Maand: oktober 2015

Oogappel van Jezus’ geboden

362. Zaterdag na de Twee en twintigste Zondag na Pinksteren

Zo mogen wij de naastenliefde noemen. Wij herinneren ons zonder moeite de vele woorden van de Zaligmaker en van de Schrift , waarin ons die liefde wordt aanbevolen als het kenmerk bij uitstek van de christen en waarover wij in de loop van het jaar meermalen nadachten. Deze liefde richt zich in de eerste plaats tot de broeders en zusters in Christus, maar dan ook tot alle mensen, onze vijanden niet uitgezonderd. Gisteren hebben wij ons bezonnen op onze verhouding tot de „schepselen” . Onder deze nemen de mensen de voornaamste plaats in. Willen wij de klippen vermijden waartussen als een hoge top de volmaaktheid oprijst, dan moeten wij onze naasten van harte beminnen en tevens op bovennatuurlijke wijze. Als onze onderscheiding van de twee soorten mensen enig bestaansrecht heeft, dan moet hun onderscheid zeker blijken in het punt van de naastenliefde. De eerste groep, de meerderheid, die al te gemakkelijk het hart voor het geschapene wijd openzet, zal ook zonder moeite de naasten, althans velen van hen, beminnen, maar op al te menselijke wijze, niet waarachtig in Christus. En de minderheid, zij wie een wat hooghartige afgezonderdheid van de massa niet zwaar valt, zullen dikwijls in ’t geheel niet aan de liefde voor anderen, welke dan ook, toekomen. Het ideaal dat Jezus ons als zijn gebod voorhoudt bestaat in de onvoorwaardelijke liefde jegens allen, om wille van Hem. Maar dan toch allereerst in liefde, in affectieve en werkdadige goedheid. Zou men moeten kiezen tussen ongezuiverde goedheid en zindelijke hooghartigheid, dan zou, geloof ik, de keus in Jezus’ geest niet moeilijk zijn. Wie eenvoudig en echt goed is voor een ander moet zich om de beweegredenen van zijn goedheid het hoofd maar niet breken.

O zeker, het motief bepaalt de zedelijke waarde van onze daden en wij willen al dan niet verkapte eigenbaat mijden als een gevaarlijke ziekte. Maar ik zeg: wie eenvoudig en echt goed is voor een ander. Eenvoudig, dus zonder bijgedachten en achterbakse motieven, en echt, dus onbaatzuchtig, het waarachtig geluk van de ander nastrevend. Is het alleen maar ijver voor Gods eer die ons een naaste doet vermijden? Denken wij werkelijk een ander te verbeteren door hem, als overste of hoe dan ook, uit de hoogte te bejegenen? Weten wij zo zeker dat het liefde is die ons drijft tot hardheid en straf? Ik geloof dat, vooral onder religieus en theologisch gevormde personen, het onderscheid tussen natuurlijke en bovennatuurlijke liefde, hoe juist het theoretisch moge zijn, niet altijd vruchtbaar werkt. Laten wij niet vergeten dat ook bovennatuurlijke naastenliefde vóór alles liefde is en dat, uitzonderingen daargelaten, vriendelijkheid en goedheid de normale uitingen van liefde zijn.

Maar zonder twijfel geldt ook bij deze materie dat hoe zuiverder het motief is des te waarachtiger de deugd zal zijn. Het is evenwel niet heilzaam beweegreden en daad te zeer van elkaar te onderscheiden; zij vormen immers een natuurlijke eenheid. Wie werkelijk tracht voor iedereen, die hij ontmoet goed te zijn, zal wel bemerken dat hem dit alleen zal gelukken in de kracht en de liefde van Christus. Hij zal ervaren dat de christen die zijn medemensen eerlijk liefheeft, dit doet om Christus’ wil, ook al zal hij zich daarvan niet altijd bewust zijn. „Wat gij de minste der mijnen doet, hebt gij Mij gedaan.” En hij zal ook iets ondervinden van de waarheid van het psalmwoord dat wij zongen in het graduale van de Zondag: „O, hoe goed en hoe lieflijk als broeders eendrachtig te samen wonen! Als kostelijke olie op het hoofd, die neerdruipt in de baard, de baard van Aäron ( Ps.132, 1. 2 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Wat God toekomt en de keizer

361. Vrijdag na de Twee en twintigste Zondag na Pinksteren

Het is nuttig in onze overdenkingen terug te keren tot het woord van de Zaligmaker dat wij reeds overwogen: „Geeft aan de keizer wat de keizer en aan God wat God toekomt” ( Mt.22, 21 ). Dit door Christus gestelde beginsel mogen wij toepassen op vraagstukken van meer algemene aard dan de omstandigheden waarin het werd uitgesproken. Men kan het namelijk beschouwen als een gedragslijn die onze verhouding ten overstaan van de schepselen moet bepalen. Er zijn dingen waarvan het aanstonds duidelijk is dat ze alleen aan God toebehoren, alles wat met de godsdienst te maken heeft, zoals aanbidding, eredienst, gebed, in één woord, alles wat samenhangt met en rechtstreeks voortvloeit uit de innerlijke overgave des harten, die een christen voorbehoudt aan God alleen. Daarnaast zijn er dingen „van de keizer” , zoals de plichten jegens de staat en de aardse gemeenschap. Maar wij kunnen hierbij niet blijven staan, want in de eerste plaats zijn er vele gebieden waarin de verplichtingen jegens God en die jegens de keizer elkander kruisen, en vervolgens (en vooral) aan God komt eigenlijk alles toe. Ook onze cijns aan de mensen, ook wat wij aan de keizer geven, moeten wij zó geven dat het God niet wordt onttrokken. Onze verhouding ten opzichte van de geschapen waarden moet zo zijn dat zij geen afbreuk doet aan de primaire, alles doordringende en alles beheersende verhouding tot God. Want dit staat vast (voor ons): gij zult de Heer, uw God, beminnen met geheel uw ziel en met al uw krachten. Dit betekent immers niet enkel dat de liefde voor God onze eerste en voornaamste plicht is, maar in een zekere zin de enige en totale plicht, in deze zin namelijk dat al ons handelen ten opzichte van de schepselen toch altijd en tegelijkertijd op enigerlie wijze een beminnen van God moet zijn, met alle krachten der ziel.

Hier schuilt de moeilijkheid. Het is zonder twijfel Gods wil dat wij onze aardse plichten van harte en metterdaad vervullen, dat wij tegenover de schepping een positieve houding bezitten, dat wij het leven niet haten noch iets van hetgeen God heeft gemaakt. En terzelfder tijd eist de navolging van Christus en het innerlijk leven van ons dat wij God alleen aanhangen en door geen enkel schepsel van de Heer worden gescheiden. Het gebod van de godsliefde houdt in dat wij God in het streven van onze wil altijd de eerste plaats toekennen en Hem ook zoveel mogelijk in het brandpunt van ons affectieve leven liefdevol genegen zijn.

Er vallen in dit opzicht twee typen van mensen te onderscheiden. De meesten zijn zo geaard dat zij hun hart licht aan de schepselen verliezen. Zij geven de keizer gemakkelijk en veel en weldra te veel. De anderen (die een minderheid vormen) lopen gevaar de waarde van de aardse en stoffelijke werkelijkheid te onderschatten en zelfs te ontkennen. Ten gevolge van een zekere strengheid van gemoed en een soort absoluutheid van geest valt het hun moeilijk de vele verbindingslijnen te zien die er, ondanks de zonde, lopen tussen God en zijn schepping. Oppervlakkig beschouwd lijken deze laatsten het meest geschikt voor heiligheid. Maar de openbaring en de ondervinding leren dat geen enkele natuurlijke waarde of aanleg op zich beschouwd voorrangskaarten geeft voor het rijk Gods. Het tweede mensensoort, dat zich gemakkelijk losmaakt van de schepselen, heeft gewoonlijk veel meer moeite dan het eerste om vrij te worden van het lastigste schepsel dat wij op onze weg naar het paradijs ontmoeten, de verkeerde gehechtheid aan onszelf.

Daarom geldt voor allen zonder onderscheid als de grondwet van het christelijk leven het gebod van de liefde. Dit gebod leert ons God lief te hebben boven alles, de mens waarachtig te beminnen om Christus’ wil en het schenkt ons een grote geestelijke vrijheid ten aanzien van de overige schepselen. En laten wij nooit vergeten, dat wie zijn broeders en zusters niet liefheeft, ook God niet bemint en dat onze godsliefde zich verwerkelijkt in en door de naastenliefde.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Beladen met de vrucht der gerechtigheid

360. Donderdag na de Twee en twintigste Zondag na Pinksteren

„Moogt gij rein zijn en zonder smet tegen de dag van Christus, rijk beladen met de vrucht der gerechtigheid door Jezus Christus tot eer en glorie van God” ( Phil.1, 10. 11 ; epistel van de Zondag). Welk een vreugdevol beeld roept deze tekst op! Als van oogsters die terugkeren van de lange arbeidsdag, bezweet en bestoft, maar in hun ogen het zalige weten dat alles goed is, torsend de rijke en rijpe vrucht, de gaven der moederaarde, het loon van hun zwoegen, de „kroon op het jaar van ’s Heren goedheid” ( Ps.64, 12 ). De „dag van Christus” , de dag der grote afrekening wordt in de Schrift gaarne vergeleken met de oogst. „De oogst is de voleinding der wereld; de maaiers zijn de engelen” ( Mt.13, 29 ). „En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luider stem tot Hem die op de wolken gezeten was: „Zend uw sikkel uit en maai, want het uur om te maaien is gekomen want de oogst der aarde is geheel rijp geworden” ( Openb.14, 15. 16 ). Dikwijls is het beeld schrikwekkend: als rijpe vruchten zullen de zondaars worden afgesneden en „geworpen in de grote perskuip van Gods toorn” ( Openb.14, 19 ). Maar daarnaast is er het beeld van het zaad dat honderdvoudig vrucht afwerpt, van de oogst des Geestes ten eeuwigen leven ( Gal.6, 8 ), van de deugdelijke opbrengst die bestand blijft in het vuur der gerechtigheid en wordt geborgen in de hoge schuren des Vaders.

1. De apostel bidt dat wij op de dag van het oordeel niet met ledige handen voor God staan, doch beladen met de vrucht der gerechtigheid. Het is altijd hetzelfde vermaan dat in honderd beelden en toonaarden weerklinkt door heel het Nieuwe Testament . De genade Gods, de gave aan alle christenen overvloedig aangeboden, komt tot ons als taak en verantwoordelijkheid. God begenadigt de mens tot werkzaamheid en geestelijke productiviteit. Zijn barmhartigheid stelt het vrije schepsel niet op non-activiteit. Het is niet voldoende het kwaad te vermijden, wij moeten het goede doen. De onvruchtbare vijgeboom wordt omgehouwen. De bijl ligt reeds aan de wortel. De luie knecht verliest zijn éne talent en wordt gestraft. De dwaze maagden met haar lampen zonder olie dwalen eeuwig buiten de feestzaal. Zo de Heer van zijn wijngaard geen opbrengst ontvangt, zal Hij hem verhuren aan andere pachters die Hem de vruchten op tijd afleveren.

2. De vrucht der gerechtigheid is die welke door de gerechtigheid wordt opgebracht. En wat is de gerechtigheid? Zij bestaat volgens Paulus niet in een louter menselijke eigenschap, maar zij is de gave Gods, de nieuwe kwaliteit de mens bij het doopsel geschonken. Geen mens is uit zichzelf in staat Gode behagelijke vruchten voort te brengen, maar „onze geschiktheid komt van God” ( 2 Kor.3, 5 ). Hetzelfde zegt ons het epistel, als het spreekt van de vrucht der gerechtigheid „die door Jezus Christus is” . Ook deze waarheid lezen wij op elke bladzijde van het Nieuwe Testament . Ons vermogen om christelijk deugdzaam te handelen ontvangen wij van God, ééns voor al en elke keer opnieuw. Beide einden van de keten moeten wij vasthouden: werkzaamheid en afhankelijkheid, daden van deugd en bewustzijn van genade. Alle eenzijdigheid is verderfelijk voor leer en leven. Het volledige christendom stelt de mens in de paradoxale houding, die onze pelgrimsstaat eigen is. De aardse tijd is ons gegeven om te werken voor God en de werken moeten ons verstigen in een steeds dieper afhankelijkheid van de Heer. Geen quietisme en geen hoogmoed. Positief gesproken: nederigheid die altijd alle eer geeft aan God alleen en dit te zuiverder naarmate rijker vrucht van gerechtigheid rijpt aan de stam der genade, – en vertrouwen dat ons bezielt om God te geven wat Hem toekomt, dat is, alles, „lichaam, ziel en wil. Want van Hem ontvingen wij dit alles, door Hem wordt het behouden en vermeerderd” ( Sint Hilarius in de homilie op het evangelie ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Toename van liefde

358. Dinsdag na de Twee en twintigste Zondag na Pinksteren

„En dit is mijn bede: dat uw liefde meer en meer moge toenemen…” ( Phil.1, 9 ; epistel van de Zondag).

1. Wil onze liefde leven, dan moet zij groeien. Zij kan niet stilstaan tenzij op straffe van achteruitgang. En zij heeft een onmetelijke mogelijkheid van toename. God legde ons de plicht op te streven naar een volkomenheid die op aarde nooit geheel wordt bereikt. „Weest volmaakt gelijk uw hemelse Vader volmaakt is.” Het hongeren en dorsten, het mateloos en bij tijden onstuimig begeren is de minnende ziel eigen. „Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden” met immer heviger honger en dorst in dit leven en met eeuwige rust van verzadiging hiernamaals. „Want dit is het gewone verschil tussen lichamelijk genot en de geneugten des geestes: zolang wij de lichamelijke genietingen missen, verlangen wij er vurig naar, doch zodra ze gretig worden gesmaakt, wekken zij door oververzadiging onze afkeer en walging op. Maar met de vreugden des geestes staat het omgekeerd. De mens die ze niet kent, begeert ze niet;, wie ze echter geniet, verlangt naar méér en die honger wordt, naarmate de ervaring toeneemt, steeds heviger” ( Sint Gregorius de Grote Hom. in Evang.36 ). Dit is de wet van de liefde die reeds Augustinus met die der zwaartekracht vergeleek: de steeds toenemende snelheid van haar beweging, zoals de steen die valt steeds sneller de aarde nadert. In het begin is de beweging nog traag, maar het tempo neemt voortdurend toe, totdat het rustpunt is bereikt. Zo kosten ons de eerste schreden op de weg der liefde de meeste moeite. Zij worden aarzelend gezet en menigmaal tracht de natuur terug te treden in de oude baan. Doch naarmate de weerstanden van het egoïsme overwonnen worden, vermeerdert de vaart en het gemak waarmee de ziel zich beweegt naar haar Oorsprong en Einde. In dit rusteloze streven, in dit voortdurend overtreffen van zichzelf bestaat het wezen der volmaaktheid op aarde. „Ik vergeet wat achter mij ligt en rek mij uit naar hetgeen vóór mij ligt” ( Phil.3, 13 ). „Het verlangen der ziel om geen afstand te doen, ter wille van hetgeen zij reeds heeft bereikt, van nog hogere toppen, deelt haar een voortdurende stijgende beweging mee waardoor zij in het reeds verworvene steeds opnieuw aandrift vindt voor hoger vlucht” ( Sint Gregorius van Nyssa P.G.44, 401 ).

2. Waartoe deze nimmer eindigende voortgang der liefde voert, leren ons de heiligen en de geestelijke schrijvers. Zo zegt de ( zalige Jan Ruusbroec ) over wat hij noemt het vierde der zeven sloten of clausuren: „Wij bezitten het, als wij uit liefde onze wil en alle eigenheid prijsgeven aan de vrije wil Gods, zodat wij niets anders kunnen noch vermogen te willen dan gelijk God wil. Dan is immers onze wil uit vrije beweging met liefde gevangen en zonder terugkeer opgesloten in de wil Gods .” Of verneem een andere stem (maar met dezelfde grondtoon) in het roerende slot van Edward Poppe ’s laatste brief aan zijn geestelijke leidsman: „Vader, naam van mij weg het behoren aan mijzelf. Maak, dat geen enkele zucht, geen enkel woord meer ontsnappe aan de beweging van den Geest. Sluit mij op in de Toren van David , in de Toren van Jezus! Ik wil het, Vader, ik wil het, op mijn knieën.”

Zullen wij wederom zeggen dat dit te hoog is voor ons? Ongetwijfeld „verschilt de ene ster van de andere in glans” en wij kunnen onze geestelijke weg niet aanvangen op het punt, waar begenadigde zielen eindigen. Maar zeker is ook, dat Christus de Heer al zijn leerlingen tot de volmaaktheid roept, dat God de Geest niet met mate schenkt en dat zijn goedheid en macht zich slechts begrenzen laten door onze kwade wil of door ons gebrek aan verlangen en vertrouwen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Smeekgebed

357. Maandag na de Twee en twintigste Zondag na Pinksteren

„En dit is mijn bede: dat uw liefde meer en meer moge toenemen…” ( Phil.1, 9 ; epistel van de Zondag).

1. De apostel bevindt zich te Rome in een gevangenschap die al jaren duurt en die best had kunnen eindigen met de doodstraf, welke hem enkele jaren later in dezelfde straf zal treffen. De brief aan de Philippenzen legt er prachtig getuigenis van af hoe onverschillig de apostel is voor zijn eigen lot, wanneer men dit verstaat in de zin van strikt persoonlijke belangen. Als hij even de zaak van het evangelie buiten beschouwing laat, zou hij wel het liefst willen sterven, want „met Christus te zijn is verreweg het beste” . Maar overigens, – de Heer zal zelf weten wat Hij doet en Paulus bidt in de teruggetrokkenheid van zijn gevangenschap, lang en vurig, „altijd zonder ophouden” , zegt hij zelf ( Kol.1, 3. 9 ; Eph.1, 15. 16 ). En hij bidt voor alles behalve voor datgene wat een mens in zijn omstandigheden rechtmatig God zou hebben gevraagd: de bevrijding. Hij smeekt vooral voor de anderen, zijn dierbare christenen. En wat hij voor hen vraagt? De hoogste en zuiver geestelijke waarden: dat „zij mogen toenemen in liefde” , dat „God hun de Geest van wijsheid en openbaring geve om Hem recht te kennen” ( Eph.1, 17 ) en dat „zij de Heer in alles mogen behagen” ( Kol.1, 10 ). Als hij aan zichzelf denkt, vraagt hij hun gebeden, dat „hem bij het openen van zijn mond het woord worde geschonken om vrijmoedig het geheim van het evangelie bekend te maken, waarvan hij gezant is in boeien” ( Eph.6, 19 ), – en anders niets. Hij ziet zichzelf slechts in functie van het evangelie, als exponent van Christus, zijn geliefde Heer. Voor het overige is het van geen betekenis of hij bedroefd is of verheugd, honger lijdt of overvloed geniet.

2. Zo is het ware gebed: functie van de liefde, ademhaling van de ziel die bemint. Wie liefheeft stelt zichzelf achter bij de geliefde. Hij doet dat bewust, maar ook, zo er van waarachtige liefde sprake is, van zelf en onbewust. Wie God bemint stelt Christus’ rijk voorop in alles. En daarom kent het ware smeekgebed eigenlijk maar één verlangen, dat wat in het epistel staat uitgedrukt: liefde, toename van liefde, vermeerdering der godsliefde, de enige wezenlijke vooruitgang der wereld. Waarmee zou Jezus beter gediend zijn? Al het andere is daarbij vergeleken van ondergeschikt belang, en dit enige en noodzakelijke is altijd bereikbaar. Rust en vrede van de Kerk, tijdelijke gunsten, het welslagen van onze ondernemingen, dit alles is slechts voorwaardelijk door God gewild. Toename in geestelijke wijsheid en zuivere liefde is het volstrekte goed, daarin bestaat Christus’ rijk.

En als wij bekennen moeten dat wij zulk een zelfvergetelheid en zulk een liefde die ons alleen om Jezus’ rijk doen bidden, nog niet bezitten, laat ons dan smeken om toename en zuivering der liefde voor onszelf. Als wij nog niet tot de volmaakte onthechting zijn geraakt, laten wij dan de góéde zelfzucht beoefenen en zonder ophouden bidden om de liefde. Kennen wij de schone gebeden tot deze intentie die het missaal bevat? „God, die alles ten beste schikt voor hen die U liefhebben, geef onze harten de onwrikbare vurigheid van uw liefde, opdat de door U ingegeven voornemens door geen enkele bekoring aan het wankelen worden gebracht.” „Wij smeken U, Heer, moge de genade van de heilige Geest onze harten verlichten en overdadig verkwikken met de zoetheid van de volmaakte liefde” ( Verschillende Gebeden , 29 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)