Verstarring, verbeelding en fantasie

Verstarring

Wanneer is geloof verstard? Als het gebrek aan verbeelding vertoont? Of als door een teveel aan fantasie wordt geplaagd? Het antwoord is: beide!

Ik had me voorbereid op de eerste zondag van de Advent. In online winkeltjes zocht ik adventskalenders en voorleesboeken voor de kinderen. De lezingen van deze zondag had ik al verwerkt, bij de redactie van mijn Prentenmissaal. De liturgie laat ons uitkijken naar de komst van Jezus. Niet alleen naar Zijn geboorte, maar -meer nog- naar Zijn wederkomst. Wanneer ik de voorbije weken voorlas uit de kinderbijbel kwamen we dikwijls op verwante verhalen, bijvoorbeeld dat van de nachtelijke bezoeker, dat van de dwaze maagden, dat van de nauwe deur. De boodschap is even duidelijk als het beeld dat opgehangen wordt: we moeten waakzaam zijn, want eens worden we geoordeeld, om opgenomen te worden in het rijk Gods. Een waarheid die ik in onze parochiekerk ook elke zondag uitspreek in de geloofsbelijdenis in de zin ‘die zal wederkomen om te oordelen’ en in ‘het eeuwig leven en de verrijzenis van het lichaam’.

Daarom wou ik voor geen geld de heilige mis deze zondag missen en ging ik -verhinderd om ’s morgens naar de parochiemis te gaan- ’s avonds naar een avondmis in een andere kerk. Groot was dan ook mijn desillusie daar te moeten vaststellen hoe elke verwijzing naar het eeuwig leven en het laatste oordeel vakkundig was weggepoetst! De liturgische teksten van het credo waren in een ‘eigentijds’ kader ‘hertaald’. De priester was wel zo eerlijk het op die -ietwat eufemistische- manier aan te kondigen. De homilie was vervangen door een lekengetuigenis die -hoewel op zichzelf best verdienstelijk- geen recht deed aan de geloofswaarheden en de bijbellezing waaraan ik mij hoopte te laven. Gelukkig mocht ik die avond nog voorlezen uit Ons Dagelijks Brood – Advent en Kersttijd, waarin zonder zinloze schaamte recht wordt gedaan aan de kern van de liturgische van de Advent.

Dit soort ervaringen, die zeker niet alleenstaand zijn, brengen me in een toestand van onzekerheid. Hoe moet het immers verder wanneer de kinderen wat groter zijn en -hopelijk- actiever (lees: meer luisterend en begrijpend) zullen deelnemen aan de liturgie, maar daarbij ongetwijfeld zullen opmerken dat er van de dingen die ik hen vertel essentiële elementen onvindbaar blijven. Ze zullen zich terecht gaan afvragen of ik hen geen vals geloof heb bijgebracht! Daar sta je dan, als ouder in eer en geweten beantwoordend aan de belofte die je eens maakte je kinderen in het geloof op te voeden, machteloos gesteld door diezelfde kerk voor wie je die belofte hebt afgelegd.

“Jezus leeft in elk van ons” en “het rijk Gods is midden onder de mensen” en “we herkennen God in onze naaste”… Het zijn natuurlijk geen leugens en het zijn zelfs nuttige concepten om tot een christelijke geestesgesteldheid te komen. Het zijn de ‘leuzes’ van Vaticanum II, die ook al bij de zalige J.H. Newman klonken. Maar die leuzes vertolken niet helemaal wat Jezus ons in het evangelie leert. Het is slechts een greep uit de geloofsschat van onze kerk. Zeker, Jezus blijft ons nabij, we zijn verplicht Zijn gelijkenis na te streven en Hem te herkennen in onze naaste. Zeker, in gebed en liefdeservaringen herkennen we iets van het rijk Gods. Zeker, we kunnen helpen het rijk Gods tot stand te laten komen. Maar dat zullen toch altijd maar afspiegelingen blijven van de zalige tegenwoordigheid van onze Schepper en Verlosser waarin we na dit leven hopen te vertoeven? Als we onze heilsverwachting beperken tot afspiegelingen, ontnemen we onszelf dan niet de motivatie om de christelijke levensprincipes tot het uiterste te volgen? Reduceren we dan de rechtvaardigheid van de Heer niet tot een immanente rechtvaardigheid (om maar eens een populair begrip te gebruiken), rechtvaardigheid dus die uit de feiten zelf volgt en waarvoor we God niet nodig hebben?

Ligt het aan mij dat ik me na zo’n ‘eigentijds hertaalde’ liturgie niet gelaafd en gesterkt voel, maar eerder leeggezogen en in twijfel gebracht? Alsof ik een stukje van mijn geloof verloren ben, dat ik nog maar net gevonden had? Of mag ik stellen dat dit ‘eigentijds’ geloof eigenlijk een produkt is van en voor verstarde geesten, geesten zonder verbeelding?

Verbeelding

De bijbel en meerbepaald het evangelie bevat tal van beelden om de komst van het rijk Gods voor te stellen. In sommige protestantse kringen worden de taferelen zoals we die zien in de lezing van de eerste zondag van Advent, aanzien als een getrouwe weergave van de wederkomst van Christus. Katholieken werden opgevoed in het geloof met typische prenten waarop engelen de goede zielen mee naar de hemel nemen en duivels de slechte zielen naar de hel sleuren, waarvan de bekendste ongetwijfeld in de Sixtijnse kapel te vinden is. En staat het ons niet vrij eigen beelden toe te voegen? Ik kan me best voorstellen dat de opname van de zaligen in het rijk Gods zich jubelend voltrekken zal zoals in de “hallellujah chorus flash mob”, op YouTube reeds vier miljoen keer bekeken op twee weken tijd. Je kan voor of tegen dit soort van letterlijke beelden zijn, het zijn tenminste beelden die beantwoorden aan het geloof in de boodschap die Jezus verkondigt, namelijk dat Hij zal wederkomen en dat er een oordeel zal volgen over wie het rijk Gods zal binnentreden.

Ik ben heus wel rationeel genoeg om te beseffen dat die beelden één voor één niet de ganse waarheid omtrent het einde der tijden bevatten, ik hoef niet te weten op wat voor troon de Rechter zal zetelen, met welk vervoersmiddel we voor zijn tribunaal zullen worden gebracht, of Hij een baard heeft of niet en met hoeveel ogen of vleugels Zijn hemelse wezens zullen verschijnen, het laat me koud. Wat ik wel weet, is dat Hij rechtvaardig is en genadig. En… dat Hij zal oordelen. Om dat te kunnen weten, durf ik de beperktheid van mijn rationaliteit erkennen en mijn verbeelding aanspreken. Verstard en trots zijn de geesten die enkel de rationaliteit erkennen en die trachten Gods heilswerk aan hun rationaliteit te onderwerpen door het te reduceren tot een psychologisch model, opgesloten in de wereld, opgesloten in de hoofden van de mensen. Voor hen is God niets om voor te knielen, want wie knielt er nu voor zijn eigen psyche?

Er is geen God-in-den-hoge meer. Men zoekt God in de wereld, in de mens. En natuurlijk vinden zij God daar! Een klassieke vraag in de Mechelse Catechismus “waar is God” wordt beantwoord met “overal, in de hemel, op de aarde en op alle plaatsen”. Duidelijker kan niet worden verwoord dat het fout is God uitsluitend in de hemel te zoeken, en niet in de wereld te herkennen, maar dat het evengoed fout is God uitsluitend in de wereld te zoeken, en Hem niet in de hemel te weten. De meest verstokte traditionalist, zal de eerste zijn om Gods aanwezigheid in de wereld te erkennen, niet als een vaag gedefinieerde “oer-kracht” of als “de ander”, maar heel tastbaar, in de sacramenten. Hoe kunnen we meer één worden met Jezus, dan in de eucharistie? Hoe kunnen we Gods genadewerk op aarde krachtiger ervaren dan in het sacrament van de biecht? Hoe kunnen we Gods aanwezigheid ín de mens meer recht doen dan door de ziel waarmee God ons, zijn kinderen, heeft begiftigd, van zonde te zuiveren?

Er heerst in de kerk een gebrek aan verbeeldingskracht. Verbeelding heb je nodig om een waarheid die niet tastbaar is, middels een beeld te bevatten. De waarheid bijvoorbeeld, dat God ook transcendent is! Het beeld is een middel en het doel is de achterliggende waarheid zo goed mogelijk te begrijpen. Religieuze kunst is bij uitstek figuratief, juist omwille van die beelden. Sacramenten gaan nog een stap verder: in het sacrament, dat ook een beeld is, wordt de achterliggende waarheid werkelijk tastbaar. Het beeld wordt gemaakt door de mens, de achterliggende waarheid is deel van de openbaring.

De sterke beelden, die ons iets proberen te tonen van de wederkomst van Christus, zijn verdwenen van ons netvlies en uit onze liturgie, of toch ver naar de achtergrond verdrukt. Zijn daarmee ook de achterliggende waarheden, het geloof, verdwenen uit onze geest? Ik vrees dat in veel gevallen het bedroevende antwoord ‘ja’ is… Als verbeelding verdwijnt, deemstert de onzichtbare waarheid weg, samen met het geloof, en verdwijnt God uit het zicht. De verbeelding is het middel waarmee we over God kunnen communiceren. Zodra de verbeelding verdwijnt, zijn we allen eilandjes waarop we elk een eigen God huisvesten, als een schipbreukeling en gedoemd samen met ons te vergaan. Het enige wat in de plaats komt, is fantasie.

Fantasie

Neem bijvoorbeeld een Peter Nissen, die enkele maanden geleden met grote trom de kerk verliet omdat die te weinig ‘verbeelding’ toelaat. Hij wijt dat aan al te starre tradities, al te strenge leer en logge structuren. Maar is het werkelijk ‘verbeelding’ wat hij zoekt? Of maakt hij misschien de verkeerde analyse? De verbeelding is inderdaad verdwenen, maar Peter Nissen wil deze leemte invullen met fantasie: met eigen vormen en beelden, niet in functie staan van het geloof in God, maar die in functie staan van zijn eigen sociale, culturele en politieke denkbeelden. Paus Benedictus XVI waarschuwde onlangs in Portugal nog tegen deze machinatie, die niet alleen kenmerkend is voor kerkverlaters, maar die in de  kerkelijke structuren zelf doordringt. De eerste-lijnsfantasten kunnen nog bouwen op hun oorspronkelijk geloof en voelen het gemis aan verbeelding alsdusdanig niet aan. Zij zuller er echter niet in slagen om middels hun fantasieën hun geloof ook over te dragen op een nieuwe generatie. Zonder verbeelding is geloof gedoemd uit te sterven. Fantasie is het einde van elke traditie.

De kerk moet hoogdringend aan haar verbeelding werken. Fantasie hebben we niet nodig, want die leidt slechts tot verwarring. Verbeeldingskracht hebben we nodig, om beelden te zoeken die de ene waarheid integraal kunnen reflecteren. Beelden die mensen doen nadenken over de bestemming van hun leven en over hun relatie tot God, die niet alleen Vader is, maar ook Rechter, die niet alleen Schepper is, maar ook Verlosser, die vraagt dat we onze liefde niet alleen richten op onze naaste, maar ook -en eerst- op Hem.

De kerk moet ook haar verbeelding in toom houden. “De verbeelding aan de macht” willen we niet, want verbeelding moet ten dienste blijven staan van de catechese. Wellicht is het de vorige generatie geweest die danig in de war is gebracht door een kerk die een heel sterke verbeelding had, en soms de verbeelding verwarde met de achterliggende geloofswaarheid. Als je dan op straat “de verbeelding aan de macht” hoort schreeuwen, kan ik me voorstellen dat het je te machtig wordt.

Beelden moeten complementair gebruikt worden, want een enkel beeld kan geen integraal geloofsbeeld omvatten. Beelden moeten ook supplementair zijn: door dezelfde geloofswaarheid in verschillende beelden te belichten, wordt meteen duidelijk dat het niet de beelden zijn die de kern zijn van het geloof, maar de achterliggende waarheid. Maar bovenal blijft het belangrijkst hoe je met die beelden omgaat, hoe je ze gebruikt om het geloof te beleven en over te dragen. Om beelden te laten inwerken moeten ze consistent gebruikt worden. Net als een logo in de marketing door een consistente campagne verbonden wordt met een achterliggende betekenis, moeten beelden in de kerk consistent en herkenbaar blijven. Liturgische teksten,  sacramenten, gebeden, rituele zegeningen en allerhande figuratieve voorstellingen van parabels en heiligen zijn sterke beelden die in stelling moeten worden gebracht voor het geloof! Iedereen die oprecht met het geloof bezig is, moet met die beelden aan de slag. Niet vanuit een ingesteldheid iets nieuws te maken, maar met een open geest die zoekt naar naar God die in de wereld is, maar niet van de wereld.

 

Dit artikel verscheen ook in Catholica.

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

2 meningen over “2$s”

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *