Auteur: Willem Grossouw

Het rijk van de Zoon zijner liefde II

376. Zaterdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

Doch slechts in de hemel bestaat het koninkrijk van Christus volmaakt, onbedreigd, onvermengd, onverliesbaar bezeten en zonder zweem van vrees of smart genoten. De Stad Gods op aarde bestaat in strijd en lijden. Zolang de Heer niet is verschenen op de wolken des hemels om zijn uitverkorenen te verzamelen van de vier hoeken der aarde, is er nog de dood, en rouwklacht en geween en pijn. Dan, als Hij komt, zal Hij de tranen wegwissen van onze ogen; dan zal het oude geheel verdwijnen en alles worden vernieuwd. Laat ons, aan het einde van het jaar, ons hart troosten en onze ziel sterken met de beschouwing des hemels.

1. De hemelse gelukzaligheid bestaat in de aanschouwing Gods . „Wij zullen Hem zien zoals Hij is” ( 1 Joh.3, 2 ). In onze aardse staat kunnen wij ons nauwelijks een voorstelling vormen van dit geluk. Wij kunnen het slechts vermoeden, zo wij God liefhebben. „Bij U is de bron des levens, in uw licht zullen wij het licht aanschouwen. Geef mij een minnaar en hij begrijpt wat ik bedoel. Geef mij iemand die verlangt en hongert, die in deze wildernis pelgrimeert en van dorst versmacht naar de bron van het eeuwige vaderland. Zo iemand begrijpt wat ik zeg. Maar als ik voor lauwe en koele mensen moet spreken, verstaan zij mijn woorden niet… De aanschouwing van Gods aanschijn, broeders, is zo zoet en heerlijk dat niets anders ons kan behagen, als wij haar bezitten”

En daarom, helaas, blijven vele christenen zo ongevoelig voor de aantrekking van het paradijs en worden zij slechts bewogen door vrees voor de hellestraf die spreekt tot hun vleselijke verbeelding. Omdat wij toelaten dat de aardse begeerten ons hart in beslag nemen, blijft het gesloten voor de begeerte van het zalige leven. Mochten wij toch door de zuivering van onze zelfzucht de gave Gods leren hoogschatten en onze geest openen voor dat onpeilbaar geluk waarvan God ons in dit leven een voorsmaak wil schenken, juist in en door het verlangen der gekruisigde liefde.

2. Maar het hemelse geluk brengt ook met zich de volmaakte gemeenschap der heiligen. De aanschouwing Gods heeft de innigste vereniging van de ziel met haar Schepper ten gevolge, waardoor zij alleen voor God en in God bestaat. Niets is er buiten God wat haar nog zou kunnen boeien. Maar in God vindt zij allen en allen vinden haar. En deze gemeenschap met allen, dit openstaan zonder grenzen van de zaligen voor elkaar, is geen beletsel voor de meest volkomen en ononderbroken vereniging met God. Hier op aarde moeten wij trachten de schepselen uit onze gedachten en affecten te bannen, willen wij streven naar de vereniging des geloofs met de Heer (ofschoon ook hier de ware beschouwing ons hart opent voor de naaste, maar in de akt zelf kunnen wij niet onze gedachten richten op God en de schepselen tegelijk).

Omdat wij God zullen aanschouwen zoals Hij is , zullen wij in Hem beschouwen en beminnen allen die, evenals wijzelf, door zijn macht en liefde met Hem verenigd werden. In de Stad Gods is geen duister of schaduw; alles is licht en haar licht is God. Niemand heeft er voor een ander geheimen, de verborgenheden des harten, op de oordeelsdag aan het licht gebracht, liggen er onbedekt voor allen, maar niemand zal zich schamen of bedroefd zijn. „Zoals gij nu verlangt dat men uw gelaat ziet, zo zult gij dan begeren dat allen uw geweten doorschouwen” . Want de verheerlijkte littekens van onze zonden zullen Gods glorie verhogen en onszelf niet meer schrijnen. Alles wat ons nu bedroeft zal vernietigd zijn of veranderd in louter heerlijkheid en uit de veelstemmigheid der ontelbaar velen wordt het éne lofgezang geweven, het nieuwe lied der eeuwige liefde voor de Eeuwige.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Het rijk van de Zoon zijner liefde I

375. Vrijdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

In het epistel van de Zondag nodigt Paulus ons uit God te danken, omdat „Hij ons heeft ontrukt aan de macht der duisternis en overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon” ( Kol.1, 13 ).

Door het doopsel kregen wij deel aan de verlossing van Christus en werden wij leden van zijn lichaam en burgers van zijn koninkrijk. Het rijk van Christus is één, maar het bestaat in twee sferen, de aardse en de hemelse. Of, ons wellicht beter uitdrukkend, kunnen wij zeggen dat wij op een tweevoudige wijze deel hebben aan zijn rijk, door de genade als in een beginstadium, en later door de hemelse glorie als de eeuwige voltooiing. De Stad Gods op aarde is de Kerk. Zij is Christus’ rijk in onvolmaakte staat, het niet uitgeschifte visnet waarin zich de bruikbare en de ondeugdelijke vissen dooreen bevinden.

Maar zij is Christus’ rijk en wij moeten haar liefhebben als de Heer zelf. „Zalig hij die zich aan Mij niet ergert” Dit woord geldt ook van haar. Zij is het grote teken des geloofs, maar ook de toetssteen van ons geloof die struikelblok en ergernis kan worden. Geloven in de Kerk betekent niet de ogen sluiten voor het menselijke en al te menselijke waarmee zij is samengegroeid en noodzakelijk verbonden blijft tot de jongste dag, als God zijn engelen zendt om de goeden van de kwaden te scheiden.

Het is met het geloof in de Kerk als met alle geloof. Het waarachtige geloof is eerst mogelijk nadat de ergernis gevoeld en de crisis overwonnen is. Te voren is er het naïeve geloof dat in de ure der beproeving gevaar loopt ontworteld te worden. Eerst nadat de apostelen Jezus’ lijden en dood hadden aanschouwd en de schipbreuk beleefd van al hun opvattingen over het rijk Gods, waren zij rijp geworden om de genade des Geestes te ontvangen en om, met diepe schaamte over hun lafheid en in het besef van hun eigen volslagen ontoereikendheid, voortaan te bouwen op God alleen. Zolang wij geloven in de Kerk omdat zij ons menselijkerwijze machtig lijkt, omdat zij schijnt te slagen in deze wereld, geloven wij niet werkelijk. Geloven betekent altijd in God geloven om God . Menselijkerwijze gesproken ligt de Kerk altijd onder en is zij steeds de zwakste partij. Toch blijft zij onvergankelijk, omdat God werkt door haar zwakheid, omdat zij het aardse rijk is van zijn geliefde Zoon.

Wij moeten de Kerk zien met zuivere ogen: het rijk van Jezus met onze zwakheid vermengd, verduisterd door onze ellende, maar vervuld van zijn kracht en glanzend van zijn heiligheid. Het geheim der menswording zet zich in haar voort, Gods kracht in onze machteloosheid, zijn licht in onze duisternis. Wie zuiver in haar gelooft, zal zich aan haar niet ergeren, maar hij zal haar liefhebben met dezelfde onuitsprekelijke liefde waarmee zij Jezus bemint. In het hart van een christen leeft de liefde voor zijn Heer als een onbeschrijflijk geheim. Ja, zo is het in waarheid, ondanks de miserie van onze dagelijkse lafheid. De liefde voor Christus is datgene in ons wat wij een heiden niet kunnen verklaren, wat wijzelf niet eens begrijpen. Eenzelfde onuitgesproken, maar onuitputtelijke tederheid gevoelen wij voor de Kerk, die één is met Christus, de Bruid des Heren, louter lieflijkheid en schoonheid van binnen, stralend voor het oog des geloofs.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

De eeuwigdurende bekering

374. Donderdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

In het offergebed van de zondagsmis lezen wij: „Verhoor, o Heer, genadig onze smekingen. Aanvaard de offers en gebeden van uw volk. Bekeer ons aller hart tot U, opdat wij, van aardse begeerten bevrijd, tot hemelse verlangens mogen overgaan.”

1. De heilige Kerk houdt ons op de laatste Zondag van het liturgisch jaar een der allerschoonste gebeden over de offergaven voor. Het brood en de wijn die zich op het altaar bevinden, alreeds aan profaan gebruik onttrokken, zijn de gaven van „Gods volk” , dat is van ons, die „Gods heiligen en geliefde uitverkorenen” zijn. God zal ze aanvaarden, want zij zullen door het priesterlijk woord worden veranderd in het lichaam en bloed des Heren. Onze „gebeden en smekingen” vergezellen ze. Ja, zij zelf worden in Jezus’ offer de vurigste en immer verhoorde smeekbede, die de Vader behaagt.

2. En hoe zuiver geeft deze formule het doel aan dat de eredienst der Kerk in ons wil bereiken: „ons aller hart moet zich tot God bekeren” . Zijn wij dan niet bekeerd, willen wij God niet oprecht dienen? Toch moeten wij altijd opnieuw bidden: „Bekeer ons hart tot U” , en met de psalmist: „Bekeer ons, o God, ons heil” ( Ps.84, 5 ), en met de Kerk in een ander harer gebeden: „Buig als met geweld onze opstandige wil tot U terug.” Wij behoeven altijd opnieuw bekering en deze bestendige ommekeer moet immer uitgaan van Gods genade. Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, die vurig blijven verlangen naar een heiligheid die hier op aarde nooit volkomen en nooit onverliesbaar wordt bezeten. Ons hart is een wankel ding. Onze zelfzucht krijgt steeds weer de overhand. Telkens weer zet zich op onze ziel het schuim af van zonde en onvolmaaktheid. Hoe past het ons nederig te verzuchten met de psalmist: „Was mij meer en meer van mijn ongerechtigheid” , en elke morgen opnieuw bij het confiteor ons op de borst te kloppen! In elke mis vragen wij God sterker beslag te leggen op ons hart, bij elke communie bidden wij: „Laat mij nimmer van U gescheiden worden. Moge de werking der hemelse gave bezit nemen van ons lichaam en onze ziel.”

3. Zo, Heer, zult Gij ons langzaamaan zuiveren van de „aardse begeerten” , ons geleidelijk genezen van de brandende en onrustige koorts van het egoïsme. Dan komt in ons het reine verlangen, dan gaan wij over tot de gelukzalige staat ( transeamus ) de hemelse begeerten en worden wij rijp voor wat Contardo Ferrini het feest van de heilige gedachten noemde. Wat behelzen deze? Verlangen naar uw nabijheid, naar het eeuwige zijn bij U, en verlangen naar de komst van uw rijk op aarde, verlangen om te werken en te lijden voor U, verlangen naar het enig noodzakelijke, naar het horen van uw woord, als Maria stil gezeten aan uw voeten, verlangen om onze broeders en zusters lief te hebben, verlangen naar waarheid en gerechtigheid. Heer, wij nemen deze woorden te gemakkelijk in de mond; zij dringen niet diep in de ziel, zij komen nog niet voort uit de grond van ons hart. Zij zijn nog niet geworden het woord dat Gij tot ons spreekt en dat ons zuivert ( Joh.15, 3 ). Gij alleen, Schepper en Heiligmaker, Gij alleen zijt in staat zulk een werkelijkheid in ons te scheppen en te behouden.

„Richt Gij zelf vast en zeker onze weifelende en wankele harten.” „U, Christus, kennen wij alleen. U smeken wij met zuiver en eenvoudig hart, bij klacht en lofzang, sla acht op het innerlijkst van onze geest” ( hymne van de lauden op Woensdag ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Dank voor het jaar van Gods goedheid

373. Woensdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

Het epistel van de Zondag eindigt met de schone woorden van Sint Paulus : „Ik bid en smeek dat gij de Vader moogt danken die u in staat heeft gesteld om deel te krijgen aan de erfenis der heiligen in het licht. Hij heeft ons aan de macht der duisternis ontrukt en overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, door wie wij de verlossing hebben verkregen, de vergiffenis der zonden” ( Kol.1, 12-14 ).

1. Hoe dikwijls hebben wij in het afgelopen jaar onze ziel gesterkt met de woorden van de grote apostel! Wanneer wij nu, overeenkomstig zijn vermaning, God danken voor zijn weldaden, dan mag erkentelijkheid voor de hemelse gave van die woorden niet achterwege blijven. Wanneer wij, volgens de uitdrukking van Sint Paulus , eenmaal deel hopen te krijgen aan het bovenaardse licht van de zaligen, dan mogen wij nu reeds ons verheugen om de stralen van dat licht, ons meegedeeld in het woord Gods, dat onze gang door het jaar begeleidde.

Dankbaarheid jegens God onze Vader, van wie alle goed neerdaalt, dit is een van Paulus ‘ geliefde vermaningen. Hoe passend worden wij er in deze laatste week van het kerkelijk jaar aan herinnerd! Deze gesteltenis moet nu overheersen in onze ziel. Met de schaamte over de fouten van het verleden en onze overgrote onwaardigheid, met de heilzame vrees voor dood en oordeel die onafwendbaar naderbijkomen, met deze en boven deze: blijde dankbaarheid voor alles wat wij van God ontvingen. Zijn barmhartigheid overtreft oneindig al onze ellende. Het is altijd alleen zijn genadige verlossing die ons redt.

Laten wij nagaan, voor zijn aanschijn, hoe goed de Heer wederom voor ons was tijdens de jaarkring van zijn welwillendheid die voorbijging…

2. De ene en grote, alle andere in zich sluitende weldaad Gods is onze verlossing , dat wij „deel mochten krijgen aan de erfenis der heiligen in het licht en werden overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon” . Alle genaden, die zijn mildheid ons schonk in het afgelopen jaar, hangen daarmee samen als takken en loof aan de ene boom. Wij werden „ontrukt aan de macht van de duisternis” , waar de satan heerst, aan de zonde, aan de dwaling en het verderf, aan het niets, aan de schijn van deze wereld die voorbijgaat. Want bij alle bewustzijn van eigen onwaardigheid en onvoldoendheid zijn wij, bij dit einde, toch gelukkig door het besef dat wij in de levenwekkende schoot der Kerk en de gemeenschap van de sacramentele tekenen deel hebben aan het licht der heiligen, aan het licht van God zelf.

Kinderen der Kerk, kinderen van God, ledematen van het rijk van de geliefde Zoon: welk een fiere blijdschap moge ons bezielen! Al onze zonden en al onze zwakheid mogen ons de uitverkiezing Gods niet doen vergeten.

3. Deze genade gewerd ons door Hem „door wie wij de verlossing hebben verkregen, de vergiffenis der zonden” , door Jezus Christus die gekruisigd werd om onzentwil. Naar onze gekruisigde Heer zien wij op met geloof en vertrouwen, naar Hem die wij aanschouwden alle dagen van het jaar, die wij verwachten aan het einde der jaren. Het kruis van Jezus heeft ons vergezeld en wij willen het nimmer verlaten, totdat het verschijnt op de wolken des hemels. In het kruis ligt ons heil, ons leven en onze verrijzenis. Het teken en werktuig der verlossing, het insigne van de christen, de hoop van onze harten, ons eigen kruis in ons eigen leven (maar geen christen leeft voor zichzelf…), laten wij het duurzamer trouw beloven voor de tijd van het leven die Gods goedheid ons schenkt.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Christelijke doodsgedachte

372. Dinsdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

Het einde van het jaar brengt ons vanzelf op de gedachte aan het einde van ons leven. De komst van Christus ten oordeel waarvan het grote zondagsevangelie spreekt, sluit ook zijn komst in als rechter voor ons allen, in die ontmoeting van God en de ziel, die wij het bijzonder oordeel plegen te noemen. Er is een soort conventie om de dood dood te zwijgen. Deze welgemeende samenspanning werkt het sterkst, als de dood van een dierbare nabij lijkt en ontaardt dan niet zelden in leugen en bedrog. Dit is zeer weinig christelijk. Wij zijn toch niet als zij die geen hoop hebben? Wij weten toch dat een zalige dood onze volmaaktste gelijkenis met Christus op aarde bewerkt en aanvang is van een onwankelbare vereniging der ziel met God? En er is wel nauwelijks een groter dienst die wij als christen aan onze naaste kunnen bewijzen denkbaar dan de hulp hem tijdig verleend voor een zalig afsterven.

1. In de evangeliën spreekt Jezus zelden over de dood van de afzonderlijke mens. Maar veel van wat Hij zegt over zijn wederkomst op het einde der tijden, geldt ook voor ons stervensuur, en wel heel bijzonder dat het tijdstip onbekend en de komst onverwacht zal zijn. Het beeld van de „dief in de nacht” is van Jezus zelf afkomstig ( Mt.24, 43 ; Lk.12, 39 ). De apostelen hebben het herhaald: „Zie, Ik kom als een dief; zalig hij die wakende is” ( Openb.16, 15 ; 3, 3 ; 1 Thess.5, 2 ; 2 Petr.3, 10 ). En het heeft zijn volle kracht behouden. Christelijk leven is leven in waakzaamheid.

2. De gedachte aan de dood is onmisbaar om het aardse leven naar zijn juiste waarde te beoordelen. De wetenschap dat men zal sterven geeft ons het persoonlijk besef van de algemene vergankelijkheid van het aardse. De gestalte van deze wereld gaat voorbij ( 1 Kor.7, 31 ). Zij gaat voor ons voorbij, omdat wij sterven. „Dwaas, nog deze nacht eist men uw ziel van u op, en wat ge hebt opgestapeld, van wie zal het zijn?” ( Lk.12, 20 ).

De dood is de grote waardemeter. Wat voor zijn geweld standhoudt, heeft eeuwigheidswaarde. Zoals wij de dingen zullen beoordelen in ons stervensuur zo zijn zij waarachtig. Dan beginnen wij door de schijn van dit leven heen te zien.

„De mens sterft slechts éénmaal en daar het hem aan ervaring ontbreekt, sterft hij verkeerd. Wil hem het sterven gelukken, dan moet hij onder leiding van ervaren mensen leren sterven, onder leiding van hen die reeds stervende waren. De onthechting geeft ons deze ervaring van de dood” ( Florensky ). Als wij niet reeds tijdens ons leven het kruis hebben gedragen, zullen wie niet licht goed weten te sterven.

3. De dood is voor de christen geen einde, maar een begin, de smartelijke doch voleindigende overgang naar het eeuwige zijn bij God. Hoezeer verlang ik, zegt Paulus , dit leven te verlaten om met Christus te zijn! Dit is toch veruit het beste ( Phil.1, 23 ). Zolang wij in het lichaam thuis zijn, zijn wij ver van de Heer ( 2 Kor.5, 6 ).

Dit is het grote verlangen dat alle heiligen heeft bezield en dat hen menigmaal als een heimwee verteerde. Ons leven moet zo zijn dat ook in onze ziel dit verlangen kan ontstaan.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)