Maand: december 2017

De tragiek der verspeelde kansen

265. Negende Zondag na Pinksteren

De tragiek der verspeelde kansen

„Toen Jesus Jerusalem naderde en de stad aanschouwde, begon Hij om haar te wenen en zeide: „Ach, mocht ge nog op deze dag verstaan wat u tot vrede strekt! Maar thans is het verborgen voor uw ogen. Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen en u van alle zijden in het nauw brengen. En zij zullen u en uw kinderen in u vertreden en zij zullen in u geen steen op de andere laten, omdat gij de tijd dat God naar u omzag niet hebt erkend” ( Lk. 19, 41-44 ; evangelie).

1. Jesus heeft de stad lief die de glorie was van zijn volk en zijn vaderland, het heilige Jerusalem met zijn grootse tempel, nog het ene heiligdom van Jahweh, de God der vaderen, de stad van de oude koningsdynastie, de stad der belofte. Maar Jesus weet, dat de beloften zullen overgaan, hoe spoedig, naar het nieuwe Jerusalem en het nieuwe godsvolk. En als Hij van de hoogte van de Olijfberg de stad ziet liggen met de marmerweelde van Herodes‘ tempel en de glans van witte daken in het zonlicht, schuift zich voor dat vertrouwde panorama het wrede beeld van de gruwel der verwoesting: het verschrikkelijke beleg van het jaar 70 en de ondergang van al wat de Joden dierbaar was. Rokende puinen, wolken van stof, verminkte lijken; de Heer ziet die toekomst even werkelijk als het heden. En het heel erge is: wat zeker gaat gebeuren, hoefde niet zo te zijn. Nog zou het mogelijk wezen. „Ach, mocht ge nog op deze dag verstaan wat u tot vrede strekt!” Maar het is verborgen voor de ogen der Joden. In schuldige verblindheid miskennen zij de tijd van Gods bezoekingen en versmaden zij hun redding, die in Jesus tot hen komt. Het is de tragiek van de verloren kans, van het verworpen heil. Het is als wanneer een zeer dierbaar mens voor onze ogen ten onder gaat, door eigen schuld.

2. Wij vinden hier tweevoudige lering. Op de eerste plaats kunnen wij een strikt persoonlijke toepassing maken. Wat geldt voor het oude volk Gods, bevat ook een ernstige les voor de afzonderlijke christen (en Sint Paulus houdt ons in het epistel eigenlijk dezelfde waarschuwing voor). Vóór onze zalige dood is ons heil niet zeker. „Wie meent te staan, zie toe dat hij niet valle” ( 1 Kor. 10, 12 ; epistel). Ook voor de christen, die eenmaal verloren gaat, geldt het woord van de christelijke tragiek: „Ach, mocht ge nog op deze dag verstaan wat u tot vrede strekt!” Wat wellicht eenmaal zal zal geschieden, hoefde niet te zijn. Maar is ook menigmaal „voor onze ogen niet verborgen” de ontzettende ernst van de tijd van ons leven? Het lichtvaardige spel van onze vrijheid met de verlokkingen der zelfzucht is toch een spelen met allerlaatste dingen, een spelen met vuur …

3. En de tweede les: wat Jesus wenend zeide over Jerusalem, geldt collectief voor de mensheid, voor de wereld. „Ach, versmaad uw heil niet. Nog is bekering en redding mogelijk.” En al zijn er over de wereld dagen gekomen bij wier ellende de gruwelen van Jerusalem verbleken: verstaat de mensheid de tijd van Gods bezoeking? Zal zij tot inkeer komen of zullen alle verschrikkingen van verwoesting en menselijke ontluistering slechts het voorspel zijn van de tweede dood en de poel van vuur en zwavel ( Openb. 20, 14 )?

En zo wij zelf „menen te staan”, mogen wij toch niet menen dat dit ons niet aangaat. Christus heeft zijn Kerk, dat is ons, de zorg opgelegd voor het heil der wereld. Ieder van ons op zijn plaats en in het kader van zijn eigen mogelijkheden is mede verantwoordelijk voor de redding der velen. Ook hier heerst de wet der goddelijke mogelijkheden. Indien onze vrijheid volledig medewerkte, indien wij meer baden en boetten, zouden anderen rijker genaden ontvangen.

Het geloof dat bergen verzet

363. Drie en twintigste Zondag na Pinksteren

Het geloof dat bergen verzet

Het Evangelie verhaalt twee wonderen door de Zaligmaker onmiddellijk na elkaar verricht, de genezing van een zieke vrouw en de opwekking ten leven van Jaïrus‘ dochtertje ( Mt. 9, 18-26 ).

Wij lezen dit bericht ook bij Markus en Lukas en vooral de eerste geeft het met een overvloed van bijzonderheden die zijn tekst een grote levendigheid verlenen en welke zonder twijfel te danken zijn aan het ooggetuigeverslag van Sint Petrus, de leermeester van Markus. Die vrouw leed al twaalf jaar aan bloedvloeiing, een zwaar kruis, want bij de Joden gold zij als wettelijk onrein, hetgeen betekent dat de patiënte van de eredienst en het normaal menselijke verkeer was uitgesloten. Wie zulk een vrouw aanraakte of door haar werd aangeraakt, werd evenzeer en in dezelfde zin verontreinigd. Dit verklaart haar handelwijze. Verborgen in het gedrang van de menigte die Jesus naar het huis van de overste vergezelt, tracht zij ongemerkt van achteren naderbij te komen om de rand van zijn kleed aan te raken. Want dat zou voor haar genezing al voldoende zijn, meende zij (en zo zou zij, de onreine, de Heer zo min mogelijk beroeren). „En zodra zij Hem aanraakte, droogde de bron van haar bloed op en voelde zij aan haar lichaam dat zij genezen was van haar kwaal” ( Mk. 5, 29 ). Waarlijk, het leek soms, zoals Sint Lukas schreef ( 6, 19 ), alsof er een kracht van Hem uitstraalde machtig om allen te genezen. Maar het is niet dit contact alleen dat het wonder werkte; Jesus zei immers: „Dochter, uw geloof heeft u genezen, ga in vrede” . Het gezegende lichaam des Heren is als een sacrament door God aan de wereld geschonken voor haar eeuwig leven, voor de genezing van alle kwalen van ziel en van lichaam; maar daarnaast wordt van de mens het geloof in Jesus geëist als de geestesgesteltenis die de werking van Gods almacht mogelijk maakt.

Zo is het ook bij dat andere wonder dat naar menselijke berekening nog groter lijkt. Als men de vader komt melden dat het meisje intussen is gestorven en men dus „de Meester niet langer hoeft lastig te vallen” , zegt Jesus: „Vrees niet, geloof slechts” ( Mk. 5, 36 ). En wanneer dan in de gespannen stilte van het doodsvertrek waar slechts de ouders en de drie geliefde leerlingen zijn toegelaten, de woorden van de Meester vallen, rustig en klaar: „Meisje, sta op”, – geschiedt het wonder aanstonds en volkomen, zonder moeite en als vanzelf. „Het meisje stond op”, vertelt Markus, „en begon rond te lopen” ( 5, 24 ), als was er niets gebeurd.

2. Jesus vraagt van ons eenzelfde geloof. Het is dat onwankelbare vertrouwen waarvan Hij op een andere plaats zegt dat het bergen verzet. Het verleent aan ons smeekgebed een ongekende en onvermoede kracht. Op deze laatste Zondagen van het kerkelijk jaar zingt de liturgie in de communiezang telkens opnieuw dit wonderbare woord des Heren: „Voorwaar, Ik zeg u, alles wat gij in uw gebed vraagt, gelooft dat gij het reeds verkregen hebt, en het zal u geworden” ( Mk. 11, 24 ). Zo staat het in de oorspronkelijke tekst; wie met zulk geloof bidt, moet zich beschouwen als een die reeds datgene ontvangen heeft waarom hij vraagt; zo zeker is de verhoring.

Van zijn vrienden vraagt Jesus dit geloof, een geloof in God, onze almachtige en oneindig liefderijke Vader, die zich door Jesus heeft geopenbaard en die door de verheerlijkte Zaligmaker werkt in ons en in de Kerk. Dit geloof is geheel werkelijkheid. Het is niet iets wat wij alleen maar zo denken. Het is een onmiddellijke aanraking met de Werkelijkheid, met de liefde en de macht van God, zoals die in Jesus tot ons zijn gekomen. Het is een enkelvoudige en algehele vereniging van onze geest met God, waardoor onze ziel in haar middelpunt wordt aangegrepen en veranderd. Buiten alle stoffelijke factoren om en ongeacht de menselijke beperking, wortelt zulk een ziel in God en heeft zij, juist voorzover zij gelooft en vertrouwt, deel in Hem.

De Verlosser der wereld

34. Zesde dag onder het octaaf van Kerstmis

Wij hebben het grote woord reeds gesproken, Heer. „Een kind in een stal is het heil der wereld.” Wij komen immers niet alleen in de stal, wel arm maar niet eenzaam. Wij laten de macht van de machines en de wijsheid der boeken en het duister glanzen van het geld en de vele, vele woorden van de vorsten dezer wereld achter, als wij bij U komen. Slechts de koningen brachten er een weinig van mee: goud, wierook en mirre. Maar deze dingen hadden hun wereldse waarde verloren, ze waren slechts als bloemen achteloos gestrooid langs de weg die uw voetjes gaan. Neen, wij komen eenvoudig zoals we zijn, mensen die hun hart in hun handen dragen en de noden van hun ziel, zonder de ballast van de aardse schijn en het druk bedrijf der wereld. Doch wij kunnen bij U de anderen , onze afwezige broeders en zusters (o, lange, lange rijen!) niet vergeten. En Gij wilt het ook niet, Verlosser der wereld. De engelen hebben gezongen in de nacht: „Vrede op aarde aan de mensen van goede wil” , en „Ik verkondig u een grote vreugde die voor heel het volk zal zijn: heden is u de Verlosser geboren” ( Lk.2, 14. 10. 11 ). „Voor heel het volk…” Heer, moge ik oprecht tot U spreken. God zijt Gij en Gij zijt mens geworden om de wereld te verlossen. Er zijn van die woorden die wij niet licht vergeten. Een daarvan is: „Ik ben gekomen opdat zij het leven zouden hebben en leven in overvloed” ( Joh.10, 10 ). Gij zijt Heer der geschiedenis en Koning der harten. In uw handje, o Kind, draagt Gij de aarde en al wat zij bevat. En zie, uw komst op aarde (en uw zalig lijden en heilzame dood), reeds bijna twintig eeuwen zijn daar overheen gegaan. Al die tijd heeft de Kerk, uw bruid, onze liefderijke en wijze moeder, met uw gaven mild bedeeld, de mensen genodigd en gelokt om bij haar uw heil te vinden, zoals een hen haar kuikens wil verzamelen onder haar vleugels, „maar zij hebben niet gewild” ( Mt.23, 37 ). Zij hebben niet gewild. Als wij onze ogen slaan buiten de kleine kring waartoe wij door uw genade behoren, als wij de wereld beschouwen, hoe wordt het ons te moede, zelfs in deze nacht schoner dan de dagen! Hoevelen hebben uw zachte juk versmaad? Hoevelen zelfs van die uw naam dragen, geloven niet werkelijk in U? Zult Gij bij uw wederkomst wel geloof vinden op aarde ( Lk.18, 8 )? De wereld is verscheurd van haat en wreedheid, ook deze nacht. Velen kennen U niet, voor de meesten zijt Gij een naam zonder werkelijkheid. Voor hen betekent uw kribbe slechts even een vage zachtheid, een kortstondige vertedering, maar een uur later rennen zij voort langs hun baan die een cirkel is zonder eind.

Uw evangelist heeft geschreven: „Het Licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan. Hij was in de wereld en ofschoon de wereld door Hem was ontstaan, erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in zijn eigen bezit. Ook de zijnen ontvingen hem niet. En dit is het oordeel: het Licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden de duisternis meer dan het Licht. Want hun werken waren boos” ( Joh.1, 5. 10. 11; 3,19 ). Heer, mogen wij ons buigen voor dit ondoorgrondelijk geheim. Wat kunnen wij anders doen dan op onze borst kloppen en bidden om genade, voor onszelf die, bevoorrecht en uitverkoren, zo lauw en laf zijn voor uw Rijk, — en voor de anderen, dat zij U kennen mogen zoals Gij zijt? O Goddelijk Kind, bij wie de bron des levens is en de volheid van het heil, ontferm U over ons. „Alle einden der aarde hebben het heil van onze God aanschouwd” ( Ps.97, 3 ; communio van de dagmis van Kerstmis).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)