Hij heeft geen verweer tegen u

De heilige apostel Jakobus waarschuwt ons in zijn brief voor de gevaren van rijkdom. We hoorden dat in de tweede lezing van de zevenentwintigste zondag door het jaar, 30 september jongstleden.

13 En nu u die zegt: ‘Vandaag of morgen gaan wij naar die en die stad, wij zullen er een jaar doorbrengen en handel drijven en winst maken’, 14 u weet niet eens wat de dag van morgen zal brengen! Wat is uw leven? Een nevel die een ogenblik verschijnt om weldra te verdwijnen. 15 U zou moeten zeggen: ‘Als de Heer het wil, zullen wij in leven zijn en dit of dat doen.’ 16 In plaats daarvan loopt u te bluffen en overmoedig op te scheppen; al die opschepperij is verkeerd. 17 Wie goed zou kunnen doen maar het nalaat, doet zonde. 1 En nu u die rijk bent: huil en jammer om de rampen die over u komen. 2 Uw rijkdom is verrot, uw mooie kleren zijn door motten verteerd, 3 uw goud en zilver is verroest. Die roest zal tegen u getuigen en als een vuur uw lichaam verteren. Schatten hebt u verzameld, terwijl het de laatste dagen zijn. 4 Hoor, het loon dat u hebt onthouden aan de arbeiders die uw velden hebben gemaaid, roept luid, en de kreten van uw oogsters zijn doorgedrongen tot de oren van de Heer der heerscharen. 5 U hebt op aarde gezwelgd en gebrast, u hebt uzelf vetgemest voor de dag van de slachting. 6 U hebt de rechtvaardige gevonnist en vermoord; hij heeft geen verweer tegen u. (Jak 4:13-5:6)

Rijkdom kan aanleiding zijn tot zonde, omdat ze ons ongeduldig maakt. “Wie goed zou kunnen doen maar het nalaat, doet zonde” waarschuwt de apostel, en zo vergaat het ‘rijken’ die met een heleboel dingen bezig zijn, maar niet het geduld hebben om te ‘wachten’ op de komst van de Heer. Dat ‘wachten’ is geen passieve houding, het is ‘waakzaam zijn’, een actief en continu bewustzijn dat niet door de beslommeringen van onze rijkdom kan worden overschaduwd.

De apostel schrijft “Hij heeft geen verweer tegen u”. Daarmee laat hij ons zien hoe weerloos Christus is tegenover onze zonde. Zelfs al is Hij almachtig, zelfs al heeft Hij door zijn verrijzenis getriomfeerd boven hen die Hem aan het kruis nagelden en heeft Hij ons van de zonde verlost, er is een dreiging die nog groter is dan de zonde. Die dreiging is dat Jezus vergeten wordt. In grote delen van de westerse samenleving is de dreiging werkelijkheid en is de Openbaring van Christus radikaal teniet gedaan, omdat we met zoveel andere dingen bezig zijn die we belangrijker vinden. Christus is een tweede keer gevonnist en vermoord, louter door Hem te vergeten, en Hij heeft geen verweer… Of dat met de rijkdom te maken heeft, die ook een kenmerk is van de westerse wereld, is voer voor sociologen.

Wat nu?

Als je de omringende passages in de brief leest, is het niet de rijkdom op zich die veroordeeld wordt, maar wel de talloze (hoofd!-)zonden die eruit voortvloeien, waaronder hoogmoed (4:16), traagheid (4:17), gierigheid (5:4), gulzigheid (5:5). Het is tegen die zonden, dat de Heer geen verweer heeft. Tegen geen enkele zonde, trouwens! God mag dan wel almachtig zijn, Hij heeft de mens vrij geschapen en Hij kan hem niet verhinderen om zonde te doen. Daarom juist is Jezus aan het kruis moeten sterven, ondanks zijn Goddelijke natuur.

Hetgeen Jakobus schrijft, lijkt heel sterk op wat we komende zondag in de evangelielezing zullen horen uit de mond van Jezus, die de arme weduwe prijst om haar offerbereidheid, maar de schriftgeleerden verguist om hun schijngodsdienstigheid.  De crux is de bereidheid tot offeren. Christus’ offer heeft de aard van de offercultus omgekeerd. Het brengen van rijkelijke brandoffers bleek niet noodzakelijk de veruitwendiging te zijn van een grote liefde voor God. Daarom vroeg Jezus geen offers meer, maar rechtstreekse liefde, voor God, voor de naaste. Maar slagen we daarin, of is onze naastenliefde ook maar schijn? De naastenliefde (we noemen het nu: solidariteit) in onze samenleving is ongekend groot, maar zij is evenals de voorchristelijke brandoffers in waarachtigheid gedevalueerd: ze versmacht de liefde voor God, omdat ze geinstitutionaliseerd is en onze persoonlijke ‘waakzaamheid’ in slaap wiegt.

De Kerk is de alarmbel die onze waakzaamheid op peil houdt, door ons wegen te tonen naar waarachtige offerbereidheid en een waarachtige liefde voor God, niet versmacht in een opgelegde geinstitutionaleerde naastenliefde of in de uiterlijke schijn van onze materiele, intellectuele of sociale rijkdom. We kunnen echter niet allemaal moeder Theresa zijn en ons volledig geven aan de armen, maar zoals er verschillende vormen van rijkdom zijn, zijn er verschillende vormen van armoede. Jezus somde er heel wat op in de Zaligsprekingen. Er zijn dan ook verschillende manieren om onze liefde voor God te tonen, want voor God is niets onzichtbaar. Dagelijks wat minder met onze rijkdom bezig zijn en wat meer nederigheid en dienstbaarheid beoefenen zal ons ook al een eind op weg helpen. We kunnen ook meer spirituele offers beoefenen, zoals vasten, biecht of gewoon gebed. Al is het maar om Hem niet te vergeten en waakzaam te blijven.

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *