Maand: april 2015

De goddelijke uitverkiezing

178. Donderdag na de Derde Zondag na Pasen

In de hymnische aanhef van de brief aan de Ephesiërs lezen wij: „Gezegend zij de God en de Vader van onze Heer Jezus Christus, die ons van uit de hemel met allerlei geestelijke zegen gezegend heeft, in Christus. Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht” ( Eph. 1, 3. 4 ).

1. „Hij heeft ons uitverkoren, reeds vóór de grondlegging der wereld.” Aan het begin van ons heil staat de goddelijke uitverkiezing van eeuwigheid. Van God gaat alles uit. Ook datgene wat wij in de tijd met veel moeite, met veel aarzeling en halfheid, werken aan ons heil. Wij meenden wellicht ooit, dat wij het doen. Wij denken dat ons pogen van zo groot gewicht is (en in zekere zin is dat waar) — maar God „werkt alles naar het raadsbesluit van zijn wil” ( Eph. 1, 11 ) en vóór wij bestonden, van eeuwigheid, heeft God besloten ons te roepen tot het christelijk heil, tot dit leven der genade dat het voorspel van de hemel moet zijn. Zonder die goddelijke roeping zou alle pogen van ons vergeefs zijn, — en al ons pogen nu in de richting van ons eeuwig heil is een gevolg van de goddelijke uitverkiezing. God heeft ons geschapen. In de orde van het natuurlijke zijn en leven danken wij Hem alles, maar evenzeer in die andere en hogere orde van het leven in Christus. Deze uitverkiezing is een daad van vrije liefde: „in liefde heeft Hij ons, volgens het welbehagen van zijn wil, voorbestemd zijn kinderen te worden door Jezus Christus” ( Eph. 1, 5 ). In Gods genade, in zijn grondeloze liefde ligt alle initiatief besloten tot ons heil, tot onze redding van de eeuwige dood, tot ons leven in Christus. Dankbaarheid en nederigheid moeten ons bezielen bij het besef van deze onverdiende uitverkiezing; en ook fierheid door een besef dat te zeer verloren is gegaan onder ons: elke christen als zodanig is door God persoonlijk geroepen met een hemelse en eeuwige roeping, „vóór de grondlegging der wereld” .

2. „Om heilig en vlekkeloos te zijn voor zijn aangezicht” : dit is het onmiddellijke doel van de goddelijke roeping, dat wij heilig leven. Het laatste doel is de „lof van zijn glorie” ; ook dit wordt aangegeven in deze van inhoud zware verzen ( Eph. 1, 6. 12. 14 ). Ons leven is geen toevalligheid en ook niet iets dat we vrijelijk kunnen inrichten naar eigen keus. God heeft ons geroepen in Christus Jezus. Dat is iets om fier op te zijn en om gelukkig mee te zijn, maar toch alleen wanneer wij de roepstem Gods ernstig nemen, en niet dilettantisch of alleen maar voorzover het ons uitkomt. God wil dat wij heilig en vlekkeloos leven voor zijn aangezicht, dat is in werkelijkheid. Elke christen is door God geroepen tot dit heilig leven voor zijn aangezicht en hij moet aan die roeping willen beantwoorden voor de volle honderd procent (ook al weet hij dat volkomen verwerkelijking van die wil niet zal geschieden vóór de eeuwigheid).

3. „Hij heeft ons uitverkoren in Christus.” God heeft mij niet uitverkoren op mijzelf en om mijzelf, maar omdat ik behoor tot Hem en voorzover ik behoor tot Hem, die „de Geliefde” is ( Eph. 1, 6 ), op wie de liefde des Vaders geheel gericht is, die alleen de Vader behaagt om Zichzelf. Wij behoren Hem toe. Juist voorzover wij in Hem zijn ingelijfd door de doopgenade en met Hem verenigd door geloof en liefde, zijn wij christen, — en juist inzover ook beantwoorden wij aan de roeping Gods en behagen wij de Vader. Buiten Christus om, die het hoofd is van de Kerk en die „alles in allen vervult” ( Eph. 1, 23 ), bezitten wij geen christelijk zijn, geen eeuwig leven, geen onvergankelijk goed.

Trachten wij te „zijn in Christus” , zo volledig mogelijk; trachten wij dáár ons denken en voelen en willen te concentreren, in Hem, op wie als in een brandpunt de oneindige liefde des Vaders zich samentrekt. Dáár willen wij thuis zijn, dáár willen wij „bevonden worden” , nu en in eeuwigheid.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Op naar een vrij en gratis gebruik van kerkelijke teksten, mét keurmerk

De katholieke kerk begint eindelijk schoorvoetend aan te schuiven aan de oprit naar de informatiesnelweg! Al jarenlang loopt iedereen met een smartphone op zak en hebben de meeste gezinnen thuis één of meerdere tablets op de salontafel liggen om te internetten, spelletjes te spelen, boeken te lezen en tussendoor nog wat te werken. Om van computers nog maar te zwijgen. Maar onze heilige moeder de Kerk, zij stond erbij en keek ernaar en liet heel dit mediakanaal links liggen.

Read More

Het onophoudelijke gevecht

177. Woensdag na de Derde Zondag na Pasen

„Geliefden, ik vermaan u als bijwoners en vreemdelingen u te onthouden van de vleselijke begeerten die strijd voeren tegen uw ziel” ( 1 Petr. 2, 11 ).

1. Dit inleidende vers van het epistel van de Zondag beantwoordt precies aan de hoofdgedachte van het evangelie, de nabijheid en de zekerheid van de hemelse vreugde. De strijd en de onthouding waarvan Sint Petrus ‘ woorden gewagen stemmen overeen met de kortstondige droefheid, met de vreugde van de wereld die voorbijgaat en met de felle weeën der barende. In de periode van het modicum , „de korte tijd” , is beschouwing onmogelijk zonder versterving. De gedachte aan de onvergankelijke vreugde kan geen wortel schieten in onze geest, zolang de „vleselijke begeerten” onze ziel overheersen. Wij mogen deze uitdrukking niet uitsluitend verstaan in de zin van onkuise lusten. Natuurlijk zijn ook deze ingesloten. Maar wat de apostelen in hun geschriften met deze term bedoelen, verstaan wij toch beter als wij zouden lezen: zelfzuchtige begeerten. Wat de daden van onkuisheid tot zonde maakt is niet het feit dat zij zich afspelen in de sfeer van zinnen en vlees, maar dat zij strijden met de wet van God, dat de mens zijn eigen wil doorzet tegen Gods wil, ook in dit punt. Tot de passies van het vlees behoort het gehele domein van het egoïsme, niet enkel zinnelijkheid in engere zin, maar ook hebzucht, gierigheid, hoogmoed, huichelarij, ijdelheid, afgunst, gemakzucht, genotzucht, liefdeloosheid, haat. Al deze begeerten komen voort uit onze gevallen natuur en zij alle voeren strijd tegen de ziel. Zij brengen haar in gevaar en naar hun innerlijkste strekking voeren zij tot de eeuwige dood. „Wat baat het de mens, als hij de hele wereld wint, maar zijn leven verliest? Of wat zal de mens in ruil geven voor zijn leven?” ( Mt. 16, 26 ). Nogmaals, onze passies zijn niet op zichzelf genomen zondig. Maar de Kerk leert ons, dat zij door de zondeval van de mens gemakkelijk ongeordend worden, hun voorwerp licht nastreven zonder onderwerping aan de wil van God.

2. De eigenlijke zonde is de zonde tegen de liefde. Dit betekent uiteraard niet, dat alleen maar de zonde van liefdeloosheid zou bestaan en niet ook zonden van onkuisheid, onrechtvaardigheid en zo verder. Maar het betekent wel, dat ongeordendheid der liefde, gebrek aan liefde, egoïsme op een of andere wijze altijd aan onze zonden ten grondslag ligt. Het is mogelijk, dat wie echtbreuk pleegt, dit meent te doen uit eerlijke menselijke liefde, maar zijn liefde is in laatste instantie niet geordend naar het werkelijk geluk van de ander. Bij vele andere zonden, zoals gierigheid, oneerlijkheid, genotzucht, is alleen maar een koud gebrek aan liefde, een bekrompen zelfliefde in het spel. Wie zichzelf op de juiste wijze bemint en altijd openstaat voor het werkelijke goed van alle anderen, met wie hij in aanraking komt, zondigt niet.

Het is daarom, dat het onophoudelijk gevecht gericht moet zijn, niet tegen onszelf, niet tegen de sexuele passie als zodanig, niet tegen de begeerte naar zelfbehoud op zich beschouwd, maar tegen het egoïsme. En dit schept ook die vreemdheid, waarvan het epistel spreekt: wij worden dan vreemd aan de geest der wereld, wier grondwet egoïsme is en zelfbehoud ten koste van anderen. Dit behoeft helemaal niet te impliceren, dat wij de wereld verlaten. Het mag in genen dele betekenen, dat wij ons vreemd gaan gevoelen ten aanzien van de mensen in de wereld. Wat dan wel? Niets anders dan dit, dat de liefde voor allen de grondwet is van het christelijke leven, waardoor wij, vervreemd van de wereldse geest, vertrouwden kunnen worden van de wereldse mens.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De geest van het kindschap

176. Dinsdag na de Derde Zondag na Pasen

De paastijd moet in ons de christelijke vrijheid doen bloeien die een vrucht des Geestes is, ons verdiend door Jezus’ bloed en ons meegedeeld door de glorie van de verrezen Heer. Zij bestaat in de verlossing van de zonde en de geleidelijke bevrijding van de gevolgen der zonde, in een volheid van Christus-vormig leven die ons verruimt en verrijkt. „Want Christus alleen is het volmaakte beeld Gods omdat de heerlijkheid des Vaders in Hem haar volkomen en gelijkwaardige uitdrukking vindt. De rechtvaardige vertoont slechts een gelijkenis met God, indien hij ten minste, in navolging van het goddelijke voorbeeld, door de kennis van God deze wereld veracht en de aardse geneugten minacht door het Woord aan te nemen dat ons voedt ten leven. Daarom ook nuttigen wij Christus’ lichaam, om aan het eeuwige leven deelachtig te worden.” De gelijkenis met Jezus bestaat allereerst hierin dat wij door onze vereniging met Hem kinderen zijn van de Vader in de hemel. Hieraan moet de mentaliteit van het kindschap beantwoorden. Wij willen ons gevoelen en gedragen als kinderen van God. Dat is: vrijmoedig, vertrouwvol, onbevreesd en geborgen te midden van de radeloosheid en onzekerheid van het menselijke bestaan in deze wereld. Men heeft veel geschreven over de verlorenheid en „geworpenheid” van de mens in de reddeloze eenzaamheid van het leven. En het is zeker dat de mens, voor wie de verbindingen met God zijn afgebroken, zich, in de apocalyptische rampen die over onze wereld zijn gekomen, zó moet gevoelen, zodra hij afdaalt beneden de oppervlakte van dit bestaan. Maar de christen is niet teruggeworpen op zichzelf. Hij treedt door Christus in verbinding met God en met alle mensen. Hij is verlost , door de Heer Jezus heeft hij in het geloof toegang tot God ( Rom. 5, 2 ) en de Geest der volmaakte liefde die de vrees uitbant schenkt hem het besef kind te zijn van een algoede Vader ( Rom. 8, 15. 16 ).

Christus zelf heeft voor ons in het evangelie de consequenties getrokken uit dit fundamentele en gelukkigmakende feit. Wij kennen wel allen die woorden van de Zaligmaker, waarin Hij niet over het goddelijk vaderschap theoretiseert maar zijn leerlingen de levende en concrete zielehoudingen toont die hun passen als kinderen van God. „Wanneer gij bidt, zeg dan: Vader … ( Lk. 11, 2 ). „Weest niet bezorgd. Uw vader weet dat gij dit alles nodig hebt” ( Mt. 6, 32 ). Jezus wil dat wij in alles op de goddelijke voorzienigheid ons verlaten, zowel in het tijdelijke als in het geestelijke. De eigenwijze mens, die bezorgd is, die zijn eigen voorzienigheid wil spelen, die zelf wil beoordelen wat hij nodig heeft, lijkt dit een waagstuk; en de angstige mens is tot zulk een overgave niet in staat. Maar zij betekent: vrijheid, geborgenheid, het einde van ons onmachtig pogen om te regelen wat wij toch niet in handen hebben, en begin van een nieuw geluk.

Het betekent ook: onthechting, geest van armoede en geest van vrijheid in deze wereld: „Zalig de armen van geest, want hun behoort het rijk der hemelen” ( Mt. 5, 3 ). Door de grondwet van zijn koninkrijk met deze zaligspreking te laten aanvangen geeft Jezus duidelijk te kennen welke onvervangbare plaats Hij aan de armoede aanwijst in het leven van de zijnen. Zij die van hun hemelse Vader „de goede Geest” verwachten en zich geheel spiegelen aan het beeld van Jezus, versmaden het aardse bezit, minstens naar de geest. „Christen zijn wij alleen met het oog op het toekomstige leven” , niet om als de Joden eertijds ons te verzadigen aan het vette der aarde. „De dood van Jezus aan het kruis heeft een scherpe scheidingslijn getrokken tussen de vergankelijke goederen der aarde en de eeuwige en geestelijke. In dit sterven blijkt duidelijk dat wij van God niet een aards geluk mogen verwachten: de smartelijke passie van zijn eengeboren Zoon bewijst dat wij Hem andere dingen moeten vragen” . Wat God zijn Zoon weigerde kan geen grote waarde hebben.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Hemelse en aardse liefde

175. Maandag na de Derde Zondag na Pasen

„Heer, mogen deze mysteriën ons de kracht verlenen om de aardse verlangens te matigen en de hemelse te leren liefhebben” , zo smeekt de Kerk in de secreta van de Zondag, — een zeer kort gebed maar dat in de Nederlandse vertaling nog altijd acht woorden méér telt dan in het oorspronkelijke Latijn. In haar oudste en beste gebeden streeft de liturgie er naar de dingen zo kort mogelijk te zeggen, en zo krachtig mogelijk. Zij versmaadt sentiment en oratorische zwier, ook als zij bidt, is het bijna met een gedrongen zakelijkheid waaronder echter een ingehouden vurigheid gloeit.

1. Hoe volmaakt stemt deze secreta overeen met het evangelie van de korte tijd en de vreugde van het weerzien! Wij bidden dat het mysterie van Christus’ offer in ons zulke gesteltenis teweegbrengt als past aan leerlingen des Heren die nu, in dit kortstondige modicum , wel bedroefd zijn, terwijl de wereld zich verblijdt, maar die weten dat het uur naderbijkomt van de vreugde welke „niemand hun zal ontnemen” . Zo zijn alle christenen gestemd, indien zij leven op de hoogte van hun roeping, indien zij „echt” zijn en waarachtig. Zij verlangen er naar bij hun Heer te zijn. Zij aanschouwen Hem in de duisternis van het geloof, een duisternis die hen niet belet (die zelfs daartoe de enige mogelijkheid biedt) Hem te kennen zoals Hij op aarde alleen gekend moet worden, en die hun somtijds een vermoeden schenkt van de oneindige glorie die Hij bezit bij zijn Vader in de eeuwigheid. „In het voorbijgaan wordt de Heer aanschouwd (zoals Zacheüs Hem zag uit de vijgeboom). Want door deze wijze dwaasheid (van het kruis) zien wij de goddelijke Wijsheid nog niet blijvend, zoals Zij is, maar als in het voorbijgaan en vluchtig, in het licht der beschouwing” Hierdoor wordt het verlangen van deze mensen naar de vereniging met God nog sterk aangewakkerd, want zij hebben de wereld voor Hem prijsgegeven en zij gelijken de bruid van het Hooglied : „Ik wil opstaan en rondgaan door de stad, mijn beminde zoeken op straten en pleinen. Ik zocht hem maar ik vond hem niet” ( Hoogl. 3, 2 ). Zij zoeken God alleen en niets op aarde kan hen bevredigen dan de liefde die hen doet geven en lijden voor de Heer en voor allen die Hij liefheeft.

2. De Kerk bidt namens al haar kinderen en zij weet dat de meesten ver van zulk een ideaal verwijderd blijven. Maar haar gebeden zijn toch zó gesteld dat zij, in hun volle en diepe zin verstaan, dat ideaal van de volmaakte liefde telkens weer voor ons oproepen. Zij weet dat de „aardse begeerten” het grote beletsel vormen voor de „hemelse verlangens” . Deze komen niet vrij, omdat ons bewustzijn in beslag wordt genomen door al die bewegingen van vrees en hoop, van verlangen en haat en liefde, — waarvoor?

Voor al de dingen waarvoor wij niet gemaakt zijn noch bestemd door de oneindige liefde van Christus die ons een hoger doel heeft gesteld. Daarom bidden wij om „matiging” van deze begeerten, om een afkoeling van die koorts, opdat er een begin van rust ontstaat en wij in staat zullen zijn het verlangen naar God en zijn rijk te leren liefhebben. Wij bidden dat wij onze passies en begeerten mogen „matigen” , inperken binnen de grenzen van Gods wet. Niet dat wij ze vernietigen of verdringen, want zij vormen de grondstof van ons leven en de mogelijkheid van al onze liefde. Dan kan Gods zaad in ons wortel schieten en ontkiemen. En het is reeds veel zo dit wordt bereikt, want de eerste stappen op de smalle weg kosten de meeste moeite (het lijden is later wel heviger, maar de ziel is krachtiger geworden). En de Kerk weet ook dat de „hemelse begeerten” zo zij zich eenmaal beginnen meester te maken van ons hart, een mens kunnen drijven tot al de uitzinnigheden der liefde. Moge de deelname aan het dagelijkse offer ons sterken tot zulk een loutering en tot zulk een overgave.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)