Een deugddoende donderpreek

Ik lees heel wat artikeltjes in Feedly, mijn nieuwe RSS-lezer sinds Google Reader begraven werd. Daarnaast passeert er ook een regelmatige portie tekst uit e-boeken of apps de revue. Wanneer een bepaald onderwerp in meerdere bronnen tegelijk belicht wordt, zie ik daarin de hand van de voorzienigheid eerder dan van het toeval. Vandaag overkwam het me met het fenomeen ‘donderpreek’, dat, net zoals Google het concept RSS-lezer begraven heeft, al decennia geleden door de katholieke kerk ten grave gedragen is. Waarom? Uit vrees om gelovigen angst aan te jagen? Ik ga de analyse niet overdoen, maar laat de EE.HH. aan het woord:

Lees eerst het artikel van mgr. Charles Pope op de blog van het aartsbisdom van Washington, waarin gesproken wordt

  • over de bijbelse grond van de ‘donderpreek’,
  • over het onderscheid tussen onvolmaakt en volmaakt berouw in de akte van berouw (“Ik verfoei al mijn zonden, niet alleen omdat ik uw straffen heb verdiend; maar vooral omdat ze U mishagen”),
  • over ons modern zelfbeeld, dat niet wil aanvaarden aangesproken te worden op onze misstappen,
  • over heet beeld dat opgehangen wordt van Christus, als een ‘ongevaarlijke hippie’,
  • over onze persoonlijke tocht in het geloof, waarin godsvrezendheid een noodzakelijke stap is naar de volmaakte liefde.

In zijn bezinning voor de dinsdag na de zevende zondag na Pinksteren (vorige dinsdag dus, in de kalender van de buitengewone vorm van de Romeinse ritus) schreef E.H. Grossouw in ‘Innerlijk Leven’ een heel gelijkaardige tekst, die ik hieronder zal citeren.

De vreze des Heren

„Komt, kinderen, luistert naar mij; ik zal u onderrichten in de vreze des Heren” ( Ps. 33, 12 ; graduale).

De tegenstelling tussen het Oude Testament als de wet der vreze en het Nieuwe Testament als de wet der liefde is een gemeenplaats geworden. En voorzeker bestaat er ook een slaafse vrees, die Sint Paulus afkeurt en die strijdig is met de geest van het kindschap Gods, het erfdeel der christenen (Rom. 8, 15). Maar het woord Gods staat vast: „De vreze des Heren is het begin der wijsheid” (en men zou volgens de oorspronkelijke tekst zelfs mogen verstaan: het summum der wijsheid Ps. 110, 10). Wij mogen niet vergeten dat ons woord „godsvrucht” ten slotte niets anders beduidt.

Wanneer wij ons de verhouding tussen vader en kind zuiver denken, dan is de gesteltenis van het kind er een van vertrouwen gemengd met eerbiedige vrees. Er bestaat een waarachtige kinderlijke vrees, ingegeven door hoogachting en eerbied voor het vaderlijk gezag. Ook in de verhouding van de christen tot God moet dit element tot zijn recht komen. Jesus zelf spreekt er over in hetzelfde woord waarin Hij bij zijn leerlingen vrees voor de mensen veroordeelt: „Vreest niet hen die het lichaam kunnen doden maar niet de ziel. Vreest veeleer Hem die en lichaam en ziel kan verderven in de hel” (Mt. 10, 28). Sint Petrus vermaant ons: „Brengt in vreze de tijd door van uw vreemdelingschap” (1 Petr. 1, 17). — En zoals het vaderschap Gods het aardse oneindig overtreft in onmeetbare autoriteit, zo moet ook de vreze Gods in onze harten sterker zijn dan alle vrees, en alle gevaren en moeiten overwinnen die een mens kan duchten. […]

Maar deze vrees is geen angst. Geen irrationele gevoelsaandoening voor de onberekenbare grillen van een despoot. Zij ontneemt ons de zekerheid niet van een goed geweten. Zij maakt ons niet schrikachtig, als werden wij voortdurend beloerd door een achterdochtige bespieder. De vreze des Heren is niets anders dan een diepe eerbied voor het onpeilbare wezen Gods, die ons vertrouwen een luisterrijke schoonheid verleent: de schoonheid van de ware verhouding tot het goddelijke. Zij sluit de liefde niet uit, maar veredelt ze.

Sint Jan aarzelt niet te schrijven: „In de liefde is geen vrees. Maar de volmaakte liefde bant de vrees uit. Want de vrees houdt verband met straf en wie vreest is niet volmaakt in de liefde” (1 Joh. 4, 18). De apostel geeft zelf te kennen welke vrees hij bedoelt: die welke verband houdt met straf. De vrees voor het straffend oordeel Gods, die daarom nog geen slaafse vrees behoeft te zijn, wordt uitgesloten door de volmaakte liefde. Op dit plan is er geen plaats meer voor vrees, maar alleen voor „vrijmoedigheid tegen de dag van het oordeel” (4, 17). Maar  dit is het niveau van de heiligen. Laten wij intussen onze vrees temperen met vertrouwen en onze liefde verstevigen door kinderlijke vrees. Laten wij bidden om die volmaakte liefde, die toch voor de beminde leerling het gemeenschappelijke ideaal is van alle christenen.

Lees die cursieve zin nog eens na: “Op dit plan is er geen plaats meer voor vrees, maar alleen voor „vrijmoedigheid tegen de dag van het oordeel” (4, 17). Maar  dit is het niveau van de heiligen.” De vrijmoedigheid waarmee gelovigen zich vandaag tegenover de dag van het oordeel stellen, impliceert die dat we onszelf plots allemaal de heiligheid mogen aanmeten?

 

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *