Maand: juni 2015

Liefde in alles en boven alles

237. Vijfde Zondag na Pinksteren

De liturgie biedt ons heden weerom een wonderschone oratie. „God die onzichtbare goederen hebt bereid voor hen die U beminnen, stort uw liefde in onze harten, opdat wij U in alles en boven alles mogen liefhebben en aldus deelachtig worden aan uw beloften die alle verlangens te boven gaan.” In een ander gebed (Orationes diversae, 29) smeekt de Kerk aldus om de grote gave der liefde: „God die alle dingen dienstbaar maakt aan het welzijn van die U liefhebben, schenk onze harten het onwrikbare gevoelen van uw liefde, zodat onze verlangens, uit uw ingevingen geboren, door geen enkele beproeving aan het wankelen worden gebracht.” Lichten wij uit de zondagsoratie die éne zinnetje, dat men de klassieke formule der volmaakte liefde zou kunnen noemen: „opdat wij U in alles en boven alles mogen beminnen” .

1. Wij bidden God dat wij Hem mogen liefhebben in alles . Zo zegt ook Sint Paulus dat wij „altijd” God „voor alles” moeten danken ( Eph. 5, 20 ), en dat God „alles” ten beste leidt voor die Hem beminnen ( Rom. 8, 28 ). De christen dankt God voor alles, ook voor die zaken waarvoor een mens gewoonlijk geen danklied aanheft, want hij weet dat God bij machte is alles tot zijn heil te doen strekken, ook dat materiaal van zijn leven dat natuurlijkerwijze beoordeeld onbruikbaar moet heten, zoals mislukking, vernedering, ziekte. Voor de ongeestelijke mens loopt er dwars door alles heen een scherpe scheidingslijn die, van hemzelf uit getrokken, alle dingen in twee soorten verdeelt: aangename en onaangename, begerenswaardige en verfoeilijke, nuttige en schadelijke. De volmaakte christen kent dit onderscheid niet meer. Voor zijn eenvoud bestaat er maar één kwaad: dat wat de mens afhoudt van God. En daarom is hij ook in staat God te beminnen in alles en allen, in prettige en vervelende gebeurtenissen, in beminnelijke en onsympathieke mensen, in vriend en vijand. Het is voor de meesten gemakkelijk genoeg God in abstracto lief te hebben, als het ideale product van onze geest, loos van de werkelijkheid. Maar God is de diepe grond van alle werkelijkheid en Christus is de oudste broeder aller mensen. Het gaat er altijd om God te beminnen in de werkelijkheid van ons leven; want ook hierin openbaart zich de Heer. Wellicht is het dit wat Sint Jan bedoelt als hij schrijft: „Indien iemand zegt: „Ik heb God lief” , doch zijn broeder haat, is hij een leugenaar. Want wie zijn broeder die hij gezien heeft niet bemint, kan God niet beminnen die hij niet heeft gezien” ( 1 Joh. 4, 20 ). Wij mogen niets uitzonderen van onze liefde, omdat ook God „niets haat van hetgeen Hij gemaakt heeft” ( Wijsh. 11, 25 ).

2. Maar in alles moeten wij God beminnen, boven alles . Hierin bestaat de grote kunst der christelijke liefde dat zij, niets of niemand uitzonderend van haar genegenheid, haar hart slechts schenkt aan God alleen. Hem bemint zij bovenal in alles. Onze liefde is dus algemeen en exclusief tegelijk, alles omvattend en wijs als het heelal, en tevens als de punt van de kompasnaald enkel en alleen gericht op haar enige pool, God. En zuiver : niet vertroebeld door een verfijnd egoïsme dat altijd weer begint te rekenen van zichzelf uit. Want als de Kerk bidt dat wij mogen liefhebben boven alles, bedoelt zij toch wel allereerst: meer dan onszelf. Slechts door grote zelfverloochening geraakt de mens tot deze loutere zuiverheid des harten.

Zo stelt de Kerk ons in haar oratie het volstrekte ideaal der godsliefde voor ogen. Zij zou dit wel nauwelijks wagen, zo zij ons niet tegelijkertijd kon wijzen op Christus, God en mens, hoogste openbaring der goddelijke volmaaktheid en menselijke gestalte van menselijke liefde. In Hem wordt alles eenvoudig, in Hem wordt al het onmogelijke mogelijk. Waar onze natuur huivert en bezwijkt, vinden wij aan de voet van zijn kruis nooit versagende kracht en in zijn goddelijk Hart liefde voor liefde, zonder einde.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De navolging van Christus III Geringheid en dienstbetoon

236. Zaterdag na de Vierde Zondag na Pinksteren

„Jezus riep hen (zijn apostelen, die getwist hadden over de eerste plaatsen in zijn rijk) bij zich en zeide: „Gij weet dat de regeerders der volken heerschappij over hen voeren en hun rijksgenoten oefenen macht over hen. Zo is het onder u niet. Maar wie onder u groot wil worden, moet uw dienaar zijn en wie onder u de eerste wil wezen, moet uw knecht zijn. Gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om zich te laten dienen, maar om zelf te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” ( Mt. 20, 25-28 ).

„Laat u niet rabbi noemen; want één is uw Meester en allen zijt gij broeders. Noemt ook niemand op aarde vader, want één is uw Vader die in de hemelen is. Laat u ook niet de titel van leraar geven; want één is uw Leraar, de Christus. De grootste onder u moet uw dienaar zijn. Wie zich verheft, zal vernederd worden en wie zich vernedert, zal worden verheven” ( Mt. 23, 8-12 ).

„Neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart en gij zult rust vinden voor uwe zielen” ( Mt. 11, 29 ).

„Indien er enig beroep op u gedaan mag worden in Christus …, maakt dan mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn …, door niets uit partijzucht of ijdele glorie te doen, maar ootmoedig een ander hoger te achten dan u zelf, door niet alleen op uw eigen belang te letten, maar ook op dat van anderen bedacht te zijn. Laat deze gezindheid onder u heersen zoals u ook past in Christus Jezus …” ( Phil. 2, 1-5 ).

1. Het zou gemakkelijk zijn aan deze teksten nog andere van dezelfde strekking toe te voegen. Zij vinden alle hun hoogtepunt in het verhaal van Sint Jan , waar de Heer zijn dringende vermaning op de laatste avond van zijn sterfelijk leven kracht bijzet door die geste van roerende nederigheid, de voetwassing van zijn discipelen. „Begrijpt gij wat Ik aan u heb verricht? Gij noemt Mij Meester en Heer. Terecht; want Ik ben het. Wanneer dus Ik, de Heer en de Meester, u de voeten was, dan moet ook gij elkander de voeten wassen. Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij zoudt doen, zoals Ik u heb gedaan. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Een dienaar is niet meer dan zijn meester; een gezant niet meer dan hij die hem zond. Nu gij dit weet, zult gij ook gelukkig zijn, als gij er naar handelt” ( Joh. 13, 13-17 ).

2. Het is duidelijk, dat Jezus van ons niet enkel een innerlijke nederigheid tegenover God vraagt, maar ook een daarop gebaseerde ootmoedige en dienstvaardige houding tegenover de evenmens, overeenkomstig zijn eigen voorbeeld. Ook in dit punt zal elke echte navolging van Christus zich op welsprekende wijze uiten. En wederom zijn de levens der heiligen daar om dit te bewijzen. Van hoevelen lezen wij in het brevier, dat zij abiecta quaeque ministeria , het vuile werk, het abjecte en onaangename dienstwerk zochten zoals anderen genot najagen? En dit niet uit een ziekelijke zucht zichzelf weg te werpen of een soort minderwaardigheidsgevoelen, maar gedachtig de geboden des Heren zochten zij Hem gelijkvormig te worden die gekomen was om te dienen. Heiligheid bestaat waarachtig niet in louter idealistische innerlijkheid, maar in de gehele mens omvattende daad en leven. Wie Jezus bemint, zal zijn geboden vervullen en op Hem willen gelijken, wat het de natuur ook moge kosten. Hij neemt de woorden van de Meester aan met ernst en eerbied en gaat ze tot werkelijkheid maken in zijn eigen omstandigheden en naar de maat van zijn krachten, wetend dat God zijn zwakheid geleidelijk zal aanvullen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De navolging van Christus II Armoede

235. Vrijdag na de Vierde Zondag na Pinksteren

Wij lezen in de homilie van het evangelie op 22 Juni ( Sint Paulinus van Nola ): „Geliefden, de almachtige Heer had alle mensen even rijk kunnen maken; dan had niemand een ander nodig gehad. Maar in het raadsbesluit van zijn oneindige goedheid heeft de barmhartige en medelijdende Heer het anders beschikt om in deze dingen uw gezindheid op de proef te stellen. Hij liet het lijden toe om uw mede-lijden op te wekken; er zijn armen opdat de rijken beproefd worden. De armoede der broeders biedt uw rijkdom zijn kans, ‘ „indien gij hart hebt voor de arme en behoeftige” ’ ( Ps. 40, 2 ) en niet voor uzelf alleen behoudt wat gij slechts ontvangen hebt. Want God heeft u in deze wereld ook het deel van de arme geschonken, opdat Hij u zou kunnen danken voor hetgeen gij met spontane liefde van zijn gaven aan de behoeftigen meedeelt, en opdat Hij wederkerig u rijk zou maken met het deel van de arme in de eeuwigheid. Christus zelf immers is het die thans in de persoon der armen uw gaven ontvangt en die het u later in hun naam zal vergelden.”

Dit zijn geen schijnschone frasen van de klassicistische dichter ( Pontius Meropius Anicius Paulinus ), maar het levensprogram van een man, die zijn ontzaglijke rijkdom letterlijk onder de armen had opgedeeld en die, toen hij niets meer bezat, de zoon van een weduwe vrijkocht door zichzelf te begeven in de slavernij der Vandalen. Dit gebeurde in dezelfde tijd, dat zijn verwante, de H. Melania de Jongere , een aristocratische en onmetelijk rijke Romeinse dame, haar millioenen(en die van haar echtgenoot) met ware wellust wegschonk om zich te begraven in een kluis op de Olijfberg. „Want,” zo verhaalt haar tijdgenoot Gerontius , „de heilige zeide tot haar zalige echtgenoot en broeder: „De last der wereld drukt ons zwaar en wij kunnen niet tegelijk het lichte juk van Christus op ons nemen. Laten wij ons dus haastig van onze rijkdom ontdoen, om Christus te winnen.” De heiligen hebben altijd een zonderlinge liefde voor de armoede bezeten. Al gingen niet allen zo ver als Sint Franciscus van Assisië , die met haar een mystiek en reëel huwelijk had gesloten, en Benoît Labre , die als een schurftige bedelaar langs ’s Heren wegen zwierf, zij hebben toch zonder uitzondering, ieder op zijn eigen wijze en in zijn eigen verhoudingen, hun Meester nagevolgd, die verklaren kon, dat Hij geen plaats had om zijn hoofd neder te leggen ( Mt. 8, 20 ). Zij werden daarbij gedreven door de twee motieven, die altijd de grote drijfveren zijn van waar christelijk leven en die tenslotte samenvallen: liefde voor de naaste en liefde voor Christus. Zij waren zich levendig bewust dat hun overvloed de armen rechtens (met een christelijk recht) toekwam en zij waren geneigd de grenzen van hun eigen nooddruft steeds nauwer te trekken. In hun leven werd werkelijkheid het geloof, dat aan Christus is gegeven wat aan de minste van zijn broeders wordt geschonken. En wederom was het de liefde die hen er toe drong de Meester gelijkvormig te worden, op waarachtige wijze . Hun liefde voor de armoede had niets romantisch, maar was in hoge mate reëel, ingrijpend in hun eigen leven, luxe en comfort onverbiddelijk afsnijdend. Zij legde hun persoonlijke beperkingen op en vooral, zij bracht hun de versmading en vernedering, die in de ogen der schampere wereld met gebrek en schamele levensstaat onafscheidelijk verbonden zijn. Maar tegelijk schonk deze liefde hun de hoge, innerlijke vrijheid, „om het lichte juk van Christus op zich te nemen” .

En wij? Laat ons toch minstens alle sporen van hebzucht en gierigheid uit ons hart verwijderen. „Waar uw schat is, daar is ook uw hart.”

„Wat gij de minste der mijnen hebt gedaan, hebt gij Mij gedaan.” „Zalig de armen van geest, want hun behoort het rijk der hemelen.”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De navolging van Christus I

234. Donderdag na de Vierde Zondag na Pinksteren

„En Hij riep de menigte, met zijn leerlingen, tot zich en zeide tot hen: „Als iemand mijn volgeling wil zijn, moet hij zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen” ” ( Mk. 8, 34 ).

1. Er is niets wat ons zozeer aanspoort tot edelmoedige inspanning in de dienst des Heren en ons tegelijkertijd behoedt voor alle zelfvoldaanheid als het goddelijk ideaal als de navolging van Christus. Jezus sprak dit sterke woord „tot allen” ( Lk. 9, 24 ). Hij nodigt iedereen uit zijn rijk binnen te treden, maar het is dan ook een onontbeerlijke voorwaarde voor wie Jezus’ volgeling wil zijn, voor wie „achter Hem aan wil komen” , dat hij werkelijk bereid is Christus te volgen tot in de kruisdood om wille van het rijk Gods en het evangelie . Zo iemand moet „zichzelf verloochenen” . Dit betekent: hij moet met zichzelf geen rekening houden, niet aan zichzelf denken of toch pas op de tweede plaats aan zichzelf denken. De eerste plaats moet altijd zijn voor God en de naaste. Zo iemand moet „zijn kruis opnemen” en het zijn Meester achterna dragen, „dagelijks” ( Lk. 9, 24 ). Dan eerst gelijkt hij op Jezus die ons voorging in de kruisdood. „Het kruis opnemen” : deze uitdrukking moest in Jezus’ tijd voor zijn toehoorders het beeld oproepen van de ter dood veroordeelde die op weg was naar de vreselijke terechtstelling der kruisiging. Daarmee werd dus de mens aangeduid die door niets meer aan het aardse leven was gebonden, die alles leed en alles verloren had, die alleen nog het naakte leven bezat dat hij weldra zou afleggen. Als zo iemand moeten Jezus’ volgelingen zich beschouwen en gedragen. Zó los en bevrijd moeten zij staan tegenover al het aardse, tegenover het leven en zichzelf. Dit is de prijs van de ware navolging. Is het verwonderlijk dat Sint Paulus schrijft en „onder tranen herhaalt” : „Velen leven als vijanden van Christus’ kruis” ( Phil. 3, 18 )?

2. Dit is dus allereerst de navolging van Christus: het niet beter willen hebben dan Hij , – uit liefde. „De leerling staat niet boven zijn meester, noch de slaaf boven zijn heer” ( Mt. 10, 24 ). „Volg naakt de naakte Christus” ( Navolging van Christus ).

Eerst hij die zich blind staart op dit verheven en absolute voorbeeld, op deze norm van elk christelijk leven, begint de onmetelijke afstand te beseffen, welke hem scheidt van zijn einddoel. En alleen hij die gegrepen is door persoonlijke liefde voor zijn Meester, wiens liefde voor God vlees is geworden in de liefde tot Christus (zoals de liefde Gods zichtbaar verschenen is in Christus’ Vlees), zal zich opmaken de smalle weg te gaan die leidt tot het heil. God heeft ons geen wetten gegeven zoals aan de Joden in het Oud Verbond ; Hij heeft ons zijn Zoon geschonken, Jezus Christus, door wie „de genade en de waarheid zijn gekomen” ( Joh. 1, 17 ). Een Mens is ons gegeven, die ons liefheeft en die wij beminnen mogen en navolgen, wiens lot en leven wij mogen delen.

Het was voor de heiligen een onverdraaglijke gedachte, dat hun leven te weinig geleek op dat van hun geliefde Meester. Armoede, versmading en de dood zelf zochten zij als het grootste geluk. Hun uitzinnigheid vindt haar afdoende verklaring in een liefde, die zo sterk was, dat zij somtijds lichamelijke gelijkenis voortbracht in de wondetekenen der gestigmatiseerden. Natuurlijk zijn dit uitzonderingen, maar God heeft deze wonderen onder ons gewerkt om ons allen te tonen, hoezeer liefde de enige weg is tot ware navolging. Laat ons nog heden beginnen met simpele plichtsbetrachting en eenvoudige deugdoefeningen uit liefde voor Hem , en bidden wij God vurig om de gelijkenis met Jezus. Als zijn kinderen erkent Hij alleen hen die „gemodelleerdzijn naar het beeld van zijn Zoon” ( Rom. 8, 29 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)