Maand: april 2017

Boek III Hoofdstuk 54 Over de tegenstrijdige aandoeningen der natuur en der genade

CHRISTUS. – Zoon, let nauwkeurig op de bewegingen der natuur en der genade: want al zijn zij met elkander zeer tegenstrijdig, het verschil tussen beide is somtijds zo klein, dat zij nauwelijks door een geestelijke en inwendige verlichte mens onderscheiden kunnen worden. Alle mensen begeren wel het goed, en vertonen al iets goeds in hun woorden of werken; en door die schijn van goed worden er velen bedrogen.

De natuur is listig, zij verleidt, verstrikt, en bedriegt vele mensen, en heeft altijd haar zelfvoldoening ten doel. Maar de genade gaat eenvoudig voort, vermijdt alle schijn van kwaad (1); zij gebruikt geen listen, en doet alles zuiver om God, in wie zij berust als in haar einde.

De natuur wil niet sterven, zij wil niet gedwongen zijn, noch overmeesterd worden, noch zich onderwerpen, noch gewillig onderworpen zijn. De genade, die tracht zich in alles te versterven, wederstaat de zinnelijkheid, is gaarne onderworpen; zij zoekt de onderwerping, en wil haar eigen vrijheid niet gebruiken; zij staat gaarne onder tucht, en zoekt niemands overste te zijn, maar wil altijd leven, staan en blijven onder God, en is bereid zich voor ieder redelijk schepsel te buigen (2), om de wil van God.

De natuur zoekt altijd haar eigen voordeel, en ziet hoeveel winst zij kan trekken van een ander. De genade beschouwt niet wat haar voordelig en nuttig is, maar eerder wat aan velen voordeel bezorgt (3).

De natuur is gaarne geerd en geacht. De genade geeft alle eer en roem getrouw aan God.

De natuur vreest schande en verachting; De genade verblijdt zich als zij voor de Naam van Jezus smaad mag lijden (4).

De natuur bemint de ledigheid en de rust van het De genade kan niet ledig zijn, maar zij omhelst de arbeid met vreugde.

De natuur zoekt het schone en zeldzame, zij heeft afkeer van wat grof en slecht is. De genade schept behagen in wat eenvoudig en nederig is; zij verwerpt het ruwe niet, of weigert niet versleten klederen te dragen.

De natuur ziet naar het tijdelijke, zij is blij om een aards gewin, is droef om schade, en wordt toornig over een onbeduidend smaadwoord. De genade ziet naar het eeuwige, zij is niet gehecht aan het tijdelijke, en wordt door geen verlies bedroefd; noch verbitterd door harde woorden, want zij heeft haar schat en haar blijdschap in de hemel gesteld, alwaar niets verloren gaat.

10 De natuur is begeerlijk, en ontvangt liever dan zij geeft; zij heeft genoegen in wat zij in t bijzonder bezit. De genade is milddadig en deelt alles mede; zij vliedt alle eigendom, is met weinig tevreden, en oordeelt het zaliger te geven dan te krijgen (5).

De natuur helt naar de schepselen over, naar het eigen lichaam, naar ijdelheid, en verstrooiingen. De genade trekt tot God en tot de deugd, zij verlaat de schepselen, vliedt de wereld, haat de lasten van het vlees, beperkt zich in het uitgaan, en is beschaamd in t openbaar te verschijnen.

De natuur heeft gaarne uitwendige verkwikking, waarin zij haar zinnelijk vermaak kan vinden. De genade wil van God alleen troost ontvangen, en boven alle zinnelijke dingen zich verblijden in dat Opperste Goed.

De natuur verricht alles om gewin en eigenbaat, zij kan niets doen voor niet, maar als zij iemand wl doet, hoopt zij iets evenredigs of wat beters weder te krijgen, of eer en lof te bekomen, en zij wil dat men haar daden en giften groot achte. De genade zoekt niets tijdelijks of geen ander loon dan God alleen; zij wenst de lichamelijke noodzakelijkheden, maar voor zoveel die haar dienstig kunnen zijn om het eeuwig goed te bekomen.

De natuur verblijdt zich over vele vrienden en magen, bluft op haar verheven staat en hoge geboorte, zij vleit de machtigen, streelt de rijken, en prijst haars gelijken. De genade bemint haar vijanden, verheft zich niet omdat zij vele vrienden heeft; acht geen hoge afkomst tenzij om de deugd, die daarin uitschijnt: Zij is de arme gunstiger dan de rijke, heeft meer genegenheid voor de onschuldige dan voor de machtige, verblijdt zich met de rechtzinnige, verfoeit de bedrieger. Zij vermaant onophoudelijk de goeden, naar nog betere gaven te streven (6), en door de deugden in alles gelijk te worden aan de Zoon van God.

De natuur klaagt licht over gebrek en ongemak: De genade lijdt de armoede met standvastigheid.

De natuur trekt en keert alles tot haar eigenbaat, zij strijdt en twist voor haarzelf. De genade stuurt alles weder tot God, van wie het oorspronkelijk voortkomt; zij schrijft zichzelf geen goeds toe, zij is niet vermetel, zij twist niet, zij stelt haar gevoelen niet boven dat van een ander; maar al haar gedachten onderwerpt zij aan het oordeel en de eeuwige wijsheid Gods. De natuur is verlangend om geheimen te kennen en nieuwigheden te horen; zij wil zich in het openbaar vertonen, en door de zinnen vele dingen waarnemen; zij zoekt bekend te zijn en dingen te doen, waardoor zij lof en bewondering bekomt. De genade zoekt geen nieuws te weten, of niets zeldzaams te horen, want zij weet dat deze begeerte uit de oude desem der erfzonde spruit en dat niets nieuws en duurzaams is op de wereld. De genade leert dan de zinnen beteugelen, alle roem en het ijdel zelfbehagen schuwen; zij leert alle loffelijke dingen en die bewonderenswaardig zijn, ootmoedig verbergen; zij leert in alle zaken en wetenschappen het voordeel der zielen, de lof en de eer van God zoeken. Zij begeert niet dat zij of haar werken geprezen worden; maar zij wenst dat God, die alles uit loutere liefde verleent, in zijn gaven geprezen worde.

Deze genade is een bovennatuurlijk licht en een bijzonder gaaf van God; zij is het eigen merkteken der uitverkorenen en het pand der eeuwige zaligheid; zij verheft de mens van het aardse tot de liefde voor het hemelse, en maakt van de vleselijke een geestelijke mens. Hoe meer dan de natuur bedwongen en overwonnen wordt, des te overvloediger wordt de genade ingestort, en zij maakt de inwendige mens gedurig door nieuwe begunstigingen gelijkvormiger aan het beeld Gods (7).

(1) 1 Thess. 5: 22 (2) 1 Petr. 2: 13 (3) 1 Cor. 10: 33 (4) Hand. 5: 41 (5) Hand. 20: 35 (6) 1 Cor. 12: 31 (7) Col. 3: 10

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 53 Dat Gods genade niet samengaat met aardsgezindheid

CHRISTUS. – Zoon, mijn genade is kostbaar; zij wil niet gemengd worden met uitwendige of met aardse vertroostingen. Daarom moet gij alle beletselen der genade verbannen, indien gij haar invloed wenst te ontvangen. Zoek de eenzaamheid, wees gaarne alleen met uzelf; zoek samenspraak met niemand; maar richt liever godvruchtig uw gebed tot God, opdat gij een vermorzeld hart en een zuiver geweten moogt behouden. Acht de wereld voor niets, en verkies boven alle uitwendige dingen gedurig in omgang te zijn met God. Want gij kunt met mij niet bezig zijn, en tezamen u met het vergankelijke vermaken. Gij moet u verwijderen van kennissen en vrienden, en uw hart vrij bewaren van alle tijdelijke vertroosting. Zo vermaant de H. Petrus (1) dat de gelovigen zich gedragen zouden als pelgrims en vreemdelingen op deze wereld.

O wat groot vertrouwen zal de stervende hebben, die in de wereld door niets wordt terug gehouden. Maar een zwak gemoed kan nog niet alzo van alles gescheiden zijn, en de vleselijke mens kent de vrijheid niet van de inwendige mens. Nochtans moet hij, die waarlijk een inwendig mens wil zijn, zich afscheiden zo van vreemden als van vrienden; en voor niemand zich meer wachten dan voor zichzelf. Indien gij uzelf volkomen overwint, zult gij licht over het overige zegepralen. Dit is de volmaaktste zegepraal, dat men zichzelf overwint. Want wie zichzelf in bedwang kan houden, zodanig dat de zinnelijkheid aan de rede, en de rede in alles aan Mij onderdanig is, die is waarlijk overwinnaar van zichzelf en meester der wereld.

Indien gij tot deze volmaaktheid ziekt te komen, zo moet gij manhaftig beginnen, en de bijl aan de wortel zetten, om alle geheime en ongeregelde neiging tot uzelf en tot alle eigen stoffelijk welzijn uit te roeien en te vernietigen. Van dit een gebrek, dat de mens zichzelf te zeer bemint, hangt bijna alles af wat wij moeten overwinnen: en als dit gebrek overwonnen zal zijn, zal er terstond in ons hart een duurzame vrede en rust heersen. Maar omdat weinigen zich volkomen trachten af te sterven, en geheel buiten zichzelf te treden, daarom blijven zij in zichzelf verward, en kunnen zich boven henzelf in de geest niet verheffen. Doch wie in volle vrijheid des harten met Mij verkeren wil, die moet zijn kwade en ongeregelde begeerten geheel afsterven, en geen schepsel aanhangen uit zinnelijke neiging.

(1) 1 Petr. 2: 11

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 52 De mens achte zich geen troost, maar eer straf waardig

DE ZIEL. Heer, ik ben uw zoete troost of enig geestelijk bezoek onwaardig: en daarom, als Gij mij arm en ongetroost laat, handelt Gij billijk met mij. Want al kon ik een zee van tranen storten, evenwel zou ik uw vertroosting niet waardig zijn. Ik ben dan niets waardig tenzij gegeseld en gestraft te worden: daar ik U dikwijls en grotelijks beledigd en in vele dingen grotelijks misdaan heb. Daarom, als ik alles wel overweeg, zo verdien ik niet de minste troost. Maar Gij, o goedertieren en genadige God, die niet wilt dat uw werken verloren gaan (1), om de rijkdommen van uw goedheid te tonen over de vaten der barmhartigheid (2), Gij gewaardigt uw dienaar, zonder enige verdienste, te troosten en boven s mensen vermogen. Want uw vertroostingen zijn niet gelijk de troostredenen der mensen.

Heer! hoe heb ik verdiend, dat Gij mij enige troost zoudt verlenen? Ik herinner mij niet iets goed gedaan te hebben; maar wel dat ik altijd zeer geneigd ben geweest tot het kwaad, en traag ter verbetering. Dit is waarheid, en ik kan het niet loochenen; sprak ik anders, Gij zoudt tegen mij opstaan, en niemand zou mij verdedigen. Wat heb ik toch anders verdiend door mijn zonden, tenzij de hel en het eeuwig vuur? Ik beken in waarheid, dat ik alle spot en smaad waardig ben, en niet verdien gerekend te worden onder het getal van uw dienaren. En ofschoon ik dit ongaarne hoor, zal ik nochtans volgens de waarheid tegen mij getuigen en mijn zonden belijden, opdat ik eerder van U genade verwerve.

Wat zal ik zeggen, die een plichtige ben en vol van schaamte? Ik weet mijn mond niet te openen tenzij om alleen deze woorden te spreken: Ik heb gezondigd, Heer, ik heb gezondigd; wees mij genadig, en vergeef mij… Laat mij toch een luttel tijds mijn zonden bewenen, eer ik ga naar het land der duisternissen, overdekt met de schaduwen van de dood (3). Wat begeert Gij meer van een plichtige en ellendige zondaar, dan dat hij berouw hebbe en zich vernedere om zijn misdaden? Door het waarachtig berouw en de vernedering des harten, wordt de hoop op vergiffenis geboren, het verontrust geweten bevredigd, de verloren genade terug verkregen, de mens beschermd tegen de toekomstige gramschap; en de boetvaardige ziel wordt met God verzoend door een heilige omhelzing.

O Heer, een ootmoedig berouw over de zonde is U een welbehagelijk offer, dat veel aangenamer voor u riekt dan de wierook. Het is ook de kostelijke balsem, die Gij over uw heilige voeten hebt laten uitstorten (4), want een rouwmoedig en vermorzeld hart hebt Gij nooit verstoten (5). Daar is de schuilplaats tegen de razernij van onze vijanden. Daar wordt verbeterd en afgewassen al wat elders gekrenkt of besmet is.

(1) 2 Kon. 14: 14 (3) Rom. 9: 23 (3) Job 10: 21,22 (4) Luc. 7: 28 (5) Ps. 50: 19

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 51 Men moet zich op nederige werken toeleggen, als men tot meer verheven onbekwaam is

CHRISTUS. – Zoon, gij kunt niet altijd dezelfde vurige ijver voor de deugd gevoelen, noch u op een hoge trap der beschouwing staande houden, maar de natuurlijke verdorvenheid noodzaakt u somtijds tot het lagere af te dalen en de last van dit sterfelijk lichaam te dragen, tegen uw dank en met verdriet. Zolang gij dit sterfelijk lichaam draagt, zult gij verdriet en zwaarmoedigheid des harten gevoelen. Gij moet dan zolang gij dit lichaam draagt, dikwijls zuchten om de last van het vlees, die belet dat gij u onafgebroken bezig kunt houden met geestelijke oefeningen en hemelse beschouwingen.

Alsdan is het voordelig uw toevlucht in nederige en uitwendige oefeningen te zoeken, en afleiding in goede werken: wacht maar met een vast vertrouwen naar mijn komst en hemelse bezoeking; verdraag met geduld uw ballingschap en dorheid des geestes, totdat gij weder door Mij bezocht wordt, en verlost van alle benauwdheden. Want Ik zal u de arbeid doen vergeten, en u inwendige rust doen genieten. Ik zal de schone weiden der H.Schriftuur voor u openen, opdat gij met een blij gemoed en op de weg van mijn geboden moogt voortijlen (1). En dan zult gij zeggen: Het lijden van deze tijd is niet te vergelijken bij de toekomstige glorie, die in ons geopenbaard zal worden (2).

(1) Ps. 118: 32 (2) Rom. 8: 18

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)

Boek III Hoofdstuk 50 Hoe de troosteloze mens zich in Gods handen moet overgeven

DE ZIEL. – O Heer, mijn God, heilige Vader, wees nu en in eeuwigheid gezegend, want het is geschied gelijk Gij het wilt, en wat Gij doet is wl gedaan. Dat uw dienaar zich verheuge in U, niet in zichzelf of in iets anders; want Gij alleen zijt de ware blijdschap, Gij zijt mijn hoop, mijn kroon, mijn vreugd, mijn eer, o mijn God! Heer! wat heeft uw dienaar, dan wat hij, ook onverdiend, van U ontvangen heeft? (1) Al wat Gij mij gegeven en gedaan hebt, komt U toe. Ik ben arm, en van mijn jeugd af aan vele smarten onderworpen (2). Ook is soms mijn ziel bedroefd tot wenens toe, en somtijds ontsteld in haarzelf, om dreigend leed.

Ik verlang naar de blijdschap van de vrede; ik bid om de vrede van uw kinderen, die door U gevoed worden in het licht van uw vertroosting. Indien Gij mij die vrede geeft, en mij uw heilige blijdschap instort, zo zal de ziel van uw dienaar vol gejubel zijn, en in vrome stemming uw lof zingen. Maar indien Gij U onttrekt, gelijk Gij zeer dikwijls doet, zo kan hij niet met vlijt de weg van uw geboden bewandelen (3); dan buigt hij liever zijn knien, en klopt op de borst, vermits het met hem niet gaat als voorheen, wanneer uw licht boven zijn hoofd scheen (4), en hij onder de schaduw van uw vleugelen beschermd werd (5) tegen de bekoringen.

O rechtvaardige en altoos prijzenswaardige Vader, het uur is gekomen dat uw dienaar beproefd moet worden. O minnelijke Vader, het is billijk dat uw dienaar nu iets voor U lijde. O immer aanbiddelijke Vader, het uur is gekomen, door U van eeuwigheid voorzien dat uw dienaar voor een ogenblik schijne te bezwijken, maar toch inwendig met U gestadig zou leven. Dat hij een weinig versmaad en vernederd worde door de mensen; dat hij vernietigd worde door lijden en kwijningen; opdat hij weder verrijze met U in de dageraad van een nieuw leven, en in de hemel verheerlijkt worde! Heilige Vader! Gij hebt het zo geschikt en zo gewild; en wat Gij bevolen hebt, is geschied.

Want het is een gunstbewijs jegens uw vrienden, dat zij om uwentwil lijden of verdrukt worden op deze wereld, zo dikwijls en door zulke personen als het u belieft. Zonder uw raad, zonder uw voorzichtigheid en zonder goede reden geschiedt er niets op de wereld. O Heer! Het is goed voor mij, dat Gij mij vernederd hebt, opdat ik uw rechtvaardigheid lere kunnen (6), en alle hoogmoed en verwaandheid uit mijn hart verbanne. Het is mij zalig dat mijn aangezicht met schaamte is overdekt geworden (7), opdat ik mijn troost liever bij U, dan bij de mensen zoeke. Daaruit heb ik ook uw ondoorgrondelijk oordeel leren vrezen, want Gij kwelt de rechtvaardige met de boze, nochtans niet zonder billijkheid en recht.

Ik dank U, omdat Gij mij geen kwellingen gespaard hebt, maar mij integendeel hebt gekastijd met zware slagen, mij overladende met grote smarten en benauwdheden van buiten en binnen. Van alles wat onder de hemel is, kan niets mij troosten; Gij alleen kunt dit, mijn Heer en God, hemelse heelmeester der zielen, die kwetst en geneest, die ons leidt tot de poorten der hel, en daaruit terug voert (8). Uw kastijding is over mij gekomen en uw roede zelf zal mij leren (9).

Zie, o lieve Vader, ik ben in uw handen; ik buig mij onder de roede van uw kastijding. Sla mijn rug en mijn schouders, opdat ik mijn verkeerde wil onder de uwe doe buigen. Maak van mij een ootmoedig en goedwillig leerling, gelijk Gij uitmuntend pleegt te doen; opdat ik naar uw wil moge handelen. Ik beveel u mijzelf en al het mijne ter verbetering aan; want ik heb liever hier gestraft te worden dan hiernamaals. Gij weet alles en alles in het bijzonder, en niets is voor U verborgen in het geweten van de mens. Gij weet de toekomstige dingen eer zij geschieden; en het is niet nodig dat U iemand onderrichte of vermane omtrent wat op aarde geschiedt. Gij weet wat dienstig is tot mijn voortgang en hoezeer de kwellingen bijdragen om mij te zuiveren van het roest der zonden. Handel met mij volgens uw begeerlijk welbehagen, en versmaad mijn zondig leven niet, welk niemand beter en klaarder kent dan Gij alleen.

Heer! Geef mij dat ik wete wat ik moet weten, beminne wat ik moet beminnen, prijze wat u meest behaagt, achte wat bij U kostbaar is, en versmade wat verachtelijk is in uw ogen. Laat mij niet oordelen naar uiterlijke ogenschijn, noch een besluit nemen naar het gezeg van onverstandige mensen (10), maar leer mij met een juist oordeel uitspraak doen over zichtbare en geestelijke dingen, en boven alles uw goddelijk welbehagen altijd zoeken.

De zinnen der mensen falen dikwijls in t oordelen en de minnaars der wereld bedriegen zich ook met alleen de zichtbare dingen te beminnen. Is een mens daarom beter, als hij door een ander mens groot geacht wordt? De ene leugenaar bedriegt de andere, de ene hovaardige streelt de andere, de ene blinde misleidt de andere, de ene zieke verzwakt de andere, als zij elkander verheffen: en het dient hun waarlijk tot schande, als zij aldus elkander zonder reden prijzen. Immer, zegt de ootmoedige heilige Franciscus: wat een mens is in uw ogen, o Heer! is hij, en niets meer.

(1) 1 Cor. 4: 7 (2) Ps. 137: 16 (3) Ps. 118: 23 (4) Job 29: 3 (5) Ps. 16: 8 (6) Ps. 118: 71 (7) Ps. 68: 8 (8) Tob. 13: 2 (9) Ps. 17: 36 (10) Is. 11: 3

Thomas a Kempis

Over de Navolging van ChristusAbonneren per email (dagelijks van 27/11/2016 tot 16/06/2017 in de sterke tijden)