Maand: september 2015

De ene, allerhoogste Godheid deelachtig

331. Woensdag na de Achttiende Zondag na Pinksteren

„O God, gij maakt ons door de verheven uitwisseling der gaven die zich bij het offer voltrekt, aan de ene, hoogste godheid deelachtig. Wij bidden U: zoals wij uw waarheid erkennen, zo laat ons haar eveneens door een waardige levenswandel tot ons eigendom maken” (offergebed der zondagsmis).

1. Nu de eucharistische en liturgische herleving der laatste decennia zo gelukkige vruchten oogst, mogen wij aan de schatten die het Romeinse missaal onder zijn sobere en ingehouden bewoordingen bijna verbergt, niet langer achteloos voorbijgaan. Op het effen, waardige grijs der secreta flonkert ineens zulk een parel als „deelachtig aan de ene, allerhoogste godheid” . Zo staat het daar en zo is de werkelijkheid. Als wij, christenen, onze waarde en waardigheid slechts wilden erkennen ….

Sint Jan spreekt bij voorkeur van het eeuwige leven dat ons is geschonken. Het is eeuwig omdat het goddelijk is. Sint Petrus schrijft: „Gij hebt deel aan de goddelijke natuur” ( 2 Petr.1, 4 ). Dit is een mysterie. „De wereld kent ons niet, omdat zij Hem net kent” ( 1 Joh.3, 1 ). Wij kennen onszelf niet, maar „wij hebben de liefde gekend en geloofd die God ons toedraagt” ( 1 Joh.4, 16 ). Al is het niet mogelijk de genade Gods die ons in Christus Jezus werd gegeven te begrijpen en in menselijke woorden volkomen uit te drukken, het geloof dringt tot deze werkelijkheid door en de liefde ervaart haar.

Door de deelname aan het offer wordt deze goddelijke gemeenschap vernieuwd en verinnigd. In de mis is de christelijke werkelijkheid als in een brand- en kernpunt samengevat: de herinnering aan het lijden en het uitzien naar de onvergankelijke heerlijkheid, de vrucht der verlossing en het zijn in Christus, de gave aan God en de gave aan de mens, de eenheid der christenen en de verzoening der wereld.

2. De mis is op zichzelf genomen van onbegrensde waarde. De sacramenten geven genade ex opere operate , door eigen kracht. Maar deze gaven Gods schenken het eeuwige leven niet zomaar vanzelf. Hoe komt het dat eenzelfde misoffer in een heilige en nederige ziel rijke vruchten van genade werkt, bij een ander weinige of geen, terwijl wellicht een derde door onwaardige communie zijn zondeschuld vergroot? Een kind kent uit zijn catechismus het antwoord op deze vraag: de genadewerking der sacramenten beantwoordt, al wordt zij er niet door veroorzaakt, aan de gesteltenis van hem die ze ontvangt. Deze eenvoudige waarheid is van ontzaglijk practisch belang, vooral in tijden van veelvuldig ontvangen van sacramenten. Ook hier geldt: het getal heeft op zich geen waarde, tenzij er mee samengaat een vermeerdering van kwaliteit (en verhoging van kwaliteit en zuiverheid van mening worden juist verzekerd door het waardig ontvangen der sacramenten: hier bestaat een wisselwerking). Het is daarom dat een zo grondig kenner van het geestelijke leven als Marmion het beginsel kan opstellen: „Als regel hangt onze vooruitgang in de goddelijke liefde practisch af van ons gebedsleven” . Want niets is beter in staat ons voor te bereiden op het waardig en vruchtbaar ontvangen der sacramenten en het eerbiedig bijwonen der mis dan het inwendig gebed en de geest van het gebed. De oude spreuk is hier van toepassing: al wat wij ontvangen neemt onze maat aan. Gods genade is mateloos en louter, maar het vat dat haar opneemt is beperkt en onzuiver.

Wat is het eeuwige leven? Dat zij U kennen en Hem die Gij gezonden hebt, Jezus Christus ( Joh.17, 3 ). Kan zulk een gave automatisch en als van buiten af, als een stoffelijk cadeau, worden ontvangen? „God is een geest en wie Hem aanbidden, moeten in geest en waarheid aanbidden” ( Joh.4, 24 ). Het gebed reinigt onze geest en verenigt hem met God.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De grote genade

329. Maandag na de Achttiende Zondag na Pinksteren

„De genade Gods die u in Cnristus Jezus geschonken is …” ( 1 Kor.1, 4 ; epistel van de Zondag).

De grote genade die Gods barmhartigheid ons mensen heeft bewezen, de genade vóór en boven alle andere genaden, is de Heer Jezus Christus zelf. „De wet is door Moses gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen” ( Joh.1, 17 ). En dit niet enkel omdat Hij de bron is van alle genaden die Hij door zijn lijden en dood voor ons heeft verdiend en, verheerlijkt zetelend aan Gods rechterhand, door zijn Geest ons meedeelt, — maar ook omdat in zijn persoon, door het onuitsprekelijk geheim der menswording, God zich op ongekende wijze heeft geopenbaard aan de wereld en zich met de mensheid heeft verenigd . Het is waar dat de mens God kennen kan, zij het zeer onvolmaakt, zonder openbaring. Maar hoe in feite de mensheid buiten Christus over God denkt, leert ons de droevige geschiedenis van het heidendom aller eeuwen en de niet minder droevige ervaring van onze eigen tijd. „Ik ben de weg, de waarheid en het leven” ( Joh.14, 6 ). Hij is de weg tot God, omat Hijzelf God is en waarachtig mens. Alleen in het rechtzinnige geloof, in de katholieke opvatting van het grote dogma omtrent de persoon van Jezus Christus, komt deze waarheid tot haar recht. Jezus is niet enkel een groot profeet, een verheven leraar, in wie „het goddelijke zich bewust is geworden” ; Hij is God. Maar tevens is Hij waarachtig mens; „want wij hebben geen Hogepriester die onze zwakheden niet meevoelen kan, maar een die bekoord werd geheel op dezelfde wijze als wij, behoudens de zonde” ( Hebr.4, 15 ).

De menswording van het Woord is de daad van Gods overgrote liefde die ons immer met sprakeloze verwondering moest vervullen, het wonder der goddelijke liefde waarvoor wij Hem nooit genoeg kunnen danken en loven. God spreekt onze taal; God draagt ons gelaat. Hij heeft zich gesteld binnen het bereik van onze zinnen, van ons gevoel en onze verbeelding. „Hem hebben onze handen betast” ( 1 Joh.1, 1 ).

Hij heeft onze povere menselijke maat aangenomen. Hij is mens geworden en in waarheid „menselijk” . Wij kunnen Hem verstaan: wij kunnen van Hem houden zoals wij een dierbaar mens beminnen. Wij kunnen wenen om zijn verdriet, Hem troosten in zijn onbegrepen eenzaamheid. Sinds Hij leefde onder ons, weten wij hoe een mens voor God moet leven. De alledaagse dingen zijn geheiligd door Hem, de arbeid en de verpozing, het brood en het water …. Nog zijn alle kinderen gemerkt met de zegen van zijn omhelzing. De vogelen des hemels en de bloemen van het veld herinneren ons aan Hem. Het raadsel van het lijden is door Hem opgelost en alle kwaad bij voorbaat geboet door zijn dood. Alle mensen der aarde (ach, ook de ongelukkigsten, want verworpenen kent alleen de hel) dragen Gods gelaat voor Hem.

En Hij is God. Hij is niet de mens, de wijze en de heilige, die onze nood alleen maar verstaat of medevoelt en mede-lijdt. Hij is het die redden kan van alle nood. Die al onze verlangens vervult (en oneindig overtreft en daarom dikwijls schijnbaar niet vervult), die al onze idealen verwerkelijkt en te bovengaat. Er is geen grens aan Hem die onze begrenzing heeft aangenomen. Hij is de verzoening van alle tegenstellingen, de eenheid boven alle verdeeldheid, het begin van alles en het volstrekte einde, de zee van oneindige ¨vrede, de oceaan der zaligheid.

Geef ons allen, zoete Heer Jezus Christus, sterke God, het geloof in U. Wie die waarachtig in U gelooft, zou U niet beminnen boven alles? Wie die U kent zoals Gij zijt, zou uw naam niet verkondigen tot het einde der wereld? „Maar ook de zijnen ontvingen Hem niet. Doch allen die Hem ontvingen, gaf Hij de macht kinderen Gods te worden, aan allen die in zijn naam geloven ( Joh.1, 12 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Vertrouw, mijn kind

328. Achttiende Zondag na Pinksteren

Het evangelie van vandaag ( Mt.9, 1-8 ) geeft ons in al zijn kortheid een indrukwekkend beeld van Jezus’ bovenaardse macht en majesteit. Die tekst is daarom zeer geschikt de voornaamste les te vormen van de zondagsliturgie. De hoogmis is het hoogtepunt in het leven der Kerk. De Heer zelf is dan tegenwoordig met de zijnen onder de sacramentele tekenen van het offer, maar Hij openbaart zich ook door zijn Geest in het woord Gods, dat blijft in eeuwigheid.

1. Het evangelie verhaalt de genezing van een lamme, die men op een draagbaar of rustbed voor Jezus’ voeten had neergelaten (door het dak nog wel), terwijl Hij, van alle kanten door de menigte omgeven, de boodschap van het rijk Gods verkondigde. Maar vóór de man door Jezus werd genezen vond er iets anders plaats. „Hun vertrouwvol geloof ziende zie Hij tot de lamme: „Schep moed, kind, je zonden zijn vergeven!” Dit was ongehoord. Wonderbare genezingen kon men nog enigszins verdragen; men moest ze trouwens wel verdragen; feiten die voor ieders oog plaats grepen vielen niet te ontkennen. Daar kon men hoogstens een valse verklaring aan trachten te geven. Maar deze pretentie, waaraan geen profeet ooit had gedacht: zonden te willen vergeven! Dat kon God alleen. En daarom staat er: „enkele schriftgeleerden dachten bij zichzelf: „Deze man lastert God” . Maar Jezus doorzag hun gedachten. En Hij geeft nu aan zijn daad van barmhartigheid jegens de ongelukkige invalide uitdrukkelijk een hogere zin: het wonder moet voor die onwilligen bewijzen dat Hij wel degelijk als door God gezonden messias „op aarde” de macht bezit de zonden te vergeven. Het was op zichzelf genomen even gemakkelijk (of moeilijk) te zeggen: „Uw zonden zijn u vergeven” , als: „Sta op en wandel” . Maar wie het laatste zei kon niet bedriegen, daar eenieder kon constateren of hij met macht en recht zo had gesproken. „En Hij zei tot de lamme: „Sta op, neem zelf dat bed op een loop naar je huis.” En hij stond op en liep naar huis. Toen de mensen dit zagen, kwamen zij diep onder de indruk en zij verheerlijkten God die zulk een macht aan mensen had gegeven.”

2. Ook wij verheerlijken God vol ontzag in de liturgie van de kerk. Ook wij verheerlijken God allereerst en allermeest om zijn genade ons in Christus geschonken. Jezus openbaart zich in het evangelie aan ons als Degene die harten en nieren doorgrondt, die ons doorschouwt, die ons kent tot op de bodem van ons wezen. Hij ontmaskert de geheimste gedachten van zijn tegenstanders. En wederom geeft Hij zich te kennen als Degene die souverein heerst over de krachten van de natuur en van het leven. Hij geneest door zijn woord alleen, in één ogenblik herstelt Hij het lichaam in zijn oorspronkelijke ongeschondenheid. En bovenal bewijst Hij aan wie hun hart niet voor de openbaring sluiten, dat Hij de macht bezit die beschikt over het eeuwige leven. Door de vergiffenis der zonden te schenken toont Hij ons dat al de wonderen van genezing en opwekking ten leven die het evangelie verhaalt eigenlijk slechts zinnebeelden zijn van de oneindig hogere macht die in waarheid aan God alleen toekomt.

3. Wat wordt ons hier gevraagd? Niets dan dat ook wij „vertrouwen en geloven” . Ook wij komen bij Christus met zonden beladen en met onedele gedachten vervuld. Ook aan ons hart knaagt afgunst. Ook ons verlamt wantrouwen en kleinmoedigheid. Jezus die de harten doorgrondt moet ook bij ons geloof kunnen zien. Dan spreekt Hij ook tot mij: „Schep moed, kind, je zonden zijn vergeven” . Geloof wordt van ons gevraagd. Denk niet dat het weinig is. Denk niet dat vertrouwen gemakkelijk is of onbelangrijk, omdat wij menen door gebrek aan vertrouwen niet licht een grote zonde te bedrijven. Men kan zeggen: gebrek aan vertrouwen is onze enige zonde tegen Jezus. Voor al het andere geldt: Schep moed, kind. Maar voor dit kwaad is geen kruid gewassen.

Bidden wij om geloof in de Heer voor onszelf en voor allen die staan in een wereld, die van God verlaten schijnt, die zelf de natuur meent te beheersen, die de zonde niet telt en voor wie de macht om haar te vergeven een volkomen zinloze formule is geworden.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Het grote gebod

325. donderdag na de Zeventiende Zondag na Pinksteren

„Bemin de Heer, uw God, met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met geheel uw verstand” ( Mt.22, 37 ; evangelie van de Zondag).

Dit gebod is het grootste gebod zowel van het Oude als van het Nieuwe Testament en de grondslag van heel de godsdienst. Jezus heeft het overgenomen uit de oude Wet . Hij heeft het niet voor het eerst uitgevaardigd. Hij heeft het niet eens gewijzigd maar het door de openbaring van de Vader die Hij bracht en door zijn eigen voorbeeld tot volkomenheid gevoerd. In dit gebod wordt de mens de godsliefde als zijn eerste plicht opgelegd en wordt bijzondere nadruk gegeven aan het karakter van totaliteit dat deze liefde moet bezitten. Zij legt beslag op de gehele mens en al zijn vermogen.

1. Bemin de Heer, uw God, met geheel uw hart . Dit betekent allereerst dat onze liefde voor God waarachtige liefde moet zijn die voortkomt uit het hart. God vraagt van ons gehoorzaamheid, eerbied, aanbidding, lof. Vóór alles vraagt Hij liefde: de beweging van ons gemoed en de geneigdheid van onze wil die ons aan onszelf ontrukken, die ons streven leiden in de richting van een ander, die die ander, niet onszelf, tot het middelpunt maken van ons denken en doen, tot de oorzaak van onze vreugde of smart. Die ander moet voor de christen God zijn. Beantwoordt mijn verhouding tot God enigermate aan deze beschrijving? Gaan mijn gedachten en verlangens spontaan uit naar Hem? Kan ik pijn gevoelen om Hem? En vreugde om God en in God? Word ik ooit aangegrepen door de diepe begeerte bij Hem te zijn? Weet ik met een niet te beredeneren zekerheid dat Hij alleen mijn geluk is? Of verdient datgene wat mij bindt aan God de schone naam van liefde niet? Wordt mijn betrekking tot God allermeest gekenmerkt door een vage vrees? Of door een soort dwang? Wordt ze beheerst door gewoonte, door menselijk opzicht, niet door iets dat innerlijk leeft in mij? Dan ontbreekt er veel aan mijn liefde van ganser harte.

2. Bemin de Heer, uw God, met geheel uw ziel . Hier vraagt Jezus nog meer dan de liefde van heel het hart. Deze eis boort dieper. Door de ziel immers leven wij; zij is het beginsel van ons leven, de bron waaraan al onze levensverrichtingen ontspringen. De liefde tot God moet zo dicht mogelijk liggen aan de oorsprong van ons leven. Zij moet tot de kern van ons wezen zijn doorgedrongen. Vanuit dat middelpunt moet zij alles beheersen en naar alle zijden uitvloeien.

Meen niet dat dit te veel is gevraagd. God zelf is in dit centrum van ons wezen tegenwoordig. Hij houdt het door zijn macht in stand. Zijn genade overstroomt het met liefde. Hij beheerst ons binnenste heiligdom oneindig meer dan wijzelf. De ziel die inkeert tot zichzelf vindt God aanwezig in zichzelf. Hier zien wij het grote en noodzakelijke verband dat er bestaat tussen de liefde en het inwendig gebed. Dit gebed is niets anders dan een „oefening” om zichzelf steeds meer in liefde gevangen te geven aan de Liefde die in het diepst van onze ziel tegenwoordig is. Tracht ik zo God te vinden in mijzelf en aldus Hem te beminnen met geheel mijn ziel?

3. Bemin de Heer, uw God, met geheel uw verstand . De liefe die God van ons vraagt gaat ons verstand te boven, maar zij is niet in strijd met ons verstand. Zij wordt niet geregeld door de eisen van het nuchtere mensenverstand, maar zij eist dat het verstand zich in haar dienst stelt. Zij bestaat niet enkel in gevoel of emotionaliteit (al kunnen ook deze tot haar gevolg behoren). Zij vraagt aan het verstand de tucht te herstellen in de lagere regionen om zelf vrij te kunnen zijn voor God: zelfbeheersing, ascese. Maar bovenal beminnen wij God met heel ons verstand, omdat de christen zich laat leiden door het geloof . Het geloof is de gids van onze liefde, de enige gids, die zij volgt in licht en duisternis. En de liefde van haar kant scherpt het zicht van het geloof. Want niemand ziet helder in dit leven die niet bemint.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)