Maand: mei 2015

Offer van lof

209. Drievuldigheidszondag Eerste Zondag na Pinksteren

„Gezegend zij de heilige Drieëenheid en ondeelbare Eenheid. Wij willen haar loven wijl zij ons barmhartigheid heeft bewezen” ( introitus ).

1. De Kerk wekt ons vandaag niet zozeer op tot diepzinnige bespiegelingen omtrent het ondoorgrondelijke geheim der Heilige Drieëenheid als wel tot een lofprijzing van de oneindige God, die „ons barmhartigheid heeft bewezen” . De Vader heeft ons geschapen en van eeuwigheid voorbestemd tot dit geluk waarin wij door zijn genade staan, — de Zoon is voor ons mens geworden, Hij heeft ons openbaring gebracht omtrent de Vader „Die niemand ooit gezien heeft” ( Joh. 1, 18 ) en Hij heeft ons verlost door zijn bloed, — de Geest is het die ons heiligt, die het werk van de Zoon in onze zielen tot voltooiing brengt en ons terugvoert tot de Vader in de hemelen. De zondige mens is het voorwerp van deze werkzame liefde Gods. Zijn enig antwoord is: het offer van lof. „Wij loven U, wij zegenen U, wij aanbidden U …” De heilige Paulus houdt niet op te verkondigen dat de christen moet zijn in laudem gloriae gratiae suae , dat heel zijn bestaan moet strekken „tot lof van de heerlijkheid van Gods genade” ( Eph. 1, 6 ). En zoals Gods liefde altijd en overal werkzaam is, zo moet ook onze lofprijzing werkzaam zijn. De hoogste vorm hiervan is een actieve en passieve deelname aan Jezus’ eeuwigdurend offer van lof in de mis. Niet enkel onze woorden, ook onze bedoelingen en daden, ons lijden en heel ons leven moeten zodanig zijn, dat zijn zonder meer kunnen samensmelten met het offer dat Jezus is, als een lofzang tot glorie der aanbiddelijke Drieëenheid.

2. Het mysterie der Drievuldigheid is voor de christen en in de christen een voortdurende werkelijkheid . God woont in de ziel van elke rechtvaardige. Dit is objektieve realiteit. En één akt van geloof sluit mij „subjektief” aan bij deze hoogste werkelijkheid, — één verzuchting van zuivere liefde brengt mij in levend en levenwekkend contact met de drieënige God.

Wat God is alomtegenwoordig. Hij is aanwezig in al wat bestaat. Maar door de genade is Hij in de ziel op bijzondere wijze. Dit betekent: Hij wil in mij zijn als gever en ontvanger van liefde, als minnaar en beminde. „Jezus antwoordde hem: „Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden. Dan zal ook mijn Vader hem beminnen en Wij zullen tot hem komen en ons verblijf bij hem nemen” ( Joh. 14, 23 ).

3. En practisch gesproken: Hoe dikwijls maken wij allen het kruisteken en hoe zelden doen wij het langzaam, met eerbied, met geloof, ons bewust van dit prachtige gebaar dat het ereteken der katholieken is? Laten wij ten minste heden het kruisteken maken tot wat het moet zijn: een toewijding aan de goddelijke Drieëenheid van heel ons zelf door de kruisdood van Jezus, door Wie ons alle goeds van Godswege toestroomt, — een groot kruis geslagen over heel ons wezen, dat aan God schenkt ons hoofd en ons hart, het woord van onze mond en de kracht van onze daden.

En het „Ere aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest …” , waarbij wij vroom het hoofd buigen? Welk een schoon rustpunt kan dit zijn in het goddelijk officie, als we in de stroom der psalmverzen even de krachten van onze ziel verzamelen en de eeuwige God, die in ons woont, aanbidden! Wanneer wij Gods lof zingen, zijn wij dat „nu” , dat opgenomen wordt in de altijddurende hulde van het hemelse hof: zoals het was in den beginne en nu en altijd in de eeuwen der eeuwen …

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De geest der liefde

208. Quatertemperzaterdag van de Pinksterweek

„De liefde Gods ligt uitgestort in onze harten door de Heilige Geest, die ons geschonken werd” ( Rom. 5, 5 ; epistel, introitus ).

Laat dit de gedachte zijn waarmee wij afscheid nemen van de pinksterweek die weer ten einde spoedt: het slotaccoord dat naklinkt in ons hart, de werkelijkheid die blijft in onze ziel. Dit schriftwoord vat in zijn heerlijke dubbelzinnigheid alles samen: Gods liefde voor ons is begin en einde van het heil en van deze liefde is de inwonende Geest met zijn gaven het kostbare pand; en tevens is Hij de bron van onze liefde voor God, die door Hem wordt gewekt en ontstoken. In de Geest komen ze beide samen: de goddelijke minne en de liefde van het schepsel. In Hem „ligt de liefde Gods uitgestort in onze harten” .

1. De Heilige Geest betekent: Gods liefde voor ons en in ons. God heeft ons het eerst lief, zegt Sint Jan ( 1 Joh. 4, 10 ); daarna pas kan er sprake zijn van onze liefde voor Hem, God bemint mij . Is het verwonderlijk, dat wij gemakkelijk de ogen sluiten voor dit fundamentele feit? O, als wij er even rustig over nadenken, dan begrijpen wij dit wel.

Veronderstel, dat er zulke mensen zijn (en God geve dat het er vele waren), die in het voortdurende bewustzijn leven van deze werkelijkheid (want werkelijkheid is het), die zich niet laten afleiden door alles wat om hen heen gebeurt noch door de verlangens en angsten en zorgen in henzelf, van de gedachte, die wáárheid is: God bemint mij, — dan zien wij toch aanstonds in dat zij niet meer „gewoon” kunnen leven. Raakt dan niet alles menselijkerwijze gesproken op losse schroeven? Als ik daarvan diep overtuigd ben, wat blijft er dan over van mijn gewichtigheid en mijn zelfbehagen van mijn „prestige” en mijn gemak (en zo verder …)? Als je in de zon blijft kijken, word je blind en als je je hand in het vuur houdt, verteert hij. In het licht en het vuur de goddelijke liefde beginnen de dingen hun ware afmetingen te tonen en hun eigenlijke waarde. Dan eerst ga ik inzien, met hoe weinig recht ikzelf van liefde mag spreken en hoezeer egoïsme en lafheid en menselijk opzicht mij beheersen. Want Gods liefde is oneindig en kent geen grenzen, ook als zij gericht is op een zo ellendig en begrensd object als ik ben. Het is zuiver uit zucht tot zelfbehoud dat de natuur weigert zich aan die zon bloot te stellen.

2. Omdat God mij bemint en omdat zijn liefde goddelijk, dat is, oneindig is, alle begrip en alle maat te boven gaande, daarom laten de menselijke maatstaven ons ook in de steek bij het beoordelen der ware liefde voor God. „Gij zult de Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en heel uw verstand” ( Mt. 22, 37 ). Zie naar de heiligen in wie de Geest zijn goddelijk spel kon spelen en die een prooi werden der goddelijke liefde. De gewone categorieën als plicht, voorzichtigheid, maathouden, conventie en zovele andere hebben hier niet meer het laatste woord. Het kenmerk der godsliefde is haar onbegrensdheid. Haar maat is: beminnen zonder maat. De arme mens, die zich in ernst wil inlaten met dit spel van de Geest, moet weten wat hij begint. Slechts wie zijn leven verliest, zla het Leven winnen en wat hij wint, is onuitsprekelijk.

Laten wij de Heilige Geest nederig en vurig afsmeken in ons hart immer meer te ontsteken het vuur der goddelijke liefde.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Katholiek Kwartetten: Parabels, Genezingen, Wonderen en Opwekkingen

Katholiek Kwartetten is een kwartetspel met als thema het katholieke geloof. Dit artikel introduceert vier kwartetten die thema’s uit het Evangelie bevatten. Parabels zijn verhalen die Jezus vertelde aan zijn leerlingen om hen te leren over het Rijk der Hemelen. Wonderen, genezingen en opwekkingen zijn de miraculeuze uitingen van Jezus’ goddelijke liefde in zijn openbaar leven.

Read More

Op aarde zoals in de hemel

207. Quatertempervrijdag van de Pinksterweek

In deze dagen van genade willen wij de Heilige Geest smeken om het inzicht dat aan het koninkrijk Gods de volstrekte voorrang toekomt boven alle tijdelijke belangen en alle aardse verlangens. Een mens die geestelijk wil leven moet van dit besef diep doordrongen zijn. Terecht vereren wij de zachtmoedigheid en de nederigheid van onze Zaligmaker. Sint Paulus spreekt over Jezus’ mildheid en matiging ( 2 Kor. 10, 1 ). De Heer heeft voor zijn eigen belang geen vinger verroerd. Hij heeft zonder één klacht geleden en de dood voor ons ondergaan. Maar wij zouden zijn geest slecht begrijpen, zo wij niet de onverbiddelijke ernst, de bovenaardse hardheid bijna, erkenden waarmee Hij de absolute heerschappij Gods, het koninkrijk van zijn Vader, op aarde verkondigde en stichtte. Jezus was geheel vervuld van de glorie van God. De alles overtreffende werkelijkheid Gods stond Hem steeds voor de geest, dáárin leefde Hij en Hij kon niet anders. Deze ijver voor Gods eer, deze passie voor zijn wil, dit geheel vervuld zijn van zijn majesteit en liefde wilde Hij ons meedelen door zijn Geest. Daardoor gelijken wij op Hem als waarachtige kinderen van onze hemelse Vader. Geduld en zachtmoedigheid jegens de mensen, maar een heilige onverdraagzaamheid ten aanzien van Gods eer en een onvermoeibare ijver voor de uitbreiding van zijn rijk moeten de leerlingen van Jezus kenmerken.

2. Denken wij slechts aan enkele van de vele woorden waarin Jezus de onaantastbare hoogheid van zijn ideaal heeft uitgesproken. Wij bidden zeer dikwijls het Onze Vader , ons door de Meester geleerd, maar zeer zelden reflecteren wij op de toevoeging: „Uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel . Vele bijbelverklaarders menen dat deze woorden ook bij de eerste twee beden moeten worden gedacht: „Uw naam worde geheiligd, uw rijk kome” . Hoe dit ook zij, zij betekenen in elk geval dat wij bidden moeten om een zo volmaakte vervulling van de goddelijke wil door ons, zwakke mensen, dat zij vergeleken kan worden met de hemelse spontaneïteit waarmee de engelen en de zaligen Gods welbehagen aanbidden en omhelzen, Jezus wil dat zijn rijk op aarde een zo volkomen mogelijke afbeelding vormt van het paradijs. Jezus wil dat zijn leerlingen een volstrekt ideaal nastreven. „Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.” „Zoekt eerst het rijk Gods.” „Wij zijn vader of moeder meer bemint dan Mij, is Mijner niet waardig.” „Wij zijn kruis niet opneemt en Mij niet volgt, is Mijner niet waardig.” Zo spreekt dezelfde Meester die voor de zondaars zijn voorkeur toonde en jegens de zwakheid van de mens eindeloze erbarming aan den dag legde. Maar in dit punt weet Hij van geen wijken …

3. Wij zingen heden in de introitus : „Mijn mond zij van uw lof vervuld, alleluja! Dat ik zingen moge, alleluja! Mijn lippen zullen jubelen als ik speel voor U, alleluja” ( Ps. 70, 8. 23 ). De Kerk vervult in haar liturgie de heiliging van Gods naam op aarde zoals in de hemel. Laten wij bedenken hoezeer voor ons, door de Heer uitverkorenen, zijn woorden allereerst gelden. Hij verwacht dat wij althans zijn geest zullen verstaan en Hem volgen in dat innerlijkste leven van zijn ziel: de volstrekte gerichtheid op God. Wij kunnen daartoe niet geraken tenzij door een grenzenloze verdieping van ons geloof welke de Heilige Geest ons schenken zal, zo wij ons standvastig toeleggen op gebed en beschouwing. Dit blijft altijd de kern van het geestelijke leven. Willen onze dagen een bepaalde en constante richting verkrijgen, dan kan dit alleen geschieden door een bepaalde visie van onze geest op de werkelijkheid. Dit zien gaat aan het doen vooraf en richt het. Liefde ontstaat door visie en liefde regeert ons leven.

„Hoe goed en zacht is uw Geest, Heer, in ons!” ( Sap. 12, 1 ; allelujavers). Hoe goed is uw Geest en hoe machtig.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)