Maand: augustus 2015

De twee heren

301. Maandag na de Veertiende Zondag na Pinksteren

„Niemand kan twee heren dienen. Hij zal ofwel de ene haten en de andere liefhebben ofwel zich aan de eerste hechten en de tweede minachten. Gij kunt niet tegelijk God dienen en de mammon” ( Mt.6, 24 ; evangelie van de Zondag).

1. Jezus spreekt in deze woorden een zedekundige waarheid uit van grote betekenis. Zich aanpassend aan het geestespeil van zijn toehoorders gebruikt Hij het beeld van de toenmalige slavernij die nog beslister dan de meeste dienstbetrekkingen van onze tijd de mogelijkheid uitsloot twee meesters tegelijk te dienen. Dat gáát gewoonweg niet. Het is niet een kwestie van niet mogen, het is onmógelijk. Dit is een anthropomorfistisch beeld; de Heer spreekt over uitwendige dienst aan personen, maar Hij bedoelt toch allereerst een innerlijk conflict . Het is onmogelijk dat de mens twee werkelijk onderscheiden waarden als laatste doel van zijn streven tegelijkertijd najaagt. Hij kan dat zichzelf en anderen trachten wijs te maken, maar in werkelijkheid dient hij slechts één heer, terwijl hij de andere „haat” of „minacht” . Jezus noemt hier als tegenstrijdige idealen God en het geld. Men kan deze algemene waarheid natuurlijk ook toepassen op andere dingen: God en de eigen wil, God en de eer der mensen en zo verder. Het kan ook een op zichzelf beschouwd geringe waarde zijn die zich tegenover Gods wil stelt. Dit hangt af van de concrete mens. Zo zal de een vrijwel onverschillig zijn voor geld en bezit, maar zijn wil niet dan met de grootste moeite kunnen buigen voor het gebod van zijn rechtmatige overheid, terwijl een ander weer het sterkst wordt aangetrokken door genieting en levensvreugde. God en zijn heilige wil mogen alleen het einddoel zijn van ons streven, dat zo gericht moet wezen, dat alle andere goederen daaraan in waarheid ondergeschikt worden gezien en gewild. Het gaat dus over een morele houding; onze wil moet zodanig zijn dat in een geval van conflict tussen God en het schepsel, in de beslissende keuze dus, God wordt verkozen boven al het andere, zij het met bloedend hart.

2. Deze juiste gesteltenis van de wil is het essentiële, wat God altijd van ons vraagt en wat wij Hem in alle omstandigheden kunnen aanbieden. Niet zelden immers blijft, ook waar de wil God zuiver dient, het psychologisch conflict. De wil onderwerpt zich aan God, maar het gevoel en heel ons natuurlijk wezen roepen om een andere heer, totdat de wil met Gods genade geleidelijk meester wordt van de begeerten en zo overreedt het spoor te volgen van het koninklijk besluit van onze vrijheid. Maar deze volmaakte heerschappij wordt niet zonder strijd bereikt, zolang wij op aarde leven en „de zelfzucht begeert tegen de Geest” ( Gal.5, 17 ; epistel van de Zondag). Onze Heer zelf heeft zich gewaardigd tot onze overgrote vertroosting de tweespalt te ervaren van het natuurlijke streven en het goddelijk welbehagen, toen Hij bad in de Hof: „Niet mijn wil geschiede, maar de uwe” .

Er staat echter een machtig middel tot onze beschikking om de heftigheid van dit zieleconflict gaandeweg te verminderen en God, onze enige Heer, te dienen niet enkel met moeizame wilsinspanning, doch ook van harte, in een overgave die geleidelijk alle krachten der ziel Hem met vreugde onderwerpt, niet langer alleen als plichtsvervulling, maar met bloedwarme liefde. Dit middel is het inwendig gebed. Het voortdurend innig schouwen op Gods oneindig wezen legt ten slotte beslag op de hele mens. Het dienen wordt dan zoete noodzaak en, toch wel in de allermeeste gevallen, spontane „vrucht des Geestes: liefde, vreugde, vrede” (epistel). Het zuivere gebed „vernietigt grond en wortel der zonde. Alle deugden worden er volmaakt door ontvangen en liggen er gevoelvol in besloten, zonder enige vertroebeling der intentie” (The Cloud of Unknowing).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Het rijk Gods en zijn gerechtigheid

300. Veertiende Zondag na Pinksteren

„Zoekt eerst het rijk Gods en zijn gerechtigheid en dat alles wordt u in de schoot geworpen” ( Mt.6, 33 ; communio en slot van het evangelie).

1. Er is geen woord des Heren dat dieper in onze ziel moet dringen dan dit. Vragen wij Gods genade. — Wat wij allereerst moeten zoeken, is niet iets van ons zelf, maar van God: zijn rijk en zijn gerechtigheid. De mens wordt beheerst door een bijna onuitroeibaar egoïsme. „Allen zoeken het hunne, niet de dingen van Jezus Christus,” klaagde Sint Paulus ( Phil.2, 21 ). En Sint Jan herleidt gans het rusteloos streven van de wereld tot begeerlijkheid des vleses, begeerlijkheid der ogen en hovaardij des levens ( 1 Joh.2, 16 ). De Meester zelf spreekt in het evangelie van vandaag: „Dit alles is het waarnaar de heidenen streven, voedsel, kleding, geld, genot, de tijdelijke dingen, wat de zinnen treft en bevredigt.” Jezus veroordeelt zelfs de angstige bezorgdheid om het noodzakelijke; wat dan te zeggen van de onrustige begeerte naar het overbodige, naar luxe en rijkdom? Al mogen wij ons misschien vrij achten van de grovere uitingen van hebzucht, er zijn nog zoveel fijnere vormen van egoïsme: hoogmoed, ijdelheid, huichelarij, afgunst …

Heer, maak ons hart vrij van begeerte en onrustige bezorgdheid, vervul het met het sterke en brandende verlangen naar uw heerschappij. Hoeveel gewicht hechten wij aan het vergankelijke, hoe interesseren ons de dingen van de dag, hoe onverschillig en spoedig verveeld zijn wij, als het gaat over het éne noodzakelijke!

2. „Zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid.” Hoe moeten wij het zoeken, Heer? Hoe bereiken wij dat het ons hart vervult, zódanig dat het andere ons niet meer deert? Wij willen geen ander verlangen kennen dan U te beminnen met geheel ons hart en met geheel onze ziel, want dat is uw rijk en zijn gerechtigheid in ons. Moge in ons bewaarheid worden wat uw psalmist zegt: „Zijn zielsverlangen hebt Gij vervuld, Gij hebt hem niet onthouden datgene waarom zijn lippen smeekten” ( Ps.20, 3 ). Geef ons, Heer, de zaligmakende honger en dorst naar de gerechtigheid die volgens uw eigen woord verzadigd zal worden. Neem van ons weg wat ons belet tot U te komen. Gij hebt ook gezegd: „Wij mijn leerling wil zijn, neme zijn kruis op en volge Mij.” Slechts door het kruis wordt uw rijk in ons gevestigd. Kome het, o Vader: uw naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede. Schenk ons het zuivere verlangen dat nooit te duur gekocht is. Het rijk Gods is gelijk aan een verborgen schat; slechts weinigen ontdekken hem en wie hem vinden, geven blijde hun bezit om hem te verwerven ( Mt.13, 44 ).

3. De ziel die God boven alles in bemint, is zo kostbaar in de ogen des Heren, dat ook „al het andere” haar wordt toegeworpen als een toegift (evangelie). God schenkt reeds hier op aarde honderdvoudig terug het weinige dat wij om zijnentwil prijsgeven: geestelijke weldaden waarbij het stoffelijke in het niet verzinkt, en dikwijls ook tijdelijke dingen. Denk slechts aan de ontzaglijke ondernemingen die heiligen als Teresia van Avila en Don Bosco tot stand hebben gebracht. De hemels onbezorgde mens is als Sint Franciscus van Assisië koning der schepping. „Alle goederen zijn mij tegelijk met haar (de hemelse wijsheid) ten deel gevallen” ( Sap.7, 11 ). „God leidt alles ten goed voor degenen die Hem beminnen” ( Rom.8, 28 ). Verwonderlijk is het niet; de heilige rust in God, de grond aller dingen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De onuitsprekelijke verzuchtingen

299. Zaterdag na de Dertiende Zondag na Pinksteren

Overwegen wij heden de diepzinnige tekst van Sint Paulus over het gebed in Rom.8, 26. 27 : „Eveneens komt ook de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe wij naar behoren moeten bidden. Maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij die de harten doorgrondt, Hij verstaat het zinnen van de Geest, hoe Hij namelijk voor de heiligen ten beste spreekt naar Gods wil.”

1. Dit gebed wordt geboren uit de christelijke nood. Deze nood is niet zonder hoop, zij is niet de wanhoop van het heidendom die op de bodem ligt van het atheïsme: „zonder hoop en zonder God in deze wereld” ( Eph.2, 12 ). Maar het is toch ook ontbering die hier spreekt, waaraan een diep verlangen ontspringt en het smeekgebed bij uitstek, het gebed niet enkel meer om de gaven van God maar om Hemzelf. De christen wordt gekweld door een onrust die deze aarde niet kan bevredigen. Zelfs de levenloze schepping, zegt Sint Paulus , zucht en steunt als in barensweeën. Zij roept om de voltooiing der verlossing, om de openbaring van het volmaakte kindschap. Ook wijzelf, al hebben wij door Gods genade de eerstelingen van God ontvangen, verzuchten naar dit zalige einde, zolang wij nog van God zijn gescheiden en benauwd worden door de macht der zonde en de zwakheid van het vlees. „De Geest komt onze zwakheid te hulp,” al neemt Hij haar niet weg. De nood blijft, maar de Geest in ons , die ons bij het doopsel werd geschonken, Hij helpt ons, juist door ons het bewustzijn van deze nood mee te delen, door haar te maken tot een kwellende en borende pijn, tot een leegte die roept om de volheid van God, tot de woestijn der liefde die herinnert aan het lijden van het vagevuur. De oppervlakkige en vleselijke mens leeft naast deze afgronden, zonder hun bestaan te vermoeden.

2. Want hoe zwak zijn wij! „Wij weten uit onszelf niet eens hoe wij moeten bidden noch wat wij moeten vragen. Maar de Geest zelf spreekt voor ons ten beste met onuitsprekelijke verzuchtingen.” De Geest van Christus die in ons is, bidt in ons en met ons. Zijn verzuchtingen zijn onuitsprekelijk, zegt Sint Thomas in zijn verklaring van deze plaats, om twee redenen. Omdat de begeerten die de Heilige Geest in onze ziel ontsteekt, een onzegbaar voorwerp betreffen, de eeuwige zaligheid; en ook omdat deze bewegingen en aandoeningen van ons hart zelf onuitsprekelijk zijn. De menselijke neerslag van Gods werking vermogen wij enigermate te begrijpen; maar aan de bron, bij het raakpunt van de Geest en de ziel, zijn deze gebeden voorzover ze wezenlijk echt zijn, een mysterie. Doch al is wat aldus in onszelf uit de Geest wordt geboren, onuitsprekelijk, een geheim dat wijzelf niet verstaan, God verstaat het. „Hij die de harten doorgrondt, Hij kent de zinnen van de Geest.” En Hij verhoort het gebed, dat zijn Geest in ons verwekte, door het verlangen naar Hem nog dieper en zuiverder te maken.

2. Sint Paulus spreekt hier over een volmaakt gebed. Maar laten wij niet vergeten dat hij over het christelijke gebed bij uistek bedoelt te spreken, dus over iets wat christelijk normaal genoemd kan worden en onder ons gewoon zou moeten zijn. Wij allen hebben de Geest Gods ontvangen, wij allen staan in de nood der (betrekkelijke) onverlostheid, wij bezitten nog slechts de eerstelingen van Gods gaven. Maar niet allen zijn wij ons van deze werkelijkheden bewust. Wij zien hieruit dat twee dingen vooral noodzakelijk zijn om te geraken tot dit echt christelijke gebed, dat meer het werk is van Gods Geest dan van onze geest. Wij moeten op de eerste plaats die christelijke nood willen beseffen ; dat betekent praktisch: wij mogen de partiële en in wezen alleen maar verwijzende bevrediging die de schepselen ons schenken, niet zoeken als onze laatste en eigenlijke bestemming. Wij moeten onszelf onthechten en aldus er toe bijdragen dat die nood ons bewust wordt. En vervolgens, wij moeten leren passief te worden. Wij mogen niet menen dat wij bij het gebed de voornaamsten zijn. Wij moeten God de kans geven zijn werk te doen. Wij moeten leerzaam en gewillig worden jegens de zoete Gast der ziel, in diepe ingetogenheid en rust.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Mensenwerk in de dingen van God

298. Vrijdag na de Dertiende Zondag na Pinksteren

„En de Heer sprak: „Wijl dit volk tot Mij nadert met zijn mond en Mij eert met de lippen, maar zijn hart ver van Mij verwijderd houdt en hun godsvrucht een aangeleerde les van mensen is, daarom blijf Ik wonderlijk handelen met dit volk, wonderbaar en op wondere wijze en de wijsheid zijner wijzen zal vergaan en het verstand van hun verstandigen zal verdwijnen” ( Is.29, 13. 14 ).

1. Jezus haalde de eerste helft van deze profetische woorden aan om ze toe te passen op de farizeeërs van zijn tijd ( Mt.15, 8 = = Mk.7, 6 ). Wederom geldt: het farizeïsme is van alle tijden, al zal het zich niet altijd uiten in de hatelijke vormen welke Jezus hekelde. De formule van Isaias is niet te verbeteren: „dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij; hun godsdienst is een les van mensen, aangeleerd” . Er is niets wat de ware godsdienst meer afbreuk doet dan deze houding van onechte vromen. Er is te veel mensenwerk in de godsdienst. Tot zekere hoogte is dit onvermijdelijk, zolang mensen mensen blijven. Maar dat men, in het voetspoor der oude farizeeërs, zijn menselijke bedenksels als goddelijk maaksel aanprijst, dat men in feite meer waarde hecht aan zuiver menselijk gevonden devotie-oefeningen dan aan de christelijke deugden van rechtvaardigheid, sociale gerechtigheid en naastenliefde, dat men profiterend van zijn overheidspositie eigendunkelijk gaat opereren met Gods wil als droeg men die in zijn zak, dat men zijn doodgewone menselijke eigen zin of intriges durft proclameren tot goddelijk welbehagen, — dat alles is ten enen male verfoeilijk. Dergelijke lieden geven veel groter ergernis dan de door hen zo verachte gewone zondaars. De zonde van het vlees is de zwakheid die men van mensen kan verwachten, maar dat officiële vromen van de vroomheid misbruik maken om hun hebzucht en machtswellust te camoufleren compromitteert in de ogen van buitenstaanders de zaak van God zelf en legt aan ware vromen niet zelden een bijna ondraaglijk kruis op.

2. Dikwijls zullen de uitingen van lippencultus en profane gezindheid onder ons niet zó ergerlijk zijn. Toch is er voor allen reden zich af te vragen of hun godsdienst geen elementen bevat van de „aangeleerde les van mensen” . De mens, vooral de vrome, heeft de onuitroeibare neiging zich vast te leggen op oefeningen en vormen, die toch grotendeels van menselijke oorsprong zijn, niet een „aanplanting die de hemelse Vader heeft geplant” ( Mt.15, 13 ). Anderzijds zijn, zolang wij op aarde, aardse mensen, verblijven, vrome praktijken, regels en orde noodzakelijk om de dienst des Heren niet te laten verwateren tot wankel gevoelswerk. Het is zaak ook hier het juiste midden te houden en vooral de rechte opvatting te bewaren in de dingen van God. Al te veel „oefeningen” laten ons vanwege de bomen het bos niet meer zien. Een vals verstane „aanbidding in geest en waarheid” leidt er niet zelden toe dat men helemaal niet meer bidt.

Ware vroomheid eist een krachtige en volgehouden inspanning van de wil, eist ook onthechting en zelfverloochening, — maar tegelijk de praktischeerkenning van de goddelijke genade, van Gods werk , als de voornaamste factor in onze verhouding tot Hem. „Indien er een wet was gegeven die levend kon maken, dan zou inderdaad uit een wet de gerechtigheid (het heil) voortgekomen zijn” ( Gal.3, 21 ; epistel van de Zondag). Maar het is nooit de onderhouding van de wet alléén die het heil schenkt; want wetsonderhouding alléén blijft mensenwerk, ook in het christendom. Wij worden slechts gered door Gods goedertierende genade, door zijn Geest ons in het doopsel om niet geschonken, die ons in liefde en rechte gezindheid zijn wetten doet onderhouden. En dan nog schieten wij talloze malen te kort en behoeven wij voortdurend Gods barmhartigheid die Hij de nederigen gaarne betoont. „Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden (door God)” ( Mt.5, 6 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De goddelijke deugden

297. Donderdag na de Dertiende Zondag na Pinksteren

„Almachtige, eeuwige God, geef ons vermeerdering van geloof, hoop en liefde, — doe ons uw geboden beminnen opdat wij uw beloften verwerven” (oratie van de Zondag).

1. Wij bidden om vermeerdering der drie goddelijke deugden. Zij zijn op aarde ons hoogste goed, want deze deugden zijn als geestelijke vermogens waardoor de christen rechtstreeks met God in contact kan treden. Wij geloven in God, die wij eenmaal hopen te bezitten en die wij immer beminnen willen, ook in onze broeders en zusters. Die deugden zijn onze hemel op aarde; hun volmaakte beoefening zou van dit tranendal een paradijs maken, daar zij de bron zijn van alle goede werkzaamheid. Wonderen en buitengewone gaven zijn van een lagere orde, zegt Sint Paulus : „nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de grootste van deze is de liefde” ( 1 Kor.13, 13 ). En Augustinus aarzelt niet te schrijven: „De mens die steunt op het geloof, de hoop en de liefde en op die rotsen bouwt, heeft de lezing der H.Schrift niet nodig tenzij om anderen te onderrichten, (en de bijbellezing is juist hierom van onschatbare waarde, omdat zij, goed verricht, de goddelijke deugden in ons vermeerdert). Ook zijn er velen die in de eenzaamheid die deugden beoefenen zonder boeken te lezen. Mij dunkt, dat bij hen reeds in vervulling ging wat gezegd werd: „De profetieën zullen wegvallen, de tongen zullen zwijgen, de kennis zal vergaan” (De doctr. christ.I, 37).

2. De liefde is de grootste, want zij blijft in eeuwigheid, zij alleen. Het geloof maakt plaats voor het aanschouwen, de hoop voor het gelukzalig, nimmer eindigend bezit. Maar een rechte liefde is hier niet mogelijk zonder het geloof dat ons voorlicht, en de hoop die ons doet uithouden in duisternis en droefheid. Daarom spreekt de Kerk in de tweede helft der oratie over Gods geboden en beloften: „Gods geboden beminnen om zijn beloften te verwerven” . Het geloof toont ons wat God gebiedt, laat ons in alle omstandigheden des levens zien wat God van ons verlangt. De hoop verwacht zonder wankelen de vervulling van zijn beloften. En de liefde onderhoudt de geboden niet alleen, maar „bemint” ze. Liefde is méér dan gehoorzaamheid. „Barmhartigheid wil Ik, geen offerande” ( Mt.9, 13 ). Gehoorzaamheid zonder liefde is het kenmerk van de slaaf; maar wij hebben niet de geest van slavernij ontvangen om terug te vallen in de vrees, doch de geest van kindschap waardoor wij roepen: Abba , Vader!” ( Rom.8, 15 ).

3. Zend ons, Heer, uw Geest, dat is, schenk ons toename van geloof, hoop en liefde. Zij alleen maken ons leven dragelijk, zij maken het schoon en vruchtbaar. Want uit deze deugden, uit deze uwe godsgaven geboren wordt, heeft eeuwigheidswaarde. Eén daad van zuivere liefde is meer waard dan het stoffelijk heelal en alle scherpzinnigheid van engelen en mensen. Geloof en hoop verlichten ons en wijzen de weg, zij geven ons de heilige onbevredigdheid en een diep en zuiver verlangen naar U, ons hoogste goed. „Wat bezit ik in de hemel en wat verlang ik op aarde buiten U? Mijn vlees en mijn hart bezwijkt: Gij zijt mijns harten God en mijn deel voor eeuwig” ( Ps.72, 25. 26 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)