Auteur: Willem Grossouw

Het geloof dat bergen verzet

363. Drie en twintigste Zondag na Pinksteren

Het geloof dat bergen verzet

Het Evangelie verhaalt twee wonderen door de Zaligmaker onmiddellijk na elkaar verricht, de genezing van een zieke vrouw en de opwekking ten leven van Jaïrus‘ dochtertje ( Mt. 9, 18-26 ).

Wij lezen dit bericht ook bij Markus en Lukas en vooral de eerste geeft het met een overvloed van bijzonderheden die zijn tekst een grote levendigheid verlenen en welke zonder twijfel te danken zijn aan het ooggetuigeverslag van Sint Petrus, de leermeester van Markus. Die vrouw leed al twaalf jaar aan bloedvloeiing, een zwaar kruis, want bij de Joden gold zij als wettelijk onrein, hetgeen betekent dat de patiënte van de eredienst en het normaal menselijke verkeer was uitgesloten. Wie zulk een vrouw aanraakte of door haar werd aangeraakt, werd evenzeer en in dezelfde zin verontreinigd. Dit verklaart haar handelwijze. Verborgen in het gedrang van de menigte die Jesus naar het huis van de overste vergezelt, tracht zij ongemerkt van achteren naderbij te komen om de rand van zijn kleed aan te raken. Want dat zou voor haar genezing al voldoende zijn, meende zij (en zo zou zij, de onreine, de Heer zo min mogelijk beroeren). „En zodra zij Hem aanraakte, droogde de bron van haar bloed op en voelde zij aan haar lichaam dat zij genezen was van haar kwaal” ( Mk. 5, 29 ). Waarlijk, het leek soms, zoals Sint Lukas schreef ( 6, 19 ), alsof er een kracht van Hem uitstraalde machtig om allen te genezen. Maar het is niet dit contact alleen dat het wonder werkte; Jesus zei immers: „Dochter, uw geloof heeft u genezen, ga in vrede” . Het gezegende lichaam des Heren is als een sacrament door God aan de wereld geschonken voor haar eeuwig leven, voor de genezing van alle kwalen van ziel en van lichaam; maar daarnaast wordt van de mens het geloof in Jesus geëist als de geestesgesteltenis die de werking van Gods almacht mogelijk maakt.

Zo is het ook bij dat andere wonder dat naar menselijke berekening nog groter lijkt. Als men de vader komt melden dat het meisje intussen is gestorven en men dus „de Meester niet langer hoeft lastig te vallen” , zegt Jesus: „Vrees niet, geloof slechts” ( Mk. 5, 36 ). En wanneer dan in de gespannen stilte van het doodsvertrek waar slechts de ouders en de drie geliefde leerlingen zijn toegelaten, de woorden van de Meester vallen, rustig en klaar: „Meisje, sta op”, – geschiedt het wonder aanstonds en volkomen, zonder moeite en als vanzelf. „Het meisje stond op”, vertelt Markus, „en begon rond te lopen” ( 5, 24 ), als was er niets gebeurd.

2. Jesus vraagt van ons eenzelfde geloof. Het is dat onwankelbare vertrouwen waarvan Hij op een andere plaats zegt dat het bergen verzet. Het verleent aan ons smeekgebed een ongekende en onvermoede kracht. Op deze laatste Zondagen van het kerkelijk jaar zingt de liturgie in de communiezang telkens opnieuw dit wonderbare woord des Heren: „Voorwaar, Ik zeg u, alles wat gij in uw gebed vraagt, gelooft dat gij het reeds verkregen hebt, en het zal u geworden” ( Mk. 11, 24 ). Zo staat het in de oorspronkelijke tekst; wie met zulk geloof bidt, moet zich beschouwen als een die reeds datgene ontvangen heeft waarom hij vraagt; zo zeker is de verhoring.

Van zijn vrienden vraagt Jesus dit geloof, een geloof in God, onze almachtige en oneindig liefderijke Vader, die zich door Jesus heeft geopenbaard en die door de verheerlijkte Zaligmaker werkt in ons en in de Kerk. Dit geloof is geheel werkelijkheid. Het is niet iets wat wij alleen maar zo denken. Het is een onmiddellijke aanraking met de Werkelijkheid, met de liefde en de macht van God, zoals die in Jesus tot ons zijn gekomen. Het is een enkelvoudige en algehele vereniging van onze geest met God, waardoor onze ziel in haar middelpunt wordt aangegrepen en veranderd. Buiten alle stoffelijke factoren om en ongeacht de menselijke beperking, wortelt zulk een ziel in God en heeft zij, juist voorzover zij gelooft en vertrouwt, deel in Hem.

De Verlosser der wereld

34. Zesde dag onder het octaaf van Kerstmis

Wij hebben het grote woord reeds gesproken, Heer. „Een kind in een stal is het heil der wereld.” Wij komen immers niet alleen in de stal, wel arm maar niet eenzaam. Wij laten de macht van de machines en de wijsheid der boeken en het duister glanzen van het geld en de vele, vele woorden van de vorsten dezer wereld achter, als wij bij U komen. Slechts de koningen brachten er een weinig van mee: goud, wierook en mirre. Maar deze dingen hadden hun wereldse waarde verloren, ze waren slechts als bloemen achteloos gestrooid langs de weg die uw voetjes gaan. Neen, wij komen eenvoudig zoals we zijn, mensen die hun hart in hun handen dragen en de noden van hun ziel, zonder de ballast van de aardse schijn en het druk bedrijf der wereld. Doch wij kunnen bij U de anderen , onze afwezige broeders en zusters (o, lange, lange rijen!) niet vergeten. En Gij wilt het ook niet, Verlosser der wereld. De engelen hebben gezongen in de nacht: „Vrede op aarde aan de mensen van goede wil” , en „Ik verkondig u een grote vreugde die voor heel het volk zal zijn: heden is u de Verlosser geboren” ( Lk.2, 14. 10. 11 ). „Voor heel het volk…” Heer, moge ik oprecht tot U spreken. God zijt Gij en Gij zijt mens geworden om de wereld te verlossen. Er zijn van die woorden die wij niet licht vergeten. Een daarvan is: „Ik ben gekomen opdat zij het leven zouden hebben en leven in overvloed” ( Joh.10, 10 ). Gij zijt Heer der geschiedenis en Koning der harten. In uw handje, o Kind, draagt Gij de aarde en al wat zij bevat. En zie, uw komst op aarde (en uw zalig lijden en heilzame dood), reeds bijna twintig eeuwen zijn daar overheen gegaan. Al die tijd heeft de Kerk, uw bruid, onze liefderijke en wijze moeder, met uw gaven mild bedeeld, de mensen genodigd en gelokt om bij haar uw heil te vinden, zoals een hen haar kuikens wil verzamelen onder haar vleugels, „maar zij hebben niet gewild” ( Mt.23, 37 ). Zij hebben niet gewild. Als wij onze ogen slaan buiten de kleine kring waartoe wij door uw genade behoren, als wij de wereld beschouwen, hoe wordt het ons te moede, zelfs in deze nacht schoner dan de dagen! Hoevelen hebben uw zachte juk versmaad? Hoevelen zelfs van die uw naam dragen, geloven niet werkelijk in U? Zult Gij bij uw wederkomst wel geloof vinden op aarde ( Lk.18, 8 )? De wereld is verscheurd van haat en wreedheid, ook deze nacht. Velen kennen U niet, voor de meesten zijt Gij een naam zonder werkelijkheid. Voor hen betekent uw kribbe slechts even een vage zachtheid, een kortstondige vertedering, maar een uur later rennen zij voort langs hun baan die een cirkel is zonder eind.

Uw evangelist heeft geschreven: „Het Licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis nam het niet aan. Hij was in de wereld en ofschoon de wereld door Hem was ontstaan, erkende de wereld Hem niet. Hij kwam in zijn eigen bezit. Ook de zijnen ontvingen hem niet. En dit is het oordeel: het Licht is in de wereld gekomen, maar de mensen beminden de duisternis meer dan het Licht. Want hun werken waren boos” ( Joh.1, 5. 10. 11; 3,19 ). Heer, mogen wij ons buigen voor dit ondoorgrondelijk geheim. Wat kunnen wij anders doen dan op onze borst kloppen en bidden om genade, voor onszelf die, bevoorrecht en uitverkoren, zo lauw en laf zijn voor uw Rijk, — en voor de anderen, dat zij U kennen mogen zoals Gij zijt? O Goddelijk Kind, bij wie de bron des levens is en de volheid van het heil, ontferm U over ons. „Alle einden der aarde hebben het heil van onze God aanschouwd” ( Ps.97, 3 ; communio van de dagmis van Kerstmis).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Het rijk van de Zoon zijner liefde II

376. Zaterdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

Doch slechts in de hemel bestaat het koninkrijk van Christus volmaakt, onbedreigd, onvermengd, onverliesbaar bezeten en zonder zweem van vrees of smart genoten. De Stad Gods op aarde bestaat in strijd en lijden. Zolang de Heer niet is verschenen op de wolken des hemels om zijn uitverkorenen te verzamelen van de vier hoeken der aarde, is er nog de dood, en rouwklacht en geween en pijn. Dan, als Hij komt, zal Hij de tranen wegwissen van onze ogen; dan zal het oude geheel verdwijnen en alles worden vernieuwd. Laat ons, aan het einde van het jaar, ons hart troosten en onze ziel sterken met de beschouwing des hemels.

1. De hemelse gelukzaligheid bestaat in de aanschouwing Gods . „Wij zullen Hem zien zoals Hij is” ( 1 Joh.3, 2 ). In onze aardse staat kunnen wij ons nauwelijks een voorstelling vormen van dit geluk. Wij kunnen het slechts vermoeden, zo wij God liefhebben. „Bij U is de bron des levens, in uw licht zullen wij het licht aanschouwen. Geef mij een minnaar en hij begrijpt wat ik bedoel. Geef mij iemand die verlangt en hongert, die in deze wildernis pelgrimeert en van dorst versmacht naar de bron van het eeuwige vaderland. Zo iemand begrijpt wat ik zeg. Maar als ik voor lauwe en koele mensen moet spreken, verstaan zij mijn woorden niet… De aanschouwing van Gods aanschijn, broeders, is zo zoet en heerlijk dat niets anders ons kan behagen, als wij haar bezitten”

En daarom, helaas, blijven vele christenen zo ongevoelig voor de aantrekking van het paradijs en worden zij slechts bewogen door vrees voor de hellestraf die spreekt tot hun vleselijke verbeelding. Omdat wij toelaten dat de aardse begeerten ons hart in beslag nemen, blijft het gesloten voor de begeerte van het zalige leven. Mochten wij toch door de zuivering van onze zelfzucht de gave Gods leren hoogschatten en onze geest openen voor dat onpeilbaar geluk waarvan God ons in dit leven een voorsmaak wil schenken, juist in en door het verlangen der gekruisigde liefde.

2. Maar het hemelse geluk brengt ook met zich de volmaakte gemeenschap der heiligen. De aanschouwing Gods heeft de innigste vereniging van de ziel met haar Schepper ten gevolge, waardoor zij alleen voor God en in God bestaat. Niets is er buiten God wat haar nog zou kunnen boeien. Maar in God vindt zij allen en allen vinden haar. En deze gemeenschap met allen, dit openstaan zonder grenzen van de zaligen voor elkaar, is geen beletsel voor de meest volkomen en ononderbroken vereniging met God. Hier op aarde moeten wij trachten de schepselen uit onze gedachten en affecten te bannen, willen wij streven naar de vereniging des geloofs met de Heer (ofschoon ook hier de ware beschouwing ons hart opent voor de naaste, maar in de akt zelf kunnen wij niet onze gedachten richten op God en de schepselen tegelijk).

Omdat wij God zullen aanschouwen zoals Hij is , zullen wij in Hem beschouwen en beminnen allen die, evenals wijzelf, door zijn macht en liefde met Hem verenigd werden. In de Stad Gods is geen duister of schaduw; alles is licht en haar licht is God. Niemand heeft er voor een ander geheimen, de verborgenheden des harten, op de oordeelsdag aan het licht gebracht, liggen er onbedekt voor allen, maar niemand zal zich schamen of bedroefd zijn. „Zoals gij nu verlangt dat men uw gelaat ziet, zo zult gij dan begeren dat allen uw geweten doorschouwen” . Want de verheerlijkte littekens van onze zonden zullen Gods glorie verhogen en onszelf niet meer schrijnen. Alles wat ons nu bedroeft zal vernietigd zijn of veranderd in louter heerlijkheid en uit de veelstemmigheid der ontelbaar velen wordt het éne lofgezang geweven, het nieuwe lied der eeuwige liefde voor de Eeuwige.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Het rijk van de Zoon zijner liefde I

375. Vrijdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

In het epistel van de Zondag nodigt Paulus ons uit God te danken, omdat „Hij ons heeft ontrukt aan de macht der duisternis en overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon” ( Kol.1, 13 ).

Door het doopsel kregen wij deel aan de verlossing van Christus en werden wij leden van zijn lichaam en burgers van zijn koninkrijk. Het rijk van Christus is één, maar het bestaat in twee sferen, de aardse en de hemelse. Of, ons wellicht beter uitdrukkend, kunnen wij zeggen dat wij op een tweevoudige wijze deel hebben aan zijn rijk, door de genade als in een beginstadium, en later door de hemelse glorie als de eeuwige voltooiing. De Stad Gods op aarde is de Kerk. Zij is Christus’ rijk in onvolmaakte staat, het niet uitgeschifte visnet waarin zich de bruikbare en de ondeugdelijke vissen dooreen bevinden.

Maar zij is Christus’ rijk en wij moeten haar liefhebben als de Heer zelf. „Zalig hij die zich aan Mij niet ergert” Dit woord geldt ook van haar. Zij is het grote teken des geloofs, maar ook de toetssteen van ons geloof die struikelblok en ergernis kan worden. Geloven in de Kerk betekent niet de ogen sluiten voor het menselijke en al te menselijke waarmee zij is samengegroeid en noodzakelijk verbonden blijft tot de jongste dag, als God zijn engelen zendt om de goeden van de kwaden te scheiden.

Het is met het geloof in de Kerk als met alle geloof. Het waarachtige geloof is eerst mogelijk nadat de ergernis gevoeld en de crisis overwonnen is. Te voren is er het naïeve geloof dat in de ure der beproeving gevaar loopt ontworteld te worden. Eerst nadat de apostelen Jezus’ lijden en dood hadden aanschouwd en de schipbreuk beleefd van al hun opvattingen over het rijk Gods, waren zij rijp geworden om de genade des Geestes te ontvangen en om, met diepe schaamte over hun lafheid en in het besef van hun eigen volslagen ontoereikendheid, voortaan te bouwen op God alleen. Zolang wij geloven in de Kerk omdat zij ons menselijkerwijze machtig lijkt, omdat zij schijnt te slagen in deze wereld, geloven wij niet werkelijk. Geloven betekent altijd in God geloven om God . Menselijkerwijze gesproken ligt de Kerk altijd onder en is zij steeds de zwakste partij. Toch blijft zij onvergankelijk, omdat God werkt door haar zwakheid, omdat zij het aardse rijk is van zijn geliefde Zoon.

Wij moeten de Kerk zien met zuivere ogen: het rijk van Jezus met onze zwakheid vermengd, verduisterd door onze ellende, maar vervuld van zijn kracht en glanzend van zijn heiligheid. Het geheim der menswording zet zich in haar voort, Gods kracht in onze machteloosheid, zijn licht in onze duisternis. Wie zuiver in haar gelooft, zal zich aan haar niet ergeren, maar hij zal haar liefhebben met dezelfde onuitsprekelijke liefde waarmee zij Jezus bemint. In het hart van een christen leeft de liefde voor zijn Heer als een onbeschrijflijk geheim. Ja, zo is het in waarheid, ondanks de miserie van onze dagelijkse lafheid. De liefde voor Christus is datgene in ons wat wij een heiden niet kunnen verklaren, wat wijzelf niet eens begrijpen. Eenzelfde onuitgesproken, maar onuitputtelijke tederheid gevoelen wij voor de Kerk, die één is met Christus, de Bruid des Heren, louter lieflijkheid en schoonheid van binnen, stralend voor het oog des geloofs.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De eeuwigdurende bekering

374. Donderdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

In het offergebed van de zondagsmis lezen wij: „Verhoor, o Heer, genadig onze smekingen. Aanvaard de offers en gebeden van uw volk. Bekeer ons aller hart tot U, opdat wij, van aardse begeerten bevrijd, tot hemelse verlangens mogen overgaan.”

1. De heilige Kerk houdt ons op de laatste Zondag van het liturgisch jaar een der allerschoonste gebeden over de offergaven voor. Het brood en de wijn die zich op het altaar bevinden, alreeds aan profaan gebruik onttrokken, zijn de gaven van „Gods volk” , dat is van ons, die „Gods heiligen en geliefde uitverkorenen” zijn. God zal ze aanvaarden, want zij zullen door het priesterlijk woord worden veranderd in het lichaam en bloed des Heren. Onze „gebeden en smekingen” vergezellen ze. Ja, zij zelf worden in Jezus’ offer de vurigste en immer verhoorde smeekbede, die de Vader behaagt.

2. En hoe zuiver geeft deze formule het doel aan dat de eredienst der Kerk in ons wil bereiken: „ons aller hart moet zich tot God bekeren” . Zijn wij dan niet bekeerd, willen wij God niet oprecht dienen? Toch moeten wij altijd opnieuw bidden: „Bekeer ons hart tot U” , en met de psalmist: „Bekeer ons, o God, ons heil” ( Ps.84, 5 ), en met de Kerk in een ander harer gebeden: „Buig als met geweld onze opstandige wil tot U terug.” Wij behoeven altijd opnieuw bekering en deze bestendige ommekeer moet immer uitgaan van Gods genade. Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, die vurig blijven verlangen naar een heiligheid die hier op aarde nooit volkomen en nooit onverliesbaar wordt bezeten. Ons hart is een wankel ding. Onze zelfzucht krijgt steeds weer de overhand. Telkens weer zet zich op onze ziel het schuim af van zonde en onvolmaaktheid. Hoe past het ons nederig te verzuchten met de psalmist: „Was mij meer en meer van mijn ongerechtigheid” , en elke morgen opnieuw bij het confiteor ons op de borst te kloppen! In elke mis vragen wij God sterker beslag te leggen op ons hart, bij elke communie bidden wij: „Laat mij nimmer van U gescheiden worden. Moge de werking der hemelse gave bezit nemen van ons lichaam en onze ziel.”

3. Zo, Heer, zult Gij ons langzaamaan zuiveren van de „aardse begeerten” , ons geleidelijk genezen van de brandende en onrustige koorts van het egoïsme. Dan komt in ons het reine verlangen, dan gaan wij over tot de gelukzalige staat ( transeamus ) de hemelse begeerten en worden wij rijp voor wat Contardo Ferrini het feest van de heilige gedachten noemde. Wat behelzen deze? Verlangen naar uw nabijheid, naar het eeuwige zijn bij U, en verlangen naar de komst van uw rijk op aarde, verlangen om te werken en te lijden voor U, verlangen naar het enig noodzakelijke, naar het horen van uw woord, als Maria stil gezeten aan uw voeten, verlangen om onze broeders en zusters lief te hebben, verlangen naar waarheid en gerechtigheid. Heer, wij nemen deze woorden te gemakkelijk in de mond; zij dringen niet diep in de ziel, zij komen nog niet voort uit de grond van ons hart. Zij zijn nog niet geworden het woord dat Gij tot ons spreekt en dat ons zuivert ( Joh.15, 3 ). Gij alleen, Schepper en Heiligmaker, Gij alleen zijt in staat zulk een werkelijkheid in ons te scheppen en te behouden.

„Richt Gij zelf vast en zeker onze weifelende en wankele harten.” „U, Christus, kennen wij alleen. U smeken wij met zuiver en eenvoudig hart, bij klacht en lofzang, sla acht op het innerlijkst van onze geest” ( hymne van de lauden op Woensdag ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)