Maand: maart 2015

Het souvenir van zijn lijden

148. Dinsdag in de Goede Week

„Toen nam Hij brood, sprak het dankgebed uit, brak het, gaf het hun en sprak: „Dit is mijn lichaam, dat voor u wordt overgeleverd; doet dit tot mijn gedachtenis” ( Lk. 22, 19 ).

„Zo dikwijls gij dit brood eet en de kelk drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt” ( 1 Kor. 11, 26 ).

Nu wij in deze dagen met bijzondere aandacht en liefde het lijden des Heren overwegen, mogen wij niet vergeten, dat Jezus ons een herinnering aan zijn passie heeft nagelaten, een levende en waarachtige herinnering, die machtiger werkt dan alle welsprekende woorden en innige overdenking. Aan de vooravond van zijn dood stelde Jezus het sacrament des altaars in en Hij heeft het aan zijn apostelen toevertrouwd en ons als bij testament vermaakt, opdat wij Hem niet zouden vergeten , opdat we bovenal zijn heengaan van ons in liefde niet zouden vergeten. „Doet dit tot mijn gedachtenis.” Over het laatste avondmaal valt reeds de schaduw van de dood. Het is een laatste samenzijn in de intimiteit met enkele vertrouwden, die Hem nu nog niet werkelijk begrijpen, die Hem zelfs weldra verlaten zullen, maar die later, door zijn Geest gesterkt, Hem trouw zullen dienen. Het is een teder uur. Johannes rust aan zijn borst en de Meester spreekt zijn Hart uit in onvergelijkelijke afscheidsgesprekken. Er is de vreugde van het oude, eerbiedwaardige paasmaal, maar getemperd door de nabijheid van de scheiding waarop Hij telkens zinspeelt. Er is ook, over scheiding en dood heen, het uitzicht op de eeuwige vreugde van een ander gastmaal: „Van nu af zal Ik deze vrucht van de wijnstok niet meer drinken, tot op de dag waarop Ik ze nieuw met u drinken zal in het rijk van mijn Vader” ( Mt. 26, 29 ).

Voor die tijd der scheiding, waarin wij leven, nu de Bruidegom van ons is weggenomen en nog niet weergekeerd, heeft Hij ons zijn lichaam en bloed nagelaten „als gedachtenis” . Wij kennen allen, zeker als we ouder worden, die souvenirs van mensen die ons lief waren en die van ons heengingen, onbeduidende dingen dikwijls en zaken van weinig waarde, waaraan we sterk zijn gehecht en warbij het heimwee van onze herinnering gaarne verwijlt. Ach, welk een souvenir heeft Jezus ons geschonken! Zijn eigen vlees en bloed, het lichaam en bloed van het Lam dat geslachtofferd is en dat wij nuttigen mogen als onze spijze en sterkte. Herinnering oneindig dierbaar, levende herinnering en bron van kracht. Souvenir dat zijn verlossend lijden en sterven op mystieke wijze onder ons tegenwoordig stelt: gedachtenis die tevens onderpand is der zalige toekomst, die de belofte inhoudt van zijn terugkeer. „Aldus verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij wederkomt …”

Om nu enkele praktischevragen te stellen:

1. Zijn wij ons er derhalve van bewust dat wij Jezus’ lijden en dood niet beter kunnen vereren dan door een waardige communie (en dit betekent o.a. een communie zo mogelijk ontvangen in verband met de mis)?

2. Bestaat onze dankzegging na de communie alleen in smeekgebed voor onszelf en onze dierbaren?

3. Zouden wij ook niet, vol geloof, enige ogenblikken doorbrengen in de gedachtenis aan zijn lijden en dood en ons sterken met de zalige hoop op de hemel, waarvan de eucharistie het onderpand is, ondanks alles , ondanks al onze zwakheid en zondigheid (want zou het nodig, ja, zou het mogelijk zijn werkelijk te hopen , d.i. ons vertrouwen te stellen op de verdiensten van Jezus’ bloed en op de barmhartigheid Gods, indien wij wankelloze volmaakten waren, verondersteld dat zulke wezens op aarde bestaan?)?

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Het torment van het kruis

147. Maandag in de Goede Week

„Mijn lichaam bood ik hun die Mij sloegen, mijn wangen hun die Mij de baard uitrukten” ( Is. 50, 6 ; epistel).

Al schenken wij onze liefdevolle aandacht aan de schande en de zielesmart die Jezus in zijn gezegende passie en dood voor ons doorstond, wij willen ook zijn fysieke pijnen niet vergeten. De harde tijden die wij beleefd hebben en die zo scherp contrasteren met de voorafgaande periode waarin men geloofde aan humaniteit en onbeperkte vooruitgang, hebben onze ogen geopend voor de ontzettende wreedheid, die er in de mens en vooral in de heidense mens schuilt. Velen van onze generatie hebben in gevangenissen en concentratiekampen folteringen verduurd of anderen zien (en horen) verduren. Alleen de allersterkste karakters bleken bestand tegen het hels geweld der kwellingen. Er is een groot verschil tussen de natuurlijke pijn, al is ze nog zo hevig, en de door medemensen bewust en zelfs intelligent veroorzaakte pijn der foltering. Deze laatste onteert de menselijke waardigheid op een wijze, zoals nauwelijks enige andere zonde het doen kan, zowel in de persoon die lijdt als in degene die de wreedheid begaat. Ook Jezus heeft deze schennis der menselijke persoonlijkheid zwijgend willen verdragen, „als een lam ter slachtbank geleid en stom voor zijn scheerder” .

De pijnen die de Heer verduurde waren vooral die van de geseling en de kruisiging, en zij horen thuis in de categorie der folteringen. Jezus’ dood was daarom veel zwaarder dan die welke Sint Paulus onderging door onthoofding, en zelfs erger dan de steniging van Sint Stefanus , de eerste martelaar. De terechtstelling aan het kruis waaraan in de regel de geseling als inleidende straf voorafging, was, behalve als onterend, ook opzettelijk bedoeld als zeer pijnlijk en smartelijk. Het is waar dat men in die oude tijden meer gehard was dan tegenwoordig, en de evangelisten beschrijven deze aspecten van de passie zeer kort, zakelijk en koel bijna. Maar wij mogen ons hierdoor niet laten bedriegen. Iedereen kende destijds die straffen van nabij en wist wat voor gruwelijks ze inhielden.

Overwegen wij met eerbied en teder medelijden Jezus’ pijn. De geseling des Heren geschiedde niet op de Joodse wijze, waarbij het aantal slagen beperkt was, maar op de Romeinse manier, die zodanig was dat niet zelden een veroordeelde onder deze foltering stierf …

Daarbij komen de verschrikkelijke kwellingen der kruisiging. Het gebeurde ooit, dat men de ongelukkigen met touwen aan de kruisbalk bevestigde, maar meestal werden door handen en voeten zware nagels gedreven. Dit laatste geschiedde ook bij Jezus, zoals uit het evangelie van Johannes duidelijk blijkt. Denken we ons de smart der Moeder Gods in, als zij daar staat, niet ver van de plaats waar de hamerslagen weerklinken en het lichaam des Heren krimpt en onwillekeurig kronkelt onder de felle trekkingen van gerekte en verscheurde zenuwen en spieren. En de nieuwe lang aangehouden pijn, als het kruis wordt opgeheven en Jezus hangt aan zijn eigen bloedende wonden, uren lang, in een houding, die benauwdheid en gewelddadige storingen van de bloedsomloop veroorzaakt en zo ten slotte de dood ten gevolge heeft …

Wij aanbidden U, Christus, en loven U, omdat Gij door uw heilig Kruis de wereld verlost hebt.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De vernedering die ons oprichtte

146. Palmzondag

De oratie en het epistel van de mis spreken van de nederigheid van de Zaligmaker, dat is, van zijn vrijwillig aanvaarde, allerdiepste vernedering. „Almachtige eeuwige God, die onze Verlosser het vlees hebt doen aannemen en het kruis bestijgen, opdat het menselijk geslacht zijn voorbeeld van nederigheid zou navolgen …” En het epistel bevat de schone tekst uit Paulus ‘ brief aan de Philippenzen : „Hij heeft zich ontledigd (ofschoon Hij God gelijk was) en de gestalte aangenomen van een slaaf … Hij geeft zichzelf vernederd en werd gehoorzaam tot de dood, ja tot de dood van het kruis” ( Phil. 2, 6—7 ). Maar wij vieren heden toch Jezus’ triomf, zijn zegevierende intocht in Jerusalem? Het is waar: de Kerk voert in haar liturgie dit toneel op dramatische wijze op, als de intocht in het hemelse Jerusalem (de Stad die Hem niet bedriegt), om haar Bruidegom te eren, „Koning Christus, de Verlosser, de goede en milde Vorst wie alle goeds behaagt” . Als wij echter onze ogen afwenden van deze liturgische sublimering en ons één ogenblik de historische situatie indenken van Jezus’ intocht in de stad die Hem na enkele dagen zou kruisigen, dan begrijpen wij dat deze triomf van zijn kant een daad was van diepe nederigheid, een dulden van een bijna belachelijke huldiging, om de Schriften te vervullen. „Zachtmoedig, gezeten op het jong van een ezelin” ( Mt. 21, 5 ), neemt Hij het enthousiasme in ontvangst van pelgrims uit Galilea, terwijl de hoofdstad zelf onverschillig blijft en priesters en schriftgeleerden Hem reeds becritiseren ( Mt. 21, 10. 15 ). En Hij weet wat Hem wacht na weinige dagen, Hij weet nog vóór het ervaren te hebben wat de gunst van de wereld waard is.

2. In de beschouwing van Jezus’ lijden bepalen wij onze aandacht dikwijls te veel tot zijn lichamelijke pijn. wij denken te weinig aan de ontzaglijke vernedering die Hij zwijgend en zachtmoedig doorstaan heeft. Daar is vooreerst de menswording zelf, die fundamentele vernedering waarvan Sint Paulus spreekt in het epistel, het aannemen van de knechtsgestalte. Dat Hij „die in goddelijke gestalte bestond en zijn gelijkheid met God geen roof behoefde te achten” , mens werd, is een vernedering, waarvan wij de omvang nimmer zullen beseffen ( carnem sumere ). Maar Hij is om onzentwil bovendien een diep vernederde mens geworden. Hij is door zijn eigen volk verworpen als een bedrieger en godslasteraar. Bijna allen, ook zijn intiemste leerlingen en vrienden, hebben Hem verlaten. Menselijkerwijze gesproken, was zijn zending, zijn hoog ideaal, totaal mislukt. Hij werd gegeseld en bespot. Zijn gelaat, die spiegel der ziel, werd bespuwd en geschonden. Hij stierf ten slotte de kruisdood, dat is, Hij onderging de onterende terechtstelling die bij voorkeur voor slaven bestemd was en werd in waarheid „met misdadigers gelijkgesteld” ( crucem subire ).

3. Zo heeft Jezus metterdaad, met de daad van heel zijn leven, ons een goddelijk „voorbeeld van nederigheid” gesteld. Daardoor ook heeft Hij de naam verworven die boven alle naam is (epistel), de „grote naam van Gods ééngeboren Zoon” (Palmwijding) en de heerlijkheid, waarvan de koningsprocessie met palmen ons, sterfelijke mensen, slechts een flauw vermoeden kan geven.

„De leerling is niet beter dan de meester” ( Mt. 10, 24 ). Waar blijft onze navolging metterdaad van onze vernederde Zaligmaker? Bruist onze toorn niet op als wij een belediging, hoe gering ook, moeten verduren? Dulden wij ooit, zwijgend en zachtmoedig, de minste smet op onze eer en goede naam, wij die slechts mensen zijn en in onze handelingen en ons leven zwakke en zondige mensen?

O, Jezus, zachtmoedig en ootmoedig van hart, maak ons hart gelijkvormig aan het uwe. Moeder van Smarten, spreek ten beste voor uwe kinderen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De verlokking van het kruis

145. Zaterdag na Passiezondag

Deze dag voert ons tot de drempel van Jezus’ Passie. Dringender dan ooit klagen de gezangen ( introitus , graduale , communio ) over de bittere haat en de trouweloosheid van de vijanden die de Heer ten dode toe vervolgen. „Lever mij niet uit aan het begeren mijner kwellers, want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan en de ongerechtigheid heeft tegen zichzelf gelogen” ( Ps. 26, 12 ). In de les, genomen uit Jeremias , verschijnt de profeet die van alle heiligen uit het Oude Verbond in zijn lot en leven op de treffendste wijze het lijden van de Zaligmaker heeft voorafgebeeld. „Heer, sla geen acht op mij en luister naar het roepen van mijn vijanden. Mogen zij goed en kwaad vergelden, dat ze mij een kuil graven? Gedenk hoe ik voor uw aanschijn stond en pleitte om uw gramschap van hen af te wenden” ( Jer. 18, 19. 20 ).

1. Maar in het evangelie spreekt de Heer zelf over het mysterie van zijn lijden, met de rust en de verheven wijsheid die het goddelijk Woord toekomen. Staande vlak voor zijn dood overwint Hij alle menselijke ontroering en Hij schouwt reeds de heerlijkheid die de schande van het kruis omstraalt: de glorie van de Vader, de verlossing van de mensheid, de bekering van de heidenen, de overwinning op de satan. „Het uur is gekomen dat de Zoon des mensen gaat verheerlijkt worden. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen. Maar zo zij sterft brengt ze rijke vruchten voort … Nu wordt het oordeel over deze wereld voltrokken. Nu zal de Vorst dezer wereld worden buitengeworpen. En wanneer Ik van de aarde omhoog ben geheven, zal Ik alleen tot Mij trekken” ( Joh. 12, 23. 24. 31. 32 ).

2. En wij vragen: Hoe kunt Gij zeggen dat Gij eenmaal verheven, allen tot u trekt? Hoevelen geven zich gewonnen aan de aantrekking die er uitgaat van uw kruis en uw verheerlijking? Hoevelen vervullen de eisen van uw verlossende liefde? Gij bezit de macht om allen voor U te winnen en de overvloed van leven die de gehele mensheid gelukkig kan maken. Vrienden en minnaars vindt Gij in alle tijden en onder alle soorten van mensen, maar allen … Hoe ver lijkt de mensheid afgedwaald van uw kruis, hoe gering komt ons het getal voor van hen die U kennen en volgen …

3. Geven wij ons over aan de aantrekking van ’s Heren liefde die als een machtige magneet de harten wil aanzuigen vanaf zijn kruis en tot zijn kruis. Laten wij gelijken op de gierigaard, die een geheime schat angstvallig bewaart en bestendig vermeerdert. Want de verlokking der goddelijke liefde is de schat die wij dragen in lemen vaten, die wij bewaren en koesteren willen in de wankele broosheid van ons hart. In het begin wordt zij nauwelijks door ons opgemerkt, omdat wij leven aan de buitenkant van ons bestaan, omdat wij het orgaan nog missen om haar waar te nemen en gelukkig te ondergaan in het diepst van onze ziel … maar zo de Heer onze zwakheid genadig is en wij eerlijk er naar streven geestelijke stilte te scheppen, wordt zij een drang zo sterk, dat alles bezwijkt voor haar zegevierende kracht. Als wij ons steeds opnieuw gewonnen geven aan de bekoring van Gods liefde, worden wij vervoerd tot een zalige onmacht, tot een zoete gevangenschap die ons dierbaarder is dan alle dingen in hemel en op aarde en waaraan wij nooit meer wensen te ontkomen. „Wat begeer ik in de hemel en wat verlang ik op aarde buiten U? Mijn vlees en mijn hart bezwijken, mijns harten God en deel zijt Gij, o God, voor eeuwig” ( Ps. 72, 25. 26 ). „Leg mij op uw hart als een zegel, als een band om uw arm” ( Hooglied 8, 6 ).

De ziel moet in beschouwing en onthechting attent worden voor de werking van Gods Geest. De aantrekking van Jezus’ liefde geschiedt in de stilte en in het verborgen. Een mens die zichzelf bemint en de verstrooiing, die niet geleerd heeft in te keren tot zichzelf om daar God te zoeken, wordt haar nauwelijks gewaar. Niets is gemakkelijker dan de stem van God te overstemmen en niets op aarde is tragischer dan deze verwerping van zijn gave. Maar indien wij acht geven op onze Heer, zullen wij de stem van de Bruidegom vernemen en zalig zijn door de binding van de duizend koorden waarmee zijn liefde ons weet te omsnoeren. ( Os. 11, 4 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)