Maand: april 2015

De korte tijd

174. Derde Zondag na Pasen

„In die tijd zeide Jezus tot zijn leerlingen: „Een weinig tijds en gij zult Mij niet meer zien; en weer een weinig tijds, dan zult gij Mij weder zien. Want ik ga naar de Vader” ( Joh. 16, 16 ). Zo lezen wij in het evangelie van heden. Jezus sprak deze woorden op de laatste avond van zijn sterfelijk leven. En zij dragen dat eigenaardige, enigszins zwevende karakter dat kenmerkend is voor vele passages van de grote afscheidsrede waaraan zij zijn ontleend. Jezus spreekt hier aan de vooravond van zijn vreselijke dood, maar het is alsof Hij aan de verschrikkingen van het lijden reeds ontheven is, alsof Hij reeds niet meer behoort tot deze aarde en de sfeer van dit leven waarin zijn leerlingen nog verkeren. Jezus’ dood is de trede tot de glorie en soms lijkt het of hier de verrezen en verheerlijkte Zaligmaker aan het woord is. De liturgie heeft met feilloze tact haar evangelie van deze en de volgende Zondagen ontleend aan de afscheidsrede van Jezus bij Johannes . — zij wil dus deze woorden verstaan vanuit de situatie tussen verrijzenis en hemelvaart. Men zou ze natuurlijk kunnen opvatten als wees het heengaan op Jezus’ dood en het weerzien op de verschijningen na de verrijzenis. Maar hiermee is zonder twijfel niet de volle bedoeling van de Zaligmaker weergegeven. Hoe zou men op het kortstondige en telkens onderbroken verkeer van de Verrezene met zijn discipelen Jezus’ woorden kunnen toepassen: „Ik zal u weerzien en dan zal uw hart zich verblijden en niemand zal u deze vreugde ontnemen. Te dien dage zult gij Mij niets meer vragen” ( Joh. 16, 22. 23 ). Ook Sint Augustinus verstaat in de homilie op het evangelie onder het weerzien de hemelse vreugde.

1. „‘ „weinig tijds” ’ is de voortsnellende duur van dit leven en deze wereld. Het kan ons lang voorkomen omdat het nog voortduurt. Maar wanneer het ten einde is, zullen wij inzien hoe kort het was.” De kortheid van deze aeon , de kortheid van dit leven houdt vooreerst een machtige aansporing en een ernstige waarschuwing in. Het is deze werkelijkheid die de christen zich altijd opnieuw voor ogen moet stellen: de tijd ons toegemeten is kort en snelt onherroepelijk voorbij. God heeft hem ons gegeven als kostbare gave om mee te woekeren voor zijn glorie en voor zijn rijk. Ons past de houding van tegelijk bescheiden en ijverige knechten, die is, waakzaamheid. Waakzaamheid die de bedrieglijke nevel van de zelfzucht doorschouwt, die geen deeltje van Gods gave onbenut wil laten, die de ziel bewaart in een gesteltenis van gereed staan voor de komst des Heren. Zó is de houding der Kerk, bereid haar Bruidegom tegemoet te snellen, — in de paastijd sterker wellicht dan ooit, nu wij de verrezen Heiland volgen mogen tot aan de drempel van het vaderhuis.

2. Tegelijk betekent dit „weinig tijds” , dat ons in de liturgie van heden als een refrein in de oren blijft hangen, een troost. Een troost niet enkel daarom (ofschoon óók daarom), dat de hemel ons zal verlossen van de smarten van dit tranendal: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zult wenen en jammeren, doch de wereld zal zich verheugen” — maar toch bovenal hierom: „dat wij Hem zullen zien” . „Een korte tijd nog en wij zullen Hem aanschouwen: dáár zullen wij niet meer smeken noch vragen, omdat er niets meer te verlangen noch te zoeken overblijft” ( Augustinus ). De trouwe dienaar weet dat de vreugde waarin hij zal binnengaan, geen andere is dan de Heer zelf, zijn nabijheid en de door niets meer gestoorde vereniging met Hem. Deze vreugde zal niemand hem ontnemen. Het vermoeden van de glorie des Heren dat het zuivere gebed hem soms schenkt kan het verlangen naar déze vreugde alleen maar sterker maken.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Dolende schapen

172. Vrijdag na de Tweede Zondag na Pasen

„Gij waart dwalend als schapen, maar thans zijt gij bekeerd tot de Herder en Behoeder van uw zielen” ( 1 Petr. 2, 25 ; epistel van de Zondag). „Ik heb andere schapen die niet uit deze schaapstal zijn. Ook hen moet Ik leiden en zij zullen luisteren naar mijn stem. Dan zal het worden: één kudde, één herder” ( Joh. 10, 16 ; evangelie van de Zondag).

1. Het beeld van de Goede Herder en zijn kudde, die Hem volgend veilig is en overvloed van leven vindt, roept de gedachte op aan de schapen die ronddolen ver van de enige Herder en Opziener der zielen. Het herinnert ons allereerst aan de tijd dat wij zelf wellicht ver van God waren afgedwaald. Want de gewoonte mag ons niet blind maken voor de genade, en al heeft God ons misschien van onze jeugd af beschut en opgenomen onder Christus’ kudde en naar de welige weiden van zijn Kerk geleid, wij moeten altijd blijven beseffen dat zijn heil genade is, ons geschonken zonder onze verdiensten. Nu wij in deze weken van de paastijd blijde de volheid der verlossing vieren, moeten wij ons levendiger dan ooit er van bewust zijn dat Gods roeping alleen ons gered heeft, dat zijn genade ons uit de wereld heeft genomen en binnengeleid in het rijk van zijn geliefde Zoon. „Niemand kan tot Mij komen indien de Vader die Mij gezonden heeft hem niet trekt” ( Joh. 6, 44 ).

Wij danken Hem om zijn grote glorie en wij bidden: „verlos ons van het kwaad, behoed ons voor de boze” .

2. En wij bedenken met schaamte hoe dikwijls wij nog afdwalen van de Heer, hoe dikwijls wij spelen met het kwaad, hoe zelden wij met hart en ziel Hem geheel toebehoren. Wij gelijken inderdaad op die domme dieren die wel deel uitmaken van de kudde maar die voortdurend achterblijven, verdolen en hun heil willen zoeken op eigen gelegenheid. Wij willen Jezus volgen en Hem trouw blijven in het wezenlijke (want wij zijn voor de doodzonde bevreesd) maar wij behouden ons „vrijheid” voor in het bijkomstige. Wij onderhouden de grote geboden in grove lijnen maar zoeken gemak en genot en onze eigen zin in het kleine. De voorname plichten volbrengen wij maar ons hart schuwt de overgave. Wij zoeken een veilige positie voor onze zelfzucht en wij vergeten dat geen linie stand kan houden voor de aandrang van zijn liefde. Er bestaat geen grenslijn waar wij Hem kunnen toeroepen: „niet verder!” Hoe gevoelen wij ons opgelucht als wij na braaf gebeden te hebben de kerk verlaten en nu, met goed geweten, weer „onszelf” mogen zijn! Hoe dwalen onze gedachten de hele dag ver van Hem weg, terwijl onze geest zich vult met de duizend beuzelarijen die nog sneller voorbijgaan dan ons eigen vergankelijke leven! Wanneer zullen wij begrijpen dat alleen de onvoorwaardelijke capitulatie ons de vrede zal schenken en Hem de eer en de liefde die Hem toekomen?

3. Dan eerst zullen wij gevoelig worden voor de verlangens van zijn Hart en ons hart zal zich verruimen. Wij zullen weten hoe oneindig belangrijker het is één ziel voor Hem te winnen dan te voldoen aan onze lauwheid en lafheid. Wij zullen denken, met toenemende smart, aan de „andere schapen” die zich voegen moeten bij zijn kudde. Wij zullen inzien welk een ongelooflijk voorrecht het is onze gemakzucht te mogen offeren voor zijn vreugde. Want de blijdschap die zijn Hart vervult om de thuiskomst van wat verloren was gaat alle begrip te boven. En Hij heeft zich verwaardigd onze medewerking te vragen voor de redding der zielen wier herder en hoeder Hij is. Maar zal het ons mogelijk zijn onze „vrije” tijd te besteden, onze krachten te wijden, vurige gebeden te storten en offers te brengen, in één woord „ons leven te geven” voor zijn rijk en voor de zielen, zo wij telkens weer in onze gedachten en genegenheid afdwalen van Hem, zo wij niet door gebed en beschouwing in de geest met Hem verbonden blijven zó dat zijn Geest ons bezielt en zijn liefde ons verheft boven onszelf?

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Het morgenoffer

171. Donderdag na de Tweede Zondag na Pasen

„Heer, mijn God, tot U waak ik op vanaf de dageraad en in uw naam zal ik mijn handen heffen, alleluja” ( Ps. 62, 2. 5 ; offertorium van de Zondag). De psalm waaraan de liturgie deze verzen ontleent, is een der allerschoonste:

„Heer, mijn God zijt Gij, U wil ik zoeken
naar U dorst mijn ziel,
naar U smacht mijn vlees
in een dor en dorstig land. Zo heb ik voor U gestaan in het heiligdom
om uw macht en uw glorie te aanschouwen.
Want beter is uw liefde dan leven,
mijn lippen willen U loven
Zó wil ik U zegenen mijn leven lang,
mijn handen heffen in uw naam
Als het merg en vet zal mijn ziel zich verzadigen
mijn mond zal juichen met jubelende lippen,
zo dikwijls ik U gedenk in mijn sponde,
in nachtwaken uw naam prevel …
Ja, Gij waart mij een helper,
in de schaduw van uw wieken jubelde ik.
Mijn ziel hangt U aan
uw rechter houdt mij vast.

Het is een lied van morgenlijke jubel (opgenomen in de lauden van de Zondag) en dat bij uitstek past in de stemmingen van de paastijd. Deze ziel kan haar God niet vergeten. Des nachts gedenkt zij Hem en in de ochtend gaat heel haar élan naar Hem uit: ad Te de luce vigilo . Haar drijft de veerkracht der liefde en al kent zij het lijden, de smart maakt haar aanhankelijkheid aan het enige en onverliesbare God des te groter (en dan te bedenken dat men zó wist te bidden vóór ons Gods liefde in Christus was geopenbaard …).

2. Wij willen Hem de morgenuren wijden, de frisheid van de dageraad, de diepe stilte van de beschouwing, het mysterie van zijn offer en de deelname aan zijn lichaam en bloed en de lof Gods die de Bruid van Christus aanheft. Welk een voorrecht dit te mogen doen!

O Kersten hart! wat traagheid let u dan
Des morgens vroeg te rennen, daar dit Man,
Die zuivre dauw des Offers, zo gezegend,
U in den mond en op de lippen regent.
Zo blank als sneeuw van ’t heilrijk Paradijs?
Hier bloeit de boom des levens dag aan dag
Hier rust de ziel van ’t ijdele bejag.
Hier toomt de geest het vlees zijn dartelheden.
Hier antwoordt God op zuchten en gebeden.
Hier wist hij af de tranen in der nood.
Hier leeft het hart in troost; hier sterft de dood.

De traagheid die ons let, is die welke het beste deel is van elke mens: traagheid die ons belet te gaan, die, ook al zijn wij gegaan, ons bevangt, die ons ongevoelig maakt voor het hoogheilige en die onszelf onbegrijpelijk kan voorkomen, maar die niettemin zo dikwijls beschamende werkelijkheid is.

Laat het geloof triomferen over de zwakheid van onze natuur en elke morgen het loflied aanheffen, dat God toekomt.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)