschouwing en minne gaat, ligt dieper, in de houding van de mens, die standvastig tracht God aan te zien met zuiver geloof en aan te hangen met een liefde welke niets anders is dan een eenvoudige en algehele beweging der ziel naar Hem. Daar ons gevoelsleven gewoonweg niet in staat is deze altijd eendere beweging der liefde mee te maken, blijkt hieruit alleen reeds de onontkoombare noodzaak van het lijden voor wie waarachtig trouw God in het gebed wil aanhangen. Maar de oneindig diepere grond voor oneindig feller smart ligt in de onbereikbaarheid Gods zolang de mens leeft in het vlees:

„hoe mach hem gruwelen en rouwen in ’t leven

die syn al hevet op al gegeven

ende in donckere dale wert verre gedreven”
.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De Zon des heils

116. Quatertempervrijdag in de vasten

O Jezus, Zon des heils, beschijn

ons harten diepste grond,

nu wijkt de nacht en liever dag

opnieuw geboren wordt.

Gij die de heilstijd schenkt, geef ook

met tranenstroom het hart

Die bron waaraan de zonde ontsprong

schenkt nooit te stuiten stroom,

zo Gij de starre kost van ’t hart

met boetes staf doorbreekt.

De dag licht aan, úw dag, waarop

het al in bloei zal staan.

Verblijd ook ons, door uwe hand

geleid in ’t rechte spoor.

Gebogen aanbidde U ’s werelds rijk,

o milde Triniteit

en wij, door gratie blij vernieuwd

beginnen ’t nieuwe lied.

1. Voor hen die geen Latijn verstaan wordt hier een proeve geboden van een vertaling van het schoneO Sol salutis, de hymne der lauden in de vastentijd. De lauden zijn het uur van de dageraad. De eerste en de vierde strofe zinspelen daarop, zoals dat in de hymnen van de lauden gewoonlijk geschiedt. Wij treffen hier een mooi staal van die religieuze natuurbeschouwing die ons door de liturgie menigmaal wordt geboden: een parallellismevan hemel en aarde, een verheerlijking van de schepping die een beeld is van de orde der genade. Christus, de goddelijke Logos , is de Heer van het heelal en de Kerk vindt de sporen van haar Bruidegom ook in deze aeon die wel om de zonde zucht in barensnood, maar de kiemen der glorie reeds in zich draagt om de verrezen Heiland. De dageraad is het uur van de wederkeer van het licht, de geboorte van de dag die „alle dingen hun kleur hergeeft” (lauden van de Woensdag). Er is geen schoner symbool denkbaar voor Christus, de „Zon des heils” , de „Dageraad uit den hoge” ( Lk.1, 78 ), in wiens menswording en gezegend lijden voor de in duisternis gezeten mensheid het heil is begonnen.

2. De Kerk bidt in deze weken dat de Zon des heils onze harten moge beschijnen en dat Jezus door zijn genade een ommekeer in ons teweeg mag brengen. Want wij moeten beseffen dat het nu de „goede tijd” is, tempus acceptabile , waarin wij ons door boete willen voorbereiden op de hoogfeesten van onze verlossing. Ons hart is de bron waaraan onze zonden ontsprongen; nu moet daar een heilzame tranenstroom opwellen. Bekering tot God blijft altijd noodzakelijk. Want elke keer dat wij ons in zelfzucht hebben gehecht aan tijdelijke dingen buiten de door God gestelde orde, moeten wij, om zuiver voor Hem te staan, ons losmaken van dit aardse en ons wenden tot Hem. Bekering is altijd zaak van ’s harten „diepste grond” , niet van de periferie. Wij moeten God ons hart laten raken zoals Mozes met zijn staf de dorre rots doorbrak. Wanneer het door boete is gezuiverd, kan het vuur der liefde het verteren. In het lijden der onthechting kunnen wij het God aanbieden als „liefdes offerand” .

3. De laatste strofe bevat in de eerste twee regels een kosmisch visioen van godsaanbidding dat slechts in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde volkomen werkelijk zal worden. Maar het paasfeest der verlossing waarnaar wij vol heimwee uitzien zal ons toch een geestelijke vernieuwing brengen die door de bloei der lente wordt gesymboliseerd en die zelf beeld en pand is van de hemelse wedergeboorte. Deze nieuwheid van genade ontvonkt in ons een andere en betere liefde, een zuiverder minne dan die welke ons thans bezielt. En aan deze liefde beantwoordt het „nieuwe lied” dat zal uitbreken in de paasjubel der Kerk en God loven in de gemeenschap der heiligen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Verspilde kansen

115. Donderdag na de Eerste Zondag van de vasten

„Broeders, wij sporen u aan dat gij de genade Gods niet vergeefs ontvangt: ‘ „Op de gunstige tijd heb Ik u verhoord en op de dag des heils u hulp geschonken” ’. Zie, nú is het de gunstige tijd, nú is het de dag des heils” ( 2 Kor.6, 1.2 ).

Deze woorden zijn een leidende gedachte van de Zondag: zij vormen het kapittel. Tevens geven ze stemming en gesteltenis aan voor heel de vasten. Mogen wij de dringende oproep van de apostel, door de Kerk tot de hare gemaakt, verstaan!

1. „Nu is het de gunstige tijd, nu is het de dag des heils.” Dit „nu” is deze vastentijd die God ons in zijn goedheid wederom laat beleven en waarin Hij ons bijzondere genaden aanbiedt, nu wij ons door boete en gebed voorbereiden op de hoogfeesten van onze verlossing, van ’s Heren lijden en verheerlijking. „Want ofschoon er geen tijd is die niet is vervuld van Gods gaven en wij dank zijn genade altijd toegang hebben tot zijn barmhartigheid, zo moet toch thans aller geest zich met grote ijver op geestelijke vooruitgang toeleggen, nu de dag waarop wij verlost zijn, het alles overtreffend geheim van ’s Heren Lijden, terugkeert” ( H.Leo in de vierde les van de Zondag).

2. Dit „nu” der genade is tevens de hele tijd van ons aardse leven. Hoe spoedig „komt de nacht waarin niemand werken kan” ( Joh.9, 4 ). Gods genade is oneindig mild, maar de „dag des heils” is noodzakelijk gebonden aan het wankele bestaan en het zwakke lichaam van de mens. Het christelijke begrip van de tijd! Ons christelijke leven, ingebed in de stroom van de aardse tijd, duurt kort, het gaat snel en onherroepelijk voorbij, het bestaat slechts uit een serie vluchtige, nauwelijks bewuste ogenblikken, die voorbijvliegen en eenmaal verleden geworden geheel aan onze greep zijn ontsnapt, — maar tegelijkertijd is dit broos bestaat zwaar van eeuwigheidswaarde, komt in die ondeelbare punten van het immer vlietende heden tot ons de goddelijke kans der genade. Hier liggen de wortels van een eeuwig lot.

3. „Wij sporen u aan dat gij de genade Gods niet vergeefs ontvangt.” Met grote zorg en toewijding willen wij de tijd ons gegund, dat „nu” , dat vluchtige ogenblik, dat aan ons onachtzame handen ontglipt, „uitbuiten” (ook dit woord is van de apostel, Eph.5, 16 ). De gedachte aan het onherroepelijk voorbijgaan van de tijd, aan het voor immer verloren zijn van zoveel kansen en gelegenheden tot deugd en liefde moest ons met ontzetting slaan. Geef ons, Heer, de tijd die uw goedheid ons gunt, te leven „in ongeveinsde liefde” . Geef ons, Heer deze tijd van de lijdende liefde (die de eeuwigheid niet kent), van de voor U zwoegende en lijdende liefde uit te buiten. Dat wij uw stem mogen verstaan, als uw genade klopt aan onze deur. Laat onze liefde waakzaam zijn en U herkennen in iedere mens, die wij op onze weg ontmoeten. „Weest op uw hoede en waakt, want gij weet niet wanneer de tijd daar is” ( Mk.13, 33 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Verwantschap met Jezus

114. Quatertemperwoensdag in de vasten

„Terwijl Hij nog sprak tot de menigte, stonden daar zijn moeder en zijn broeders buiten en wilden Hem spreken. Iemand zei Hem: „Zie, uw moeder en uw broeders staan buiten en zoeken U.” Maar Hij antwoordde: „Wie zijn dat, mijn moeder en mijn broeders?” En op zijn leerlingen wijzend zei Hij: „Ziedaar mijn moeder en mijn broeders. Want alwie de wil doet van mijn Vader die in de hemel is: hij is mijn broeder en zuster en moeder” ( Mt.12, 46-50 ; evangelie).

1. Vooral het evangelie van Sint Markus maakt ons op de parallelplaats duidelijk waarom Jezus’ familie hem „wilde spreken” . Het was een dag (zoals zovele) waarop de Heer, gedreven door de honger en de dorst naar het rijk Gods, zich zonder enig voorbehoud gaf aan de verkondiging van het woord. De wil des Vaders te volbrengen was zijn voedsel. De hele dag door predikte Hij en wijdde Hij zich aan de menigte. Vanuit het huis van Petrus sprak Hij tot hen en de mensen omringden Hem „zodat Hij zelfs geen tijd had om te eten” . En zij zeiden: „Hij is buiten zichzelf” . Het gerucht hiervan was tot de zijnen doorgedrongen en zij trokken er op uit om Hem mee te nemen en tot „bezinning” te brengen ( Mk.3, 20.21 ). Toen zij op de plaats waren aangekomen waar Jezus predikte, konden zij Hem wegens de opdringende menigte niet bereiken en zij stuurden een boodschap om Hem weg te roepen. Het is dan dat Jezus als voor een ogenblik onderbrekend de schouwing Gods die zijn spreken begeleidde en als onwillig terug te keren tot de aarde en de wereld van het vlees en bloed, uitroept: „Wie zijn dat: mijn moeder en mijn broeders? Zie mijn leerlingen, zie hen die de wil des Vaders volbrengen gelijk Ik zelf. Zij zijn mijn broeder en zuster en moeder. Zij zijn Mij alles op aarde. Zij alleen zij Mij verwant.”

Deze episode onthult ons de diepste roerselen van Jezus’ Hart. Laat toch een weinig verlichte vroomheid de kracht van zijn woorden niet verzwakken! De eer van zijn Moeder wordt er niet door aangetast. Veeleer wordt ook haar hoogste waarde verheven, daar niemand als zij Jezus is gevolgd in de volmaakte en smartelijke omhelzing van de goddelijke wil.

2. De liefde voor god en zijn aanbiddelijk welbehagen is het enige wat een mens op de Heer doet gelijken. Een hart bewogen door het verlangen naar Gods rijk klopt op het rhythme van het zijne. Een mens die Gods eer stelt boven zijn eigen gemak en boven alle zelfzucht erkent Hij als Hem verwant. Dit is de enige beslissende maatstaf. Geen lichamelijke of zuiver natuurlijke eigenschappen bepalen het kindschap Gods. Zelfs niet scherpte van verstand, adel van karakter, fijnheid van gevoel, op zich beschouwd. Al deze dingen kunnen door de genade in dienst genomen en op dat hoger plan verheven te worden. Maar wat in Jezus’ oog (in Gods werkelijkheid) onze waarde uitmaakt is enkel de goede wil, in de volle zin van het woord. De eerlijke wil om die andere wil te volbrengen, te omhelzen en daarmee samen te smelten; de ontmoeting van de mens met God in het innerlijkst van de ziel, zich uitwerkend in heel het leven en alle daden. Daardoor worden wij Hem wezensverwant, daar de Zoon zelf niets is dan een eeuwig en volkomen opgaan en ingaan tot de Vader, een grenzenloze overgave zelfstandig bestaande in de Persoon van het Woord zózeer dat Jezus’ menselijke natuur daardoor geheel wordt gedragen.

„Die Hij te voren heeft gekend, heeft Hij ook voorbestemd om gelijkvormig te worden aan het beeld van zijn Zoon” ( Rom.8, 29 ). Moge de Vader het beeld van zijn Zoon in ons herkennen in het uur van sterven. De passie voor Gods wil is het zekerste teken van zijn eeuwige uitverkiezing.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De erbarming Gods

112. Maandag na de Eerste Zondag van de vasten

Reeds het Oude Testament kende het beeld van de Goede Herder. In het epistel van heden, ontleend aan de profeet Ezekiël ( 34, 11-16 ), spreekt God woorden van erbarming. Zijn uitverkoren volk is verlaten en verraden door de slechte „herders van Israël” , door zijn menselijke leiders. Nu zal de Heer zelf zijn kudde weiden. Met oneindige tederheid zal Hij zorg dragen voor zijn schapen. „Dan weid Ik ze op vette grond en op de bergen van Israëls hoogland zullen ze rusten; daar zullen ze zich neervlijen in het malse groen en grazen ze de vette weiden af op Israëls bergen. Ik zal mijn schapen zelf weiden, ze zelf laten legeren, zegt de Heer. Het vermiste dier zoek Ik op, het verdwaalde breng Ik terug; het gewonde zal Ik verbinden, het verzwakte sterken, het vette en gezonde dier blijven verzorgen. Ik zal ze weiden zoals het behoort.” En als de volheid der tijden en de vervulling der oude Schrifturen gekomen is, zegt Jezus, de Zaligmaker, van zichzelf: „Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef hun het eeuwige leven; ze gaan in eeuwigheid niet verloren en niemand rooft ze weg uit mijn hand” ( Joh. 10, 11. 14. 15. 28 ). Herinneren we ons ook dit andere woord van de Meester: „Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u verkwikken. Neemt mijn juk op en leert van Mij, omdat Ik zachtmoedig ben en nederig van harte; dan vindt gij rust voor uw zielen. Want mijn juk is zacht, mijn last is licht” ( Mt. 11, 28-30 ).

1. In elk mensenleven komen er ogenblikken (en zijn het soms niet jaren?) dat het moeilijk valt in deze tederheid Gods te geloven. Soms komt met de rijpheid der jaren de ontgoocheling waarin de verloren illusies van de jeugd niets nalaten dan „wijsheid” met een bittere nasmaak. Dan weer stemt de eeuwige mislukking van onze beste voornemens ons mismoedig, de inwendige schrijnende vernedering van altijd weer te stoten op onze oude zwakheden brengt een moedeloosheid in onze ziel met de bijsmaak van gekwetste hoogmoed. Anderen, wier leven en lust het gebed was en het najagen der zoete vereniging met de Heer, zien hun ziel gedompeld in een duisternis en een dorheid die maar niet wijken wil en een beproeving betekent van hun geloof en vertrouwen, schijnbaar boven hun krachten. Dat zij allen inkeren in zichzelf en tot God zich wenden, tot de verborgen bron van ons heil, tot de tedere erbarming Gods. „Zalig hij die zich aan Mij niet ergert” ( Mt. 11, 6 ). „Werpt uw vast vertrouwen niet weg dat een grote beloning in zich sluit. Wacht nog een kleine, kleine tijd: Hij die komt, zal komen en niet toeven. Mijn rechtvaardige zal leven door geloof; maar als hij terugdeinst, heeft mijn ziel geen behagen in hem” ( Hebr. 10, 35-38 ).

2. Een van de allerbeste wijzen onszelf te verzekeren van Gods barmhartigheid bestaat hierin dat wij zelf onze naasten barmhartigheid betonen. Hieraan herinnert ons het evangelie van heden. Denken wij er wel genoeg aan dat naar de naastenliefde, naar de werken van barmhartigheid voor de lijdenden, het grote oordeel zal plaats hebben? „Wat gij een van mijn minste broeders hebt gedaan, dat hebt gij Mij gedaan.” Laten wij eenvoudig en werkdadig dit grote beginsel der christelijke liefde beoefenen en wij zullen erbarming vinden bij de Heer. „Oordeelt niet en gij zult niet worden geoordeeld. Vonnist niet en gij zult niet worden gevonnist. Spreekt vrij en gij zult vrijgesproken worden. Geeft en u zal worden gegeven: een goede volgestampte, geschudde en overlopende maat zal u in de schoot worden gestort. Want met de maat waarmee gij meet, zal ook u worden gemeten” ( Lk. 6, 37. 38 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)