Oecumenische bescheidenheid

In Leuven ontving de anglicaanse aartsbisschop Rowan Williams een eredoctoraat wegens zijn verdienste als theoloog en kerkleider. Leuvens hoogleraar en oecumene-specialist Peter de Mey belicht de suboptimale toestand van de oecumenische dialoog (of ‘tweespraak’?) tussen de katholieke en anglicaanse kerken als volgt: “Recente problemen in bepaalde anglicaanse provincies zoals de wijding van een praktiserend homoseksueel priester tot bisschop en de wijding van vrouwelijke bisschoppen – nochtans de logische volgende stap na de erkenning van vrouwelijke priesters – bemoeilijken de dialoog. Maar er is geen andere weg om tot het herstel van de eenheid te komen. Op het vlak van de individuele seksuele moraal past ons in de rooms-katholieke Kerk momenteel enige bescheidenheid.”  Wat bedoelt De Mey daar nu mee? Wat is de relevantie van het misbruikschandaal in de oecumenische dialoog?Is er meer misbruik door priesters in de katholieke dan in de anglicaanse kerk? Geen idee, maar de kans lijkt me klein. Heeft misbruik door priesters iets te maken met de angels in de dialoog, te weten: praktiserend homoseksuele priesters en vrouwelijke priesters? Het lijkt me zelfs not done het misbruikdebat aan het genderdebat te koppelen…

De manier waarop De Mey het ene aan het andere koppelt, lijkt te insinueren dat de katholieke kerk nu beter wat toegeeflijker zou zijn en enkele aanpassingen in haar leer zou moeten aanbrengen om de anglicaanse kerk tegemoet te treden. Waarom dit momentum zich tot zo’n houding zou lenen, is mij vreemd, ik zou eerder een tegenovergestelde reactie verwachten van de kerk, namelijk een meer strikte toepassing van de leer.

Ik besef dat deze interpretatie, afgaande op een bijzonder kort citaat, slechts een slag in het water is. Van De Mey is er op het internet verder weinig materiaal te vinden, buiten een (heel technische) lezing over wederzijdse dooperkenning tussen de katholieke en protestantse kerken. Daarom zou ik verderop niet langer de persoon De Mey en zijn – mijn onbekende – standpunten willen behandelen, maar wel zijn exemplarisch onvoorzichtig gebruik van het begrip bescheidenheid, dat snel verward kan worden met het begrip nederigheid.

Mark van de Voorde schreef over die bescheidenheid maanden geleden al een bevattelijke bijdrage, waarin hij het onderscheid met de christelijke nederigheid duidelijk maakt, en waarschuwt: “een bescheiden mens gelooft niet dat hij wat te zeggen heeft. Hij heeft immers geen te hoge gedachten van zichzelf. Zijn mening is dus niet noemenswaardig. Bescheidenheid is dan ook de eerste stap om van je geloof te vallen.”

Bescheidenheid in oecumenische relaties is gevaarlijk, ze kan immers leiden tot de relativering van de geloofswaarheid. Ik ben geen oecumene-expert, maar ik stootte op een korte rede uit 1964 van paus Paulus VI, over de eenheid van de kerk. In dit uitgebreid citaat levert hij een heel correcte opdrachtsverklaring af voor iedereen die zich voor oecumene wil inzetten:

Zekerheid moet bij de katholiek gepaard gaan met nederigheid en dankbaarheid en nooit met trots. Een ander gevoel dat ons moet bezielen is broederlijke belangstelling voor allen die nog niet hetzelfde geluk deelachtig zijn als wij. Gij weet hoe veelomvattend deze belangstelling dient te zijn en hoe sterk deze innerlijke drang op dit ogenblik leeft in onze harten; belangstelling voor alles wat waar, goed, christelijk en heilig is bij onze afgescheiden broeders; belangstelling voor hun wij:z:e van denken en voelen; eerbiediging van hun gevoelens waar dit mogelijk is; verlangen om de problemen die er tussen ons bestaan en die de hereniging bemoeilijken op te helderen; zoeken, in een geest van nederigheid, geduld en vertrouwen, naar een loyale oplossing, een goede oplossing die voor niemand vernederend is maar eervol voor allen omdat zij beantwoordt aan de wens van Christus.

Paulus VI koppelt nederigheid aan zekerheid. Van de Voorde stelt dat nederigheid het tegenovergestelde is van bescheidenheid. En bescheidenheid leidt tot relativisme, wat dan weer het tegenovergestelde is van zekerheid. Het wezenlijke verschil tussen bescheidenheid en nederigheid ligt in het primaire referentiekader van deze respectieve houdingen. (Evangelische) nederigheid is in eerste instantie een houding die een gelovige aanneemt tegenover God, vanzelfsprekend niet zonder effect op iemands houding in de samenleving. Bescheidenheid is een houding die men aanneemt tegenover de wereld, of – in deze context – tegenover een oecumenische gesprekspartner. Bescheidenheid tegenover God is als het ware een contradictio in terminis, want waar de nederigheid de persoonlijke verdienste in het heil toewijst aan God, diminueert de bescheidenheid de persoonlijke verdienste en daarmee ook de verdienste van God. Waar de nederigheid de persoonlijke zonde erkent en vergiffenis afsmeekt van God, wijst de bescheidenheid de genade af.

Het lijkt waarschijnlijk een woordspelletje, maar voor wie met oecumene begaan is, is het onontbeerlijk mekaar goed te begrijpen, en zedig om te gaan met belangrijke geloofsbegrippen.

Wanneer slaat nederigheid over in bescheidenheid? Ik val – oecumeneleek zijnde – terug op een geherpubliceerd artikel over het begrip ‘dialoog’, waarin de auteur – vertrekkende van de doelstelling van oecumenische dialoog volgens Paulus VI – in na Vaticanum II de doelstelling ziet ontstaan “door dialoog de waarheid te achterhalen”[1], met opnieuw een waarschuwing: “de Katholiek die in de dialoog dit standpunt inneemt, twijfelt aan eigen geloof of is niet oprecht. Amerio zegt dit met veel nadruk. Hij voegt eraan toe, dat zulk een dialoog ook niet voor alle katholieke deelnemers zonder gevaar is en dat het denkbaar is, dat hij kan leiden tot verduistering of zelfs verlies van het geloof.”

Ik vermoed dat voor een verdere uitdieping van dit thema mijn filosofie tekort schiet. Waar bijvoorbeeld eindigt de ‘waarheid’ (die niet aan tijd of persoon gebonden is), en begint de ‘formulering’ ervan (die wel veranderlijk kan zijn)? Dat is een cruciale vraag voor de oecumene, maar ook voor onze kerk op zichzelf.

En als men het daarover eens is, blijft het spook van het voluntarisme op de loer liggen. Als een oprechte dialoog kan leiden tot een nieuwe, gemeenschappelijke formulering die dezelfde waarheid volledig weerspiegelt, is dat een lovenswaardige bijdrage tot de eenheid van de christenen. Als in een voluntaristische dialoog de waarheid wordt verduisterd of verzwakt (bijvoorbeeld met als aanleiding het misbruikschandaal, dat wezenlijk met de dialoog niks te maken heeft), opdat een gemeenschappelijke formulering van deze ‘nieuwe waarheid’ mogelijk wordt, is het geloof geschaad en daarvoor brengt de verworven eenheid geen soelaas.

 

[1] Vaticanum II zegt hierover in Dignitatis Humanae: “Men moet echter de waarheid zoeken op de wijze, die eigen is aan de waardigheid van de menselijke persoon en aan haar sociale natuur, nl. door een vrij onderzoek, door middel van onderricht of vorming, van uitwisseling van ideeën en dialoog, waardoor men aan elkaar de waarheid uiteenzet, die men heeft gevonden of meent te hebben gevonden, om zo elkaar te helpen bij het zoeken naar de waarheid. Is men eenmaal tot de kennis van de waarheid gekomen, dan moet men deze standvastig aanvaarden met een persoonlijke instemming.”

in na

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *