Maand: februari 2017

Boek III Hoofdstuk 7 Men moet de genade verbergen onder de hoede der nederigheid.

Christus. – Zoon! Het is beter en veiliger voor u, de genade der godsvrucht verborgen te houden, u daarover niet te verheffen, er weinig van te spreken, en niet groter te maken; maar liever uzelf te minachten, en te vrezen die genade onwaardig zijn. Gij moogt niet te veel gehecht zijn aan een gevoel, want het kan zeer licht veranderen. Maar onder de genade, denk hoe ellendig en arm gij gewoonlijk zijt zonder de genade. Ook is de voortgang in het geestelijk leven daarin niet alleen gelegen, dat gij de vertroosting van de genade hebt: maar ook dat gij haar gemis verstorven, ootmoedig en geduldig verdraagt; zodat gij dan niet verflauwt in de oefening van het gebed, en uw andere gebruikelijke werken niet achterlaat. Maar dat gij naar bedunken en best vermogen gaarne doet wat gij kunt, en uzelf niet geheel verwaarloost om dorheid of gewetensangst.

Want er zijn er velen, die ten tijde der beproeving aanstonds ongeduldig en moedeloos worden. Nochtans des mensen weg is niet altijd in zijn macht (1); maar het behoort God toe, te geven en te troosten wanneer het Hem belieft, en zoveel het Hem belieft, volgens zijn behagen, en anders niet. Sommigen hebben zich onvoorzichtig in het verderf gebracht met de genade der godsvrucht, omdat zij meer wilden doen dan zij konden, niet in acht nemende hun krachten, maar eerder daarin de aandrift van hun hart volgende, dan het oordeel van het verstand.

En omdat zij op grotere dingen uitwaren dan God aangenaam was, daarom hebben zij spoedig de genade verloren. Zie, zij zijn arm en verlaten geworden, zij die in de hemel hun woonplaats wilden bouwen (2); omdat zij, vernederd en verarmd, zouden leren niet met hun eigen vleugels te vliegen, maar onder mijn vleugels te gaan schuilen (3). Zij die nog nieuwelingen zijn en onervaren in de weg des Heren, kunnen licht bedrogen worden en vallen, zo zij zich niet laten besturen door de raad van verstandigen.

Maar indien zij liever hun eigen goeddunken, dan de raad van ervaren mannen volgen, zo zal voor hen de afloop zeer ellendig zijn, indien zij gehecht blijven aan hun eigenzinnigheid. Die in hun ogen wijs zijn (4), laten zich zelden ootmoedig door anderen besturen. Het is beter weinig kennis en een klein verstand te hebben met ootmoed, dan zware schatten van geleerdheid te bezitten met ijdele glorie. Het is beter voor u weinig te hebben dan veel, waarover gij u zoudt verhovaardigen. Hij doet niet wijs die zich geheel aan de blijdschap overgeeft, en zijn voorgaande armoede vergeet en de zalige vrees Gods, welke de ontvangen genade vreest te verliezen. Ook deze is niet oprecht wijs, die ten tijde van tegenspoed of van een zwarigheid, al te zeer mistroostig is, die te weinig vertrouwen op Mij stelt en te klein gevoelen van mijn hulp heeft.

Die ten tijde van vrede al te gerust wil zijn, wordt licht ten tijde van oorlog vreesachtig en lafhartig bevonden. Indien gij altijd ootmoedig en gering in eigenschatting wist te blijven, en uw geest wijs en matig te besturen, gij zoudt niet zo spoedig in gevaar of zonde vallen. Het is een goede raad, als gij de geest van vurigheid gevoelt, te denken hoe het met u zal gaan wanneer dit goddelijk licht zal verdwijnen. En als zulks geschiedt, denk dan dat hetzelfde licht kan wederkomen, daar Ik het voor een tijd tot uw waarschuwing en tot mijn eer u heb onttrokken.

Zulke beproeving is dikwijls voordeliger, dan indien gij altijd voorspoed hadt volgens uw begeerte. Want de verdiensten laten zich niet hieraan afmeten of iemand met veel verlichtingen of vertroostingen heeft; of hij goed geleerd is in de H. Schriftuur of tot een hoge staat verheven. Maar wel of hij in ware ootmoed gegrond en met de goddelijke liefde vervuld is; of hij altijd en in alles de eer Gods alleen betracht; of hij zichzelf gering acht en oprecht versmaadt, en zich meer verheugt dor de mensen verstoten en veracht te worden, dan geacht, geprezen of geerd.

(1) Jeruzalem. 10: 23 (2) Abd. 4 (3) Ps. 90: 4 (4) Rom. 11: 25

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 6 Hoe de oprechte liefde getoetst wordt.

CHRISTUS. – Zoon! gij zijt nog niet sterk en voorzichtig in t beminnen.

DE ZIEL. – Waarom, Heer?

CHRISTUS. – Omdat gij om een kleine tegenkanting afziet van het ondernomene en al te zeer de vertroostingen zoekt. Wie sterk is in de liefde, staat pal in de bekoringen, en hij geeft geen gehoor aan de listige ingevingen van de vijand. Zowel in voorspoed als in tegenspoed is zijn hart altoos aan Mij.

Een voorzichtig minnaar neemt niet zozeer de gift van de vriend in aandacht als de liefde van de Gever. Hij let meer op de stemming dan op de waarde; want hij acht de Welbeminde hoger dan al zijn giften. Een edelmoedig minnaar berust niet in gaven maar in Mij boven alle gaven. Doch daarom is niet alles verloren, zo gij soms voor Mij en mijn Heiligen zoveel liefde en tederheid niet gevoelt, als gij zoudt wensen. Die zoete en tedere liefde, die gij somtijds in u gevoelt, is een uitwerksel der in u werkende genade en als een voorsmaak van het hemels vaderland, doch waarop niet al te veel te steunen is, want zij gaat en komt. Maar strijden tegen de invallende bekoringen, en de ingevingen van de duivel versmaden, dit is een teken van ware deugd en grote verdienste.

Wil dan niet ontsteld zijn om vreemde verbeeldingen die in u mochten ontstaan, over welke stof ook. Behoud altijd een vast voornemen en een rechte mening tot God. Het is geen begoocheling zo gij somtijds plotseling in verrukking wordt opgetogen, en terstond tot de gewone ongerijmdheden van uw hart terugkeert. Want deze lijdt gij meer tegen uw dank dan gij ze zoekt; en zolang ze u mishagen en gij er tegen strijdt, strekken zij u tot verdienste en geenszins tot verderf.

Weet dat de oude vijand uit al zijn macht uw begeerte tot het goede zoekt te beletten, en u te beroven van alle godvruchtige oefening: te weten, van de dienst der Heiligen, het godvruchtig overdenken van uw zonden, de bewaking van uw hart, en het vast voornemen om in de deugd vooruit te gaan. Hij geeft u ook veel kwade gedachten in, om u verdriet en afkeer aan te doen, en u af te trekken van het gebed en de geestelijke lezing. Een ootmoedige biecht kan hij niet dulden en zo hij kon, zou hij u wederhouden van te communie te gaan.

Maar geef hem geen geloof, en stoor u niet aan hem, al spant hij dikwijls strikken om u te bedriegen. Werp de kwade en onzuivere ingevingen op hem terug, en zeg: Weg van hier, onreine geest! Schaam u, ellendige: wat moet gij onzuiver zijn, die mij zulke dingen inblaast. Weg van mij, boze verleider! Niets van mij zal u ten deel vallen; maar Jezus zal met mij zijn, als een kloek krijgsman, en gij zult beschaamd staan. Liever wil ik sterven, en alle pijn ondergaan, dan enige toestemming te geven aan uw boos ingeven. Zwijg en verstom (1), ik wil naar u niet meer luisteren, hoezeer gij mij moogt kwellen. De Heer is mijn licht en mijn zaligheid, wie zou ik vrezen? (2) Al stonden gehele legers tegen mij op, mijn hart zou niet vrezen (3). De Heer is mijn Helper en mijn Verlosser (4).

Strijd dan als een kloek soldaat; en indien gij soms uit krankheid valt, verzamel opnieuw uw krachten, vertrouwend dat gij grotere genaden van mij zult bekomen; en wacht u bovenal voor hovaardigheid en ijdel zelfbehagen. Want hierdoor worden velen bedrogen, en vallen soms in schier ongeneeslijke verblindheid. Dat dan de val der hovaardigen, die zich dwaas veel laten voorstaan, u diene tot waarschuwing en gedurige ootmoed.

(1) Marc. 4 (2,3) Ps. 26: 1 (4) Ps. 18: 15

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 5 Over de wonderbare invloed van de liefde Gods.

Ik zegen U, hemelse Vader, Vader van mijn Heer Jezus Christus, omdat Gij U gewaardigd hebt mij, arm schepsel, te gedenken. O vader van barmhartigheden, en God van alle troost (1), ik dank U, omdat Gij mij, die alle troost onwaardig ben, somtijds toch gewaardigt te vertroosten. Ik geloof en verheerlijk U te allen tijde, met uw enige Zoon en de H. Geest, de Trooster, in alle eeuwen der eeuwen. Ach, mijn Heer en God, mijn heilige Minnaar! Als Gij in mijn hart zult komen, zal geheel mijn binnenste juichen. Want Gij zijt mijn glorie en de vreugde van mijn hart. Gij zijt mijn hoop en mijn toevlucht in de dag van mijn verdrukking (2).

Maar omdat ik nog zwak ben in de liefde en onvolmaakt in de deugd, daarom heb ik nodig door U gesterkt en getroost te worden; wil mij dikwijls bezoeken en onderwijs mij in uw heilige leringen. Verlos mij van de kwade driften, en genees mijn hart van alle ongeregelde liefde; opdat ik genezen en behoorlijk gezuiverd, bekwaam worde om U te beminnen, kloek om voor U te lijden, standvastig om te volharden.

De liefde is iets groots, ja een onschatbaar goed, welke alles licht maakt wat zwaar is, en draagt algelijk al het ongelijke. Want zij draagt alle last zonder moeite, en maakt al wat bitter is, zoet en smakelijk. De liefde van Jezus is edelmoedig; zij beweegt de mens tot grote daden, zij wekt hem op om altoos meer volmaaktheid te betrachten. De liefde wil altijd opwaarts klimmen, en door niets wederhouden worden. De liefde wil niet vrij zijn, en vreemd aan alle wereldse genegenheden, opdat haar inwendige blik niet belemmerd worde; opdat zij in geen tijdelijk voordeel verwarre, of onder nadeel bezwijke. Er is niets zoeter dan de liefde, niets is sterker, niets is verhevener, niets uitgebreider, niets vermakelijker, niets volkomener, niets beter in hemel en op aarde; want de liefde is uit God geboren, en kan nergens rusten dan in God alleen boven al het geschapene.

Die de liefde bezit, vliegt, loopt en is blijde; hij is vrij en wordt niet weerhouden. Hij geeft alles voor alles, en bezit alles in alles, want hij berust boven alles in de Allerhoogste, uit wie alle goed vloeit en voortkomt. Hij ziet niet naar de gaven, maar verheft zich, boven alle gaven, tot de Gever zelf. De liefde houdt dikwijls geen maat, maar gelijk ziedend water loopt zij over bovenmate. De liefde voelt geen last, acht geen arbeid, wil meer doen dan zij kan, klaagt niet van haar machteloosheid, want zij meent dat zij alles kan en vermag. Zij is dan bekwaam tot alles, en brengt veel ten uitvoer en tot stand, waar een ander, die niet bemint te kort schiet en bezwijkt.

De liefde waakt en in de slaap is zij niet slaperig. Afgemat, wordt zij niet moede; bedreigd, wordt zij niet ontsteld; maar als een heldere vlam, als een brandende fakkel breekt zij opwaarts uit, en dringt vrijelijk door. Die bemint, kent de stem der liefde. Als een luid geroep in Gods oren is de brandende begeerte van een beminnende ziel, die zegt: Mij God, mijn liefde! Gij geheel aan mij, en ik geheel aan U !

Breid mij uit in de liefde, opdat ik in het binnenste van mijn hart lere smaken hoe zoet het is te beminnen, in liefde te smelten, en er in te baden. Dat de liefde mij vasthoude en vervoere door de vurigheid van haar verrukkingen! Moge ik het lied der liefde zingen; U, mijn Beminde, naar den hoge volgen, en dat mijn ziel bezwijme onder het verkondigen van uw lof. Moge ik U beminnen meer dan mijzelf, en mijzelf niet dan om U, en in U allen die U oprecht liefhebben, gelijk de wet der liefde, die uit U voortkomt, het gebiedt.

De liefde is snel, oprecht, toegenegen, vrolijk en aangedaan; kloekmoedig, verduldig, getrouw, voorzichtig, verdraagzaam, standvastig en ze zoekt zichzelf niet (3). Want zohaast iemand zichzelf zoekt, houdt hij op te beminnen. De liefde is oplettend, ootmoedig, rechtzinnig; niet maf, niet lichtvaardig, niet bekommerd met ijdele dingen; zij is matig, kuis, gestadig, bedaard, altijd waakzaam op alle zinnen. De liefde is onderworpen en gehoorzaam aan de oversten; in eigen ogen slecht en verachtelijk; zij is godvruchtig en dankbaar tot God, op Hem hopende en steeds vertrouwende, zelfs dan, wanneer zij in God geen smaak gevoelt, want men leeft niet zonder smart in de liefde.

Wie niet bereid is om alles te lijden en zich geheel aan de wil van zijn Beminde over te geven, is niet waardig een minnaar genoemd te worden. Een ware minnaar moet al het zware en bittere voor zijn Beminde gaarne verdragen; en om geen voorkomende tegenkanting van Hem afwijken.

(1) 2 Cor. 1: 3 (2) Ps. 58: 17 (3) 1 Cor. 13: 4,5

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 4 Men moet voor God wandelen in waarheid en ootmoed.

Christus. – Zoon! Wandel voor mij in waarheid, en zoek mij altijd in de eenvoud des harten. Die voor Mij in waarheid wandelt, zal bevrijd worden van kwade aanrandingen en de waarheid zal hem verlossen van verleiding en laster der bozen. Indien de waarheid u vrijmaakt, dan zult gij waarlijk vrij zijn (1), en gij zult de ijdele woorden der mensen niet achten.

De ziel. – Het is, Heer, gelijk Gij zegt: ik bid U, dat het mij zo geschiede. Dat uw waarheid mij lere, mij beware, en mij tot aan een zalig levenseinde behoude. Dat zij mij verlosse van alle kwade lusten en ongeregelde liefde, en ik zal met u omgaan in volle vrijheid des harten.

Christus. – Ik zal u onderwijzen, zegt de Waarheid, al wat recht is en aan Mij behaaglijk. Denk aan uw zonden met groot leedwezen en droefheid, en laat u nooit voorstaan dat gij iets zijt om uw goede werken. Want gij zijt voorwaar een zondaar, onderhevig aan vele gebreken, en daarin verward. Van uzelf helt gij altijd over tot het niet, gij valt licht en wordt overwonnen, het kleinste ontstelt u en beneemt u de moed. Gij hebt niets waarop gij kunt roemen, maar vele redenen om uzelf gering te achten: want gij zijt veel kranker dan gij kunt begrijpen.

Laat u dan niet voorstaan dat er iets groots zij in alles wat gij doet. Dat niets verheven zij in uw ogen, niets kostbaar, niets bewonderens- of achtingswaardig, niets uitstekend, niets loffelijk of beminnenswaardig, dan alleen wat eeuwig is. Dat de eeuwige waarheid u boven alles behage, en dat uw allergrootste nietswaardigheid u steeds mishage. Vrees niets zozeer, veracht en verafschuw niets zozeer als uw zonden en ondeugden; deze moeten u meer droefheid veroorzaken dan tijdelijke schade. Sommigen wandelen in geen oprechtheid voor mijn aanschijn; maar door nieuwsgierigheid en vermetelheid gedreven, willen zij mijn verborgenheden kennen en de diepten van God doorschouwen, terwijl zij zichzelf en hun zaligheid verwaarlozen. Dezen vallen dikwijls in zware bekoringen en zonden, wijl Ik hun wedersta om hun hovaardigheid en nieuwsgierigheid.

Vrees de oordelen Gods, schroom voor de gramschap van de Almogende. Wil de werken van de Allerhoogste niet beoordelen; maar onderzoek uw zonden, en zie in hoeveel gij misdaan hebt en hoeveel goeds gij verwaarloosd hebt. Sommigen stellen al hun godsvrucht in boeken; anderen in afbeeldingen, anderen in uitwendige tekens en gebaren. Sommigen hebben Mij veel in de mond, maar in hun hart is er weinig van. Anderen zijn er die, verlicht in hun verstand en zuiver van hart, niet haken dan naar het eeuwige: die tegen dank van het aardse horen spreken, en die de noodwendigheden van het lichaam met tegenzin voldoen; deze gevoelen dat de Geest der waarheid in hen spreekt. Want hij leert hun het aardse versmaden, en het hemelse beminnen, de wereld verachten, en naar de hemel dag en nacht verlangen.

(1) Joh. 8: 32,36

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 3 Gods woord moet met ootmoed aanhoord worden, maar velen tellen het niet.

Christus. – Zoon, luister naar mijn woorden, die zeer zoet en die al de wetenschap van wijzen en denkers dezer wereld te boven gaan. Mijn woorden zijn geest en leven (1), en zijn niet te schatten naar het menselijk verstand. Men mag ze niet tot ijdel behagen misbruiken: maar men moet ze in stilte aanhoren, en met alle ootmoed en vurige begeerte ontvangen.

De ziel. – En ik heb gezegd: Gelukkig de mens, o Heer! Die Gijzelf onderricht en in uw wet onderwijst, zodat hij in kwade dagen bij U leniging vindt (2), en dat hij niet zonder troost zij op aarde.

Christus. – Ik heb van het begin de Profeten onderwezen, en tot heden toe houd ik niet op tot alle mensen te spreken. Maar velen zijn doof voor mijn stem, en ongevoelig. Het grootste getal hoort liever de wereld dan God: zij volgen liever de lust van het vlees dan het welbehagen van God. De wereld belooft tijdelijke en nietige dingen, en zij wordt met grote vlijt gediend; ik beloof eeuwige en allergrootste goederen, en de harten der mensen zijn ongevoelig. Wie dient en gehoorzaamt mij in alles met zo grote zorg, als waarmede men de wereld en haar meesters dient? Schaam u Sion, zegt de zee (3). En vraagt gij waarom, hoor de reden: Zie, om een klein gewin doet men verre reizen, en voor het eeuwig leven wordt er door velen niet n voet gezet. Het slechtste gewin wordt ijverig nagejaagd; men twist schandelijk om een weinig geld; men aarzelt niet dag en nacht te zwoegen voor een beuzeling en voor een geringe belofte.

En nochtans, o schande, voor een onveranderlijk goed, voor een onwaardeerbaar loon, voor de allerhoogste eer en oneindige glorie, is men te lui om zich een weinig te vermoeien. Schaam u dan, gij, trage en klaagzieke knecht; de minnaars der wereld zijn veel vlijtiger voor hun verderf, dan gij om het eeuwig leven te bekomen. Zij verblijden zich meer om een waan dan gij om de waarheid.

En nochtans worden zij dikwijls in hun hoop teleurgesteld; mijn belofte daarentegen bedriegt niemand, en laat niemand, die op Mij vertrouwt, ijdel weggaan. Wat Ik beloofd heb, zal Ik geven; wat Ik gezegd heb, zal Ik doen, zo men slechts tot het einde toe in mijn liefde getrouw blijve. Ik ben de loner van al de goede mensen en een sterke beproever van de rechtvaardigen.

Schrijf mijn woorden in uw hart, en overdenk ze zorgvuldig; want in de tijd der bekoring zult gij ze groot nodig hebben. Wat gij niet verstaat, als gij het leest, zult gij begrijpen op de dag der bezoeking. Ik bezoek gewoonlijk mijn uitverkorenen op tweerlei wijzen: door beproeving en vertroosting. En Ik lees hun alle dag twee lessen voor; in de eerste berisp Ik hen over hun gebreken; in de andere vermaan Ik hen tot vooruitgang in de deugd. Die mijn woorden hoort en ze versmaadt, zal een rechter vinden in de jongste dag (4).

Gebed Om de genade van godsvrucht te bekomen.

O mijn Heer en mijn God! Gij zijt al mijn goed; en wie ben ik, om tot U te durven spreken? Ik ben uw allerarmste dienaar, een verworpen aardworm, veel armer en verachtelijker dan ik zelf weet of durf zeggen. Gedenk evenwel mij, o Heer! Daar ik niets ben, en niets vermag. Gij alleen zijt goed, rechtvaardig en heilig; Gij kunt alles, verleent alles, vervult alles: de zondaar alleen laat Gij ijdel staan. Wees toch uw barmhartigheden indachtig, en vervul mijn hart met uw genade, Gij die niet wilt dat uw werken doelloos blijven.

Hoe kan ik in dit ellendig leven mijn lot verdragen, indien uw genade en uw barmhartigheid mij niet versterken? Wil uw aanschijn van mij niet afkeren; wil uw bezoek niet uitstellen: wil uw vertroosting niet onttrekken, opdat mijn ziel voor U niet worden als een landstreek zonder water (5). Heer, leer mij uw wil volbrengen (6); leer mij waardig en ootmoedig voor U wandelen; want Gij zijt mijn wijsheid; Gij kent mij oprecht en Gij hebt mij gekend eer ik in de wereld geboren werd en zelfs eer de wereld ontstond.

(1) Joan. 6: 64 (2) Ps. 93: 12,13 (3) Is. 23: 4 (4) Joan. 12: 48 (5 en 6) Ps. 117: 6

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)