“Gebt mir meinen Jesum wieder!”

Het was Judas, door wroeging bevangen, die in de tempel de dertig zilverlingen de hogepriesters toewierp en uitriep: Geef mij mijn Jezus terug! In de crisis die zich voor onze ogen voltrekt, zijn we allemaal Judassen. Alvorens kritiek te uiten, is het goed in eigen hart te kijken en te oordelen wat de kerk van Gods ene volk werkelijk ten goede komt. Slechts met oprechte spijt over de onverzoenlijkheid waarmee we tegenover mekaar staan, kunnen we in alle eerlijkheid uitroepen “Geef me mijn Jezus terug!”… Mijn Jezus is er voor iedereen die oprecht en eerlijk wil geloven en werken aan de opbouw van Zijn kerk.

Ik zou graag een eerlijk getuigenis geven, hoe ik de crisis aanvoel. Hoewel ik me overduidelijk in het ‘kamp’ van mgr. Leonard bevind, heb ik geen behoefte om me heen te gaan schoppen: dat zou onze kerk alleen maar schade toebrengen. Het publieke debat heeft vooral eerlijkheid nodig. Niet alleen intellectuele eerlijkheid is geboden, maar ook emotionele eerlijkheid. Dat het debat op intellectueel vlak erbarmelijk gevoerd wordt, hoeft geen betoog. De meeste bijdragen zijn heel emotioneel en spelen op de man. Maar ook in die emotionaliteit, toont men zelden het achterste van zijn tong… het gaat immers over geloof en over geloof spreken vinden we moeilijk.

Ik ga het toch even proberen.

Onlangs las ik een artikel van Roger Lenaers s.j. dat heel exemplarisch is voor het modernisme in de kerk, althans zoals ik de indruk heb dat het leeft bij tal van binnenkerkelijke progressieven, het IPB, de CD&V main-stream, vele theologen en dies meer. Lenaers voert een betoog om de macht van paus en bisschoppen in de kerk te beperken. Het artikel is lezenswaardig, en zolang de jezuïet zich tot historische argumenten beperkt, is zijn kritiek vaak terecht. Er is in de geschiedenis van de kerk veel misgelopen en ongetwijfeld zijn er misgroeiingen in de kerkelijke organisatie die tot vandaag voortleven. Ook dat is een aspect van de traditie, die -geleid door de Heilige Geest, maar bedreigd door menselijke zwakheden- slechts stapsgewijs tot het volmaakte christelijke leven voert.

Die historische argumenten zijn slechts inkleding. Het pijnlijke kernpunt van zijn betoog rust op volgende stelling. “De mens van de moderniteit kán niet langer denken in een systeem van twee werelden. Hij ergert zich begrijpelijkerwijze dan ook aan een instituut dat zich voor zijn recht van spreken op een mandaat van God-in-den-hoge beroept. Een dergelijke fundering is voor hem uiteraard even illusoir als die God. […] Die bovennatuurlijke wereld is in de ogen van de moderniteit, ook de gelovige, een hersenschim.”  Hetzelfde viel eerder deze week kernachtig te lezen bij Peter de Graeve. Lenaers heeft wel een alternatief om binnen de kerk de norm te stellen: de voortzetting van het gezag van Jezus ‘van Nazareth’, ontdaan van alle historische misvattingen en misbruiken, en gecontroleerd volgens democratische principes. [1]

Het klinkt allemaal mooi, maar ik kan mijn geloof onmogelijk verzoenen met het godsbeeld dat hij presenteert. Je moet mij niet komen zeggen dat God, tot wie ik dagelijks bid, een hersenschim is. Ik kan me ook niet voorstellen hoe een ‘modern’ gelovige, voor wie God dus een hersenschim blijkt, überhaupt nog kan bidden. Daarop haak ik resoluut af.

En toch ben ik ervan overtuigd dat Roger Lenaers het oprecht goed voorheeft met de kerk en het geloof. Hoewel hij ongetwijfeld niet tot de ideologische vriendenkring van de aartbisschop behoort, wil ik daarom niet suggereren dat hij God heeft ingeruild voor “de heersende progressieve, libertijnse tijdgeest, die een autoriteit is die geen tegenspraak duldt, een god die iedereen moet gehoorzamen”, zoals Gerard Bodifee -spijtig genoeg- wel meent de tegenstanders van mgr. Leonard te mogen katalogeren.

Hetzelfde begrip voor de goeie bedoelingen van de ‘modernisten’ binnen de kerk, vertolkt Jürgen Mettepenningen in een essay uit 2006 (en hij sluit zich dan ook verder bij hen aan -wat ik niet kan). Hij identificeert vijf kernideeen van het katholiek modernisme.  (1) De openbaring is niet beëindigd met de dood van de laatste apostel, maar duurt voort in alle tijden. (2) Als gevolg daarvan is de kerkelijke leer, dogma’s incluis, aan evolutie onderhevig. Modernisten (3) verbinden enerzijds het bovennatuurlijke en de kennis die uit de openbaring voortkomt met anderzijds het natuurlijke en de kennis die uit de rede voortkomt: zij verzoenen de transcendente met de immanente[2] God en (4) denken daarom na vanuit het oogpunt van de concrete persoon of de gemeenschap, eerder dan vertrekkende van algemene waarheden. Tenslotte (5) onderwerpen ze de theologie aan de toets van de historische kritiek.

Opnieuw kan ik een heel eind mee met dit modernisme, omdat het de kerk kan verbeteren, maar ‘the full monty’ zal je mij niet zien doen. Ik ben oprecht bang daarmee alles te verliezen wat mijn geloof stut. Als (1-2) de slinger doorslaat van openbarings-evolutie naar openbarings-revolutie, als (3) de transcendente God wordt opgesloten in de immantie van de wereld, als (4) alle waarheden worden versmacht in de relativiteit van het personalisme, als (5) Christus zelf wordt beperkt tot zijn historiciteit, dan vind ik met mijn geloof geen raakvlakken meer.[3] Veel ‘moderne gelovigen’ zullen je op hun communniezieltje bezweren dat hun bedoeling niet strekt tot dit modernistisch extremisme, maar tegelijk kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de implementatie van dit geloofsbeeld al volop aan de gang is.

Nog een pijnpunt is de kerkelijke hiërarchie. Ze heeft veel gebreken, maar kom me alsjeblief geen democratie in de plaats verkopen! Als bestuursvorm voor een staat wil ik democratie nog aanvaarden als het minste van alle kwaad. Ik wil echter noch de inhoud, noch de vorm van mijn geloof laten afhangen van de heug en de meug van het lokale kiesvee, dat zich naar hartelust onderwerpt aan de idée-fixes van een bende beroepsmenners (lees: journalisten en politici). Als er één bestuursvorm garant staat voor verdeeldheid en partij-vorming, is het wel de democratie. Democratie samen vernoemen met de kerk van Jezus, is een contradictio in terminis.

Tenslotte vraag ik me bang af, hoe ik in een kerk die wordt beheerst door dit modernisme nog mijn geloof kan praktiseren. Wat verwordt er van de sacramenten in een modernistisch geloofsbeeld? Als er geen bovennatuurlijke dingen gebeuren tijdens de consacratie? Als het niet de Vader zelf is die zonden vergeeft in de biecht? Als het huwelijk niet een band is waarin Gods levensscheppende kracht werkelijk is?

Als ik naar de kerk moet voor een goed verhaal en een babbel, dan hoeft het niet meer, want het heeft geen zin, en ik vind er elders en betere. Ongetwijfeld hebben ‘moderne’ gelovigen toch een manier gevonden om hun geloofsbeeld zinvol te maken, anders zouden ze zichzelf niet ‘gelovig’ noemen. Maar ik begrijp het niet. Ik vat het niet. Toch gun ik het hen, want ik voel aan dat velen onder hen een eerlijke strijd voeren om hun geloof te beschermen in het modernisme, eerder dan tegen het modernisme.

Dit is geen theologische scherpslijperij, maar het maakt duidelijk waarom ik me niet op mijn gemak voel in een modernistische kerk. Het kan toch niet dat de Kerk me de God ontzegt, omwille van Wie de kerk bestaat? Ook ik wil van de kerk een duidelijk signaal krijgen dat ik er met mijn geloof terecht kan. Daarvan wil ik getuigen, want het is belangrijk mekaars halsstarrigheid en boosheid te begrijpen.

Ik wil niet liever dan de zilverlingen van de onverzoenlijkheid waarmee ik mijn geloof verdedig, in de tempel werpen, en uitroepen “Geef me mijn Jezus terug!”, die er is voor iedereen die in Hem gelooft. Voor Judas was het te laat: het kwaad had zich voltrokken. Hopelijk is het voor ons en onze kerk nog niet te laat.

 

 

[1] “Maar wat met de moderne gelovige? Voor die is Jezus van Nazareth de grote openbaring van de goddelijke Oerwerkelijkheid en als zodanig normerend. Als hij gezag binnen de kerk erkent, kan het alleen het gezag zijn dat de verlenging en voortzetting is van het gezag van die Jezus. En aangezien de kerk een historische werkelijkheid is, moet historisch nawijsbaar zijn dat de hiërarchie zich voor het gezag dat ze claimt, op die Jezus kan beroepen. […] Elk modern en dus democratisch denkend lid van de gemeenschap moet hem dan erkennen als met kerkelijk gezag bekleed. Maar weigert die gemeenschap hem, dan mag Rome het been nog zo stijf houden: hij heeft geen recht van spreken. Hij kan dat recht immers alleen maar van beneden krijgen, van de in de geschiedenis voortlevende Christus die de kerkgemeenschap is. Gezag ‘uit den hoge’ bestaat niet meer.”

[2]Een notie van ‘immanentie’ die trouwens niks te maken heeft met de ‘immanente rechtvaardigheid’ waarover Leonard sprak, maar er wel mee wordt verward.

[3]Zie ook “De maat van God” http://www.leerhuislelie.be/Actualiteit2.html
Dit artikel verscheen ook in Catholica.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *