God heeft het zijne; wat overblijft is van mij

Vorige week las ik in Innerlijk Leven een beschouwing bij het evangelie van de Barmhartige Samaritaan, de populaire parabel die het antwoord geeft op de vraag: “wie is mijn naaste?” Die vraag komt van een farizeeër, die Jezus op de proef wil stellen.

Grossouw actualiseert de parabel zo:

The Good Samaritan (William Henry Margetson)

Meen ook hier niet dat het farizeïsme is uitgestorven. Altijd neigt de mens uit zelfbehoud er toe zich door verplichtingen en prestaties te verweren tegen de goddelijke eis der onvoorwaardelijke overgave. Wie de godsdienst wil herleiden tot een serie, hoe uitgebreid en ingrijpend ook, van wetswerken en geboden, zoekt een grens waarachter hij „zichzelf” kan zijn, een rustpunt, waar hij kan denken: het is genoeg, God heeft het zijne; wat overblijft is van mij. Wie waarachtig bemint, zoekt deze valse veiligheid niet, want liefde streeft er naar de grenzen op te heffen, de grenzen tussen plicht en raad, tussen eis en wens, de grenzen zelfs tussen Gij en ik. Aan de goddelijke liefde komt krachtens haar wezen totaliteit toe; hieraan kan slechts een reddeloze overgave van een hulpeloos mens beantwoorden. En dit is het juist wat Jesus vraagt. „Zie eens of Hij u nog iets overlaat waarmee ge uzelf kunt beminnen. Hij zegt immers: „Gij zult de Heer, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en geheel uw verstand.” Wat blijft er over van uw hart dat gij nog uzelf zoudt beminnen? Wat van uw ziel en uw verstand? Hij die u geschapen heeft, eist u geheel op” (Sint Augustinus, Sermo 34).

De onvolprezen priester-blogger msgr. Pope maakte in juli net dezelfde analyse: “If I go to Church, pay my tithes, and say a few prayers I can check off the “God box,” consider myself righteous and to have met all my duties. It becomes all too easy to walk past the needy, to walk past injustice, to tolerate evil, to remain silent and protect my hide and ego and all the while think God won’t mind because I sat in the pew last Sunday.”

Omdat de vraag van een farizeeër komt, antwoordt Jezus met het beeld van de priester die de Samaritaan voorbijgaat, omdat zijn hulp voor de vreemdeling in de weg zou staan van zijn dienstwerk aan God in de tempel. Populair is dan ook de interpretatie van de parabel dat elke vorm van religiositeit als een blijk van farizeïsme in de weg staat van echte naastenliefde en dat we ons veel beter bezig houden met sociale engagementen. Dat is niet helemaal wat Jezus bedoelt. Een bevlogen sociaal engagement kan immers net zo goed ontaarden tot farizeïsme en blind maken voor de noden van concrete ‘naasten’. Na vervulling van het sociaal engagement klint het dan: “God heeft het zijne; wat overblijft is van mij”. Vervang “God” hier door “de samenleving”, en je krijgt meteen een seculiere variant van dezelfde vorm van zelfingenomenheid, die verklaren kan waarom mensen enerzijds in hun publiek leven een heel waardevol sociaal engagement kunnen opnemen, maar anderzijds in hun privéleven een grens optrekken en zeggen “wat overblijft is van mij”. Voor concrete naasten zoals gezin, familie of buren gelden dan plots niet langer de liefde, het begrip, de openheid, de verdraagzaamheid, de onvankelijkheid en de bewogenheid die het sociaal engagement zo kenmerken, maar een rechtvaardiging van een individu dat “zichzelf” wil zijn. Het is een valse veiligheid, want God eist je geheel op!

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *