Maand: juli 2015

De Mis III. Jezus’ offer ons offer

270. Vrijdag na de Negende Zondag na Pinksteren

De mis is de aanbieding aan God van het geslachtofferde Lam. De Kerk, de verzameling van het uitverkoren godsvolk te midden van een boos en overspelig geslacht, biedt dit „zuiver, heilig en onbevlekt offer” de Vader aan door de bediening van haar priesters. Het is de gave, die de Vader zelf ons heeft geschonken, want Hij heeft zijn eengeborene in de wereld gezonden om haar te redden en Hij heeft Hem niet gespaard, om ons. Tegelijk is het onze offerande, daar de Kerk ze aanbiedt door priesterhanden en wijl Jezus’ lichaam en bloed sacramenteel tegenwoordig komen onder de gedaanten van brood en wijn, vruchten van onze aarde en gaven der gelovigen. Wij bezitten aldus in de mis heel de verlossende kracht van het kruisoffer , want het verheerlijkte Lam op onze altaren is het daar als offer, het heeft de wondtekenen bewaard en gedragen voor de troon des Vaders. Altijd toont Hij God de stigmata die ons heil hebben bewerkt. De mis is tevens het hemelse offer , want „Christus, hogepriester (door het offer priesterlijk bemiddelaar) der toekomstige (hemelse) goederen, is het heiligdom (de hemel) binnengegaan door zijn eigen bloed, eens voor altijd, daar Hij een eeuwige verlossing (die niet hoeft te worden herhaald) verworven heeft” ( Hebr.9, 11. 12 ).

De Kerk stelt in de mis door haar priesters het kruisoffer tegenwoordig, datgene wat toen aan de Vader werd geofferd tot uitboeting van de zonde der wereld, Jezus’ gezegend lichaam en bloed, en teven de mateloze offerliefde, waarmee onze hogepriester en middelaar deze gave de Vader aanbood, het inwendige offer van zijn Hart, dat aan de zichtbare offergave alle waarde verleende en verleent. Want „Jezus Christus is Dezelfde, gisteren en heden en in eeuwigheid” ( Hebr.13, 8 ). Als God kan Hij geen veranderingen ondergaan. En ook zijn verheerlijkte mensheid is niet langer aan de wetten der aardse veranderlijkheid onderhevig. Zijn offer is één en eeuwig. Altijd door biedt Hij God de gave aan, die Hem behaagde en behaagt, het lichaam dat geboren werd uit de Maagd, dat alzo de zuivere en schone vrucht is van onze aarde, en de liefde voor God en de mensen die immer zijn Hart bewogen heeft en beweegt.

Hij is één met ons, Hij is één met God. Hij heeft God alles gegeven wat Hij bezat en wat Hij was; en Hij blijft dat geven op zodanige wijze, dat Hij zichzelf, de hoogste gave, in onze handen stelt, opdat wij niet met ledige handen zouden staan voor Gods troon. Hij is altijd de Zoon, die de Vader geheel is toegewend. Hoe zouden wij, dit overdenkend, lauw en verveeld de mis kunnen bijwonen? Hoe zouden wij de plicht van mishoren kunnen zien als een dwang, als alleen maar een soort uitwendig herkenningsteken van de katholiek? Hoe moet dit ons niet veeleer worden een behoefte des harten, een leven van de geest, een opgenomen worden uit het aardse? Want dit is de werkelijkheid: de mis dompelt ons geheel in het goddelijke en eeuwigblijvende, voltrekkend „het werk der verlossing” . Zo zal zij ons lijdensmoed geven en offerliefde, steun en sterkte voor elke dag. Want nogmaals, het is oneindig voornamer met Gods genade in de geest van dit mysterie in te dringen en deze geest door de dag vast te houden dan in het missaal letterlijk alle gebeden te volgen, indien dit niet met de gezindheid van Jezus’ hart in ons zou aankweken (maar natuurlijk is het volgen van het missaal een geëigend middel om deze geest te verwerven, indien ten minste dit volgen „leven” blijft en geen mechaniek wordt; dit laatste kan het geval zijn, wanneer men meent altijd alle gebeden met de priester te moeten meebidden). Het is de Geest die levend maakt, de Geest die ons met diep geloof en vurig hart aan het offer en het goddelijk offermaal doet deelnemen en de offergesteltenis in ons bewaart en vernieuwt.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De Mis II. Onze hemel op aarde

269. Donderdag na de Negende Zondag na Pinksteren

„Als er onder de dingen dezer aarde één geheel goddelijk is, iets waarom de hemelbewoners ons zouden benijden (verondersteld dat zij afgunstig konden worden), dan zou het ongetwijfeld het offer der mis zijn. Door het misoffer immers bezitten de mensen als bij voorbaat de hemel op aarde, doordat zij de Schepper van hemel en aarde bezitten en in hun handen dragen” ( Urbanus VIII ).

Onze goddelijke Zaligmaker heeft de eucharistie aan zijn Kerk nagelaten niet enkel als herinnering en tegenwoordigstelling van zijn lijden en dood, als een souvenir dat terugwijst naar het verleden en tevens werkt in het heden, maar ook als een voorsmaak der hemelse geneugten en als voorproef der hemelse aanbidding. Zo wijst ons de mis, als wij geloven, als wij haar met levend en verlicht geloof bijwonen, naar de toekomst, naar de voltooiing van het werk der verlossing. Dit zeide reeds Sint Paulus : „Zo dikwijls gij dit brood eet of de kelk de Heren drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt ( 1 Kor.11, 26 ). De viering der eucharistie moet doorhuiverd zijn van een sidderend paasverlangen, als het haastig en reisvaardig genieten van het Lam, de ogen gericht op het verre vaderland, de harten brandende van die begeerte die de Geest en de Bruid roepen doet: „Kom, Heer Jezus” , de voeten geschoeid en nauwelijks beroerd door het stof van deze wereld die voorbijgaat, wetend dat zijn komst op de wolken als een bliksem de aardse schijn zal verscheuren, wetend en ziende in de schouwing des geloofs, dat nu reeds , als wij de liturgie vieren, met het goddelijk Lam op onze altaren de hemel op aarde daalt. Wie geeft ons de ogen des geloofs om te zien, om waardig te vereren, om aanbiddend te vieren, om steeds vol liefde te herdenken dit verheven en enig offer? Wanneer de priester de mis opdraagt, als is het ook een stille viering in een smakeloos kapelletje met geen sterveling aanwezig dan een verstrooide misdienaar, dan breekt de hemel open en daalt Hij neer op onze gevloekte aarde. Jezus Christus, het verheerlijkte Lam Gods, „altijd levend om voor ons ten beste te spreken” ( Hebr.7, 25 ), rust in de handen van de priester als ons offer en onze spijze. Hij is het hoofd van het lichaam, de Kerk; Hij is de eerstgeborene van gans de schepping ( Kol.1, 15. 18 ). Hij vat in zich te samen en verheft oneindig al onze lof en al onze aanbidding. Hij vult oneindig aan al ons ontbreken en eindeloos tekortschieten. En Hij zelf is tegelijk het middelpunt der hemelse aanbidding. Aan God en het Lam brengen de tienduizendmaal tienduizenden engelen ononderbroken hulde, voor Hem vallen de oudsten neder met de gouden kronen en de gouden wierookschalen, met de witte gewaden en hun hemels speeltuig. Hem zingen de zaligen onophoudelijk het immer nieuwe lied toe. In de mis dalen de engelen op aarde en stijgen de mensen ten hemel. Wij mogen hier het psalmwoord toepassen: „Goedheid en trouw ontmoeten elkaar, gerechtigheid en vrede kusten elkaar. Trouw zal aan de aarde ontspruiten, van de hemel zal gerechtigheid neerzien. De Heer zal zijn zegen schenken en de aarde haar vrucht voortbrengen” ( Ps.84, 11-13 ). Zeggen wij God immer dank voor zijn grote gave want waarlijk, dit is passend en heilzaam. Verenigen wij ons in geloof en liefde met Jezus Christus, „onze eeuwige hogepriester naar de orde van Melchisedec , de grote herder der schapen” ( Hebr.5, 10 ; 13, 20 ), die ons aller toewijding aan God samenvat, loutert en opheft.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De Mis I. Den gedachtenis aan zijn dood

268. Woensdag na de Negende Zondag na Pinksteren

Enkele dagen voor zijn dood, in de laatste brief aan zijn geestelijkheid, schreef kardinaal Mercier : „Het is het priesterschap dat ik in u zie. Niet meer in staat zelf de mis te lezen, heb ik mij, de ganse dag door, verenigd met het misoffer dat onze hogepriester Jezus Christus elk ogenblik opdraagt door de bediening van zijn priesters, op alle altaren ter wereld. De mis kreeg in mijn ogen het karakter van een buitengewoon aangrijpende werkelijkheid, omdat het offer van Calvarie dat zij in herinnering roept, mij aldus als het ware tastbare werd en wijl God mij vergunde mij hiermede daadwerkelijker en onmiddellijker te verenigen dan gewoonlijk.”

1. Er zijn twee dingen die ons opvallen in de woorden van de grote kardinaal. Daar is vooreerst het werkelijkheidskarakter der mis. Zij is tegelijk een symbool en een realiteit, zinnebeeld en verzinnebeelde werkelijkheid. In tekenen herinnert zij aan wat de Heer deed bij het laatste avondmaal, in tekenen beeldt zij zijn zalig lijden en dood uit. Maar tegelijkertijd stellen die tekenen de werkelijkheid van Jezus’ kruisoffer tegenwoordig. Wanneer ik een goede foto bezit van mijn overleden ouders, is dat een mooie herinnering aan mijn dierbaren, een teken, maar ook niet meer dan dat. Zulk een souvenir kan helaas de werkelijkheid niet vervangen, het heeft enkel een psychologische waarde. Maar de mis is het door Christus ingestelde teken, dat de realiteit, de Heer zelf en zijn enig offer, bevat op volkomen, waarachtige wijze. De Romeinse liturgie drukt die waarheid op haar kernachtige wijze uit: „Telkens als dit herdenkingsoffer wordt gevierd, wordt het werk onzer verlossing voltrokken” (offergebed van de Zondag). Het werk der goddelijke verlossing, begonnen met Jezus’ menswording en kruisdood, wordt in ons slechts geleidelijk verwezenlijkt. De mis stelt telkens opnieuw deze goddelijke werkelijkheid, waaraan wij steeds inniger willen deelnemen, tegenwoordig: het bloed van het Lam, de verlossende liefde van zijn Hart, de schatten van zijn genade, de Geest die Hij verdiende en die Hij, verheerlijkt, zendt.

Maar deze werkelijkheid ligt in de mis nog verborgen onder diezelfde tekenen die haar bevatten; een sluier ligt over de goddelijke heerlijkheid, een sluier die het zien belet en waardoor slechts het geloof heendringt, zonder te zien. Wederom het geloof! Ach, mochten wij geloven, Heer. Hoe zouden wij de armzalige spijs die onze zinnen vinden in dat half uur van gebaren en woorden, verslinden met vurig hart, wetend, dat alle heil en alle heerlijkheid die Gij voor ons hebt bestemd, dáár schittert met een donkere en onzichtbare gloed! O aangrijpende Werkelijkheid, Jezus, Offer, priesterlijke Liefde ( amor sacerdos ), mochten onze zielen door U gegrepen zijn!

2. Wat ons ook treft in de woorden van kardinaal Mercier , is zijn getuigenis omtrent de ononderbroken vereniging met het altijddurende offer. Het offer van Jezus, dat het offer der Kerk en het onze in zich sluit, is één, immer werkzaam en als alomtegenwoordig. De talloze missen, die overal ter wereld en elk ogenblik van de dag worden opgedragen, zijn slechts één offer, dat van Christus. „Door één enkele offerande immers heeft Hij voor eeuwig de geheiligden tot volmaaktheid gebracht” ( Hebr.10, 14 ). Het offer is zijn lichaam en bloed, immer de Vader aangeboden door zijn godmenselijke liefde als losprijs voor onze zonden en telkens weer ons geschonken in het heilig gastmaal als onderpand der eeuwige glorie. En daarom mag ons meeleven met dit offer niet beperkt blijven tot die korte ogenblikken in de morgen. De minnende ziel zal de gehele dag heiligen met de innige herdenking van zijn dood, met de snelle en vurige vlucht der liefde tot haar Heer, tot het Lam, dat offer is en priesterlijke middelaar.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Gewetensonderzoek over het gebed

267. Dinsdag na de Negende Zondag na Pinksteren

„Er staat geschreven: „Mijn huis is een huis des gebeds” ( Lk.19, 46 ; evangelie van de Zondag). Nadat wij meermalen hebben gemediteerd over het wezen en de noodzakelijkheid van het gebed, willen wij ook eenmaal de zeer praktischevorm van overweging beoefenen die bestaat in het goede en geestelijke gewetensonderzoek voor het aanschijn Gods. Stellen wij ons in Gods tegenwoordigheid … Naar aanleiding van de woorden uit het evangelie willen wij ons onderzoeken omtrent de gebedsplicht.

1. Hoe verricht ik mijn gewone gebeden, morgen- en avondgebed, gebeden vóór en na het eten, vóór en na het werk? Hoe vervul ik mijn voornaamste en verhevenste gebedsplicht, — veeleer een voorrecht dan een plicht — het bijwonen van de mis, het ontvangen der heilige communie? Hoe ontvang ik het heilig sacrament der biecht? Hoe vervul ik de andere, mij door mijn staat wellicht voorgeschreven gebeden, als het bezoek bij het heilig sacrament, het gewetensonderzoek, de meditatie vooral? Beoefen ik ook andere vormen van gebed, die misschien niet strikt zijn voorgeschreven, maar door de goede geest van het christenvolk, de eeuwenlange praktijk der Kerk en de uitspraken van het kerkelijk leergezag sterk worden aanbevolen: op de eerste plaats gebeden tot deH.Maagd, vooral het rozenhoedje en de Engel des Heren, andere wijzen van heiligenverering, verering der engelen, van relikwieën, het verdienen van aflaten, het vroom gebruik van werkelijk godvruchtige bedevaarten, gebeden verbonden aan het lidmaatschap van godsdienstige verenigingen, geestelijke afzondering en retraite?

2. Onderzoeken wij onszelf vooral omtrent de wijze waarop en de geest waarin wij deze gebeden verrichten, gedachtig ’s Heren woord: „Als gij bidt, doet dan niet als de schijnheiligen, die er van houden … om door de mensen gezien te worden; voorwaar Ik zeg u: Zij hebben hun loon reeds ontvangen. Maar als gij bidt, ga dan in uw binnenkamer, sluit de deur en bid tot uw Vader in het verborgen … Als gij bidt, gebruik dan geen stortvloed van woorden, zoals de heidenen; want zij menen, dat ze om hun vele woorden verhoord worden” ( Mt.6, 5-7 ). In de evangeliën geeft Jezus zelf ons duidelijk aan, in welke geest de christenen moeten bidden: met geloof, vertrouwen, volharding. Hun gebed moet gedragen zijn door innerlijkheid. Zij moeten „altijd bidden en nooit de moed verliezen” ( Lk.18, 1 ). — Bid ik uit sleur, uit menselijk opzicht, met schijnheiligheid misschien? Bid ik met geestelijke vrijheid, zonder slaaf te worden van methoden, formules, eigen en anderer bedenksels, beseffend, dat de Geest Gods ons geen nieuw slavenjuk wil opleggen in stede van de oude wet? Bid ik met eerbied, met vertrouwen ook in dorheid, met volharding en geloof, ook als God mij niet schijnt te horen, — met liefde, Gods eer zoekend, meer dan mijn eigen vertroosting? Bid ik voor de grote belangen van Jezus’H.Hart, voor de Kerk, voor de zondaars, voor de ongelukkige wereld, – of blijf ik egocentrisch opgesloten in mijn eigen belangenkringetje? Laten wij toch zeker in het gebed allereerst het rijk Gods zoeken en zijn gerechtigheid.

3. „Bidt zonder ophouden” ( 1 Thess.5, 17 ). Schenk mij, o Jezus, op voorbede uwer Moeder, de geest van het inwendige gebed, waardoor ik immer gemakkelijker tot U, mijn oorsprong en mijn doel, kan terugkeren, — schenk mij bovenal de geest van het ware liturgische gebed, in vereniging met het gebed van uw Bruid, de Kerk, in vereniging met uw enig en immerdurend offer.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De zoetheid van Gods geboden

266. Maandag na de Negende Zondag na Pinksteren

„De verordeningen des Heren zijn rechtvaardig, verheugenis des harten; zijn oordelen zoeter dan honig en zeem. Ook uw dienaar onderhoudt ze” ( Ps.18, 9-12 ; offertorium van de Zondag).

Hoe roerend was de liefde van de vrome Israëliet voor Gods gebod. „De wet de Heren is volmaakt, een verkwikking voor de ziel. Zijn getuigenis betrouwbaar, het maakt de onnozele wijs. Zijn gebod is louter, de ogen verlichtend. Gods oordelen zijn waarheid en gerechtigheid al te gader, kostelijker dan goud …” ( Ps.18, 8-11 ). En deze uitspraak is er één uit vele. In die oude tijden, voor het farizeïsme het volk ondragelijke lasten had opgetast ( Mt.23, 4 ; Hand.15, 10 ), was het voor de rechtgeaarde Jood een lust „te zinnen op ’s Heren Wet” ; en deze belangstelling beperkte zich waarachtig niet tot enkel bespiegeling. „Ook uw dienaar onderhoudt ze.” Maar daarnevens keerde hun geest telkens terug tot de wet als tot de hoogste schoonheid. „Aan alle volkomenheid zag ik een einde, maar uw gebod is onbegrensd” ( Ps.118, 96 ).

1. Ons mag deze geestdrift voor wetten en voorschriften bevreemden en wij staan spoedig gereed met benamingen als wettische instelling, formalisme, uiterlijkheid. Ongetwijfeld bestaat er gevaar voor een dergelijke mentaliteit en het jodendom wist zich in de dagen van Jezus en Paulus hiervoor niet te vrijwaren. Wij kunnen zelfs zeggen dat er altijd kans is op uiterlijkheid en formalisme, wanneer wij het christendom te zeer zouden beschouwen als een wet of een samenstel van wetten, de mens van buiten af opgelegd. „Zo gij u door de geest laat leiden, staat gij niet langer onder de wet” ( Gal.5, 18 ). Maar wij moeten ons wachten voor een lichtvaardig en simplistisch oordeel. Wat aan de ware oudtestamentische vromen en aan figuren als Simon en Zacharias hun veneratie voor de wet ingaf, was een diepe, diepe eerbied voor de majesteit Gods en een zuivere onderwerping aan zijn eeuwige en heilige wil, die ons veeleer beschamen dan bevreemden moet. En wat óns Gods geboden te weinig doet achten en vrezen, is veelal niets dan gemakzucht en oppervlakkigheid. Oppervlakkigheid vooral, die het ons aan de onontbeerlijke en onvervangbare „vreze des Heren” doet ontbreken.

2. Zo groot was hun liefde voor Jahweh’s wet, dat zijn geboden zoeter smaakten dan honig. En ons, christenen, zouden zij zwaar vallen? Sprak de Heer onwaarheid, toen Hij zeide: „Mijn juk is zacht en mijn last is licht” ( Mt.11, 30 )?

Maar het is dwaasheid te ontkennen dat Gods wil en wet menigmaal harde offers vraagt van onze zelfzucht. Hoe wordt dan de onderhouding van ’s Heren wet een genot? Reeds oude wijsheid geeft een eerste antwoord: „Kies het beste leven; de gewoonte zal het aangenaam maken” ( Epictetus ,fragm.144). Doch groter wijsheid leert de Navolging : „Waar liefde heerst, wordt geen zwarigheid gevoeld en zo de last al drukt, wordt hij toch bemind” . Omdat de christen God liefheeft als zijn Vader, omdat de Geest van Jezus woont in zijn ziel. „Wij hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest die van God komt, opdat wij zouden beseffen wat ons door God in genade is geschonken” ( 1 Kor.2, 12 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)