Gods Scheppingsplan

(in English)Infografiek over de belangrijkste elementen van de katholieke leer en de dagelijkse geloofspraktijk.

Bestel een afdruk van deze poster of download als PDF

De Heilige Drievuldigheid

De Heilige Drievuldigheid is de Vader, de Zoon en de Heilige Geest

De heilige drie-eenheid, drievuldigheid of triniteit (v. Lat.: trinitas) is de theologische opvatting in veel takken van het christendom dat God bestaat in drie heilige personen: de Vader, de Zoon (Jezus Christus) en de Heilige Geest.

Het Oude Testament

De schepping van hemel en aarde

Het scheppingsverhaal in Genesis vormt het begin van de Hebreeuwse Bijbel en beschrijft de schepping van de wereld door God. Buiten Genesis verwijzen onder andere ook de Bijbelboeken de Psalmen (Psalm 104), het Evangelie volgens Johannes (Johannes 1:1-5) en de Handelingen van de Apostelen (Handelingen 17:24-26) naar dit scheppingsverhaal. Genesis begint met de woorden “In het begin schiep God de hemel en de aarde”, wat als een inleidende samenvatting kan worden gezien of als een beschrijving van gebeurtenissen die voorafgingen aan de scheppingsweek. Hierop volgt een beschrijving van zes scheppingsdagen. Elke scheppingsdaad begint met een scheppingswoord van God, “God zei: …”. Op de 1ste, 2de, 4de en 5de dag vindt steeds één scheppingsdaad plaats, alleen op de 3de en 6de dag vinden twee scheppingsdaden plaats op één dag.

Adam en Eva, de eerste mensen

Adam en Eva waren volgens de Bijbel de eerste man en de eerste vrouw. Het Bijbelboek Genesis vertelt dat God Adam schiep door leven te blazen in het “stof der aarde” (Gen. 2:7). Later creëerde Hij Eva uit een bot van Adam. God had met de mens het volgende doel: “Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.”

De erfzonde begaan door Adam en Eva

De erfzonde is, volgens de christelijke leer, de zondigheid die ieder mens door zijn geboorte aankleeft als gevolg van de zondeval van het eerste mensenpaar. Vrijwel alle christelijke kerken onderschrijven dit leerstuk. Volgens de christelijke leer is de erfzonde het gevolg van de zondeval. In het bijbelverhaal van de zondeval waren Adam en Eva de eerste paradijsbewoners, aan wie het door God verboden was te eten van de Boom van de kennis van goed en kwaad. Op aanraden van een slang – die traditioneel door de christenen in navolging van de rabbijnen gelijk wordt gesteld aan Satan – aten zij toch van die boom. Hierdoor verwierven ze kennis van goed en kwaad en werden zij onderworpen aan zonde en dood. Door deze eerste zonde werd de gehele mensheid sterfelijk en behept met een zondige natuur. Deze zondige en sterfelijke aard wordt, volgens het christendom, door ieder mens in de lijn van de geslachten ‘geërfd’ van de eerste voorouders. De leer van de erfzonde is een centrale leerstelling in de christelijke dogmatiek. Het is een hoeksteen van de verzoeningsleer. De erfzonde veroorzaakt een verwijdering tussen mens en God en maakt een verzoening noodzakelijk. De erfzonde veroorzaakt tevens sterfelijkheid en lijden van de mens waardoor de zondige mens verlossing nodig heeft. Deze verlossing van de mens, tevens verzoening tussen mens en God, is gekomen, volgens het christendom, met de kruisdood en opstanding van de in Jezus Christus vleesgeworden God. In de rooms-katholieke leer wast het doopsel de erfzonde af, maar er blijven sporen in de mens achter waardoor de geneigdheid tot zonde blijft bestaan, de zgn. ‘begeerlijkheid’.

De zondvloed

In de Bijbel wordt verteld hoe God aan Noach de opdracht gaf een ark te bouwen. Want er zou een grote vloed komen die alle leven zou vernietigen, omdat er groot onrecht en ongeloof onder de mensen was ontstaan en God er berouw van had gekregen dat Hij de mens had gemaakt. Van elke reine diersoort moest Noach zeven mannetjes en vrouwtjes – en van elke onreine diersoort één mannetje en één vrouwtje meenemen aan boord van de ark. Toen de bouw van de ark was voltooid, gingen Noach, zijn vrouw, zijn zonen en hun vrouwen, aan boord en sloot God de deur van de ark (Genesis 7:16). Daarna begon het veertig dagen en veertig nachten zeer hevig te regenen en ontstond er een grote vloed die alles vernietigde. Alles wat leefde kwam om, behalve Noach en zijn familie, en de dieren die bij hen in de ark waren. Honderdvijftig dagen lang werd de aarde door water bedekt. Toen begon het water te zakken en kwam de ark op de berg Ararat vast te zitten. Langzaam aan werden ook de toppen van andere bergen zichtbaar. Na veertig dagen zond Noach er een raaf op uit om de omgeving te verkennen, maar deze bleef rondvliegen tot de aarde droog was. Vervolgens liet hij een duif los. De duif keerde echter terug omdat ze geen plek kon vinden om neer te strijken. Na zeven dagen liet Noach de duif opnieuw los. Tegen de avond kwam deze weer terug, maar dit keer met een jong olijfblad in de snavel. Zo wist Noach dat het water al behoorlijk gedaald moest zijn. Nog eens zeven dagen later liet hij de duif voor een derde maal los en ditmaal keerde deze niet terug.

Noach

Volgens het verhaal over de zondvloed in het boek Genesis, is Noach de stamvader van alle huidige mensen, omdat hij met zijn vrouw, zijn zonen Sem, Cham en Jafet en hun vrouwen, als enige de vloed overleefde. Na het verlaten van de ark bracht Noach een offer aan God. God beloofde Noach dat Hij de aarde en al wat er op leefde niet meer door water zou vernietigen, en sloot een verbond met hem. Als teken van Gods verbond met Noach zou voortaan de regenboog verschijnen. Als deze aan de hemel verscheen zou God zich het verbond herinneren dat Hij met Noach had gesloten.

De vernietiging van de steden van Sodom and Gomorra

Sodom en Gomorra waren twee steden waarvan de verwoesting door God in de Hebreeuwse Bijbel wordt vermeld in het boek Genesis vers 18-19. In het boek Genesis wordt beschreven hoe beide steden door God werden verwoest in een regen van zwavel en vuur vanwege de morele verdorvenheid van de inwoners. Aartsvader Abraham pleitte bij God vergeefs voor het behoud van de steden. Hij suggereerde dat er misschien een paar rechtvaardigen in de steden waren. De enige rechtvaardigen waren echter Abrahams neef Lot met zijn gezin. Twee engelen bezochten Sodom en Lot nam de engelen als gasten in huis.

Abraham

Abram (zoals hij aanvankelijk heette) was getrouwd met Sarai. Zij hadden geen kinderen gekregen omdat zij onvruchtbaar was. Abram had van God te horen gekregen dat hij zijn geboorteland moest verlaten: “Ga naar het land dat ik je wijzen zal”. Abram vertrok nu met zijn familie en dienstknechten naar Haran. Daar kreeg hij een tweede oproep van God, waarna hij met zijn huishouden en knechten (circa 1000 personen) een nomadenbestaan heeft geleid. Omdat Sarai Abram geen kinderen kon geven, gaf zij hem een van haar concubines of bijvrouwen, Hagar genaamd. Deze schonk hem een zoon, Jishma’el. Een tweede bijvrouw van Abraham was Ketura. Zij schonk hem zes zonen: Zimran, Joksjan, Medan, Midjan, Jishbak en Soeach. Later verscheen God voor Abram en zei: “Ik zal met jou een verbond aangaan en je zeer veel nakomelingen geven. En je zult de stamvader worden van vele volkeren. Daarom heet je niet langer Abram, maar Abraham. En je vrouw heet niet langer Sarai, maar Sara. En ik zal haar vruchtbaar maken.” Sara schonk Abraham nu een zoon, Jitschak. Als test van zijn geloof moest Abraham echter deze zoon aan God offeren. Toen hij op het punt stond om dit inderdaad te doen, weerhield God hem ervan en stond er een ram gereed om de plaats van het mensenoffer in te nemen.

Mozes

Mozes werd geboren onder moeilijke omstandigheden. Zijn volk leefde onder Egyptische onderdrukking en er was zelfs een geboortepolitiek ingevoerd die erop neer kwam dat alleen meisjes mochten blijven leven. Daarom werd Mozes door zijn moeder als baby te vondeling gelegd tussen het riet van (een zijarm van) de Nijl. Hij werd gevonden door een dochter van de farao die daar net een bad ging nemen en de baby prompt adopteerde. Zij herkende het kind als van Hebreeuwse afkomst. Doordat zijn zuster Mirjam in de nabijheid was gebleven om een oogje in het zeil te houden, kon en durfde zij aan de dochter te vragen of zij een voedster voor hem bij de Hebreeuwse vrouwen zou gaan zoeken. De dochter ging hiermee akkoord en zou daarvoor betalen. Zo kwam het kind via een omweg toch weer bij zijn moeder terug. Toen hij groot genoeg was werd hij aan de dochter van de farao teruggegeven. Zij was het die hem de naam Mozes (‘hij die optilt, uittrekt’) gaf, ‘want,’ zei ze, ‘ik heb hem uit het water getrokken.'(Exodus 2:10)

Het Nieuwe Testament

De heilige maagd Maria

Maria is in het Nieuwe Testament de moeder van Jezus. De oorsprong van de naam is hoogst waarschijnlijk Egyptisch: Meriam, van Meri-Amon (wat betekent “de Geliefde van -de God- Amon”). Volgens de christelijke traditie is zij de dochter van Joachim en Anna.Voor katholieken is zij de belangrijkste heilige. In de Rooms-katholieke Kerk en Oosters-orthodoxe Kerk heeft Maria als Moeder van God een belangrijke rol in het geloofsleven. In de Orthodoxe Kerk is de gangbare uitdrukking voor Maria Moeder Gods en niet Maria. Er is binnen de theologie zelfs een complete discipline die zich speciaal op haar richt: de mariologie. Verschillende liturgische feesten en hoogfeesten worden ter ere van haar gevierd. Het Nieuwe Testament vermeldt dat Maria nog niet samenwoonde met Jozef maar wel verloofd was, toen ze zwanger werd en dat ze nog geen geslachtsgemeenschap hadden gehad. Maria was dus nog een maagd. Volgens aankondiging van de engel Gabriël (de annunciatie) werd Jezus in de schoot van Maria ontvangen door de kracht van de Heilige Geest.

De geboorte van Jezus

Volgens de Bijbel werd Jezus geboren opdat hij de mensen zou en zal redden van hun zonden. De evangeliën naar Lucas en Matteüs geven aan dat Jezus in de plaats Bethlehem, gelegen in de streek van Judea, werd geboren uit een maagdelijk meisje genaamd Maria, en dat hij in haar was verwekt door de Heilige Geest van God. Maria was verloofd met de timmerman Jozef, met wie ze toen nog niet was getrouwd. Toen hij hoorde dat ze zwanger was, wilde hij in het geheim de verloving verbreken, om haar niet in opspraak te brengen. Maar ’s nachts kreeg hij een droom waarin hem verteld werd wat er gebeurd was en met welk doel, en dat hij Maria bij zich in huis moest nemen. Jozef gehoorzaamde.

Jezus Christus

Volgens de christelijke leer is Jezus de eniggeboren Zoon van God en de door God, in het Oude Testament (Tenach) bij monde van de profeten, beloofde messias, (o.a. Jesaja 53:3 en verder), de gezalfde van God, die de mensen verlost van hun zonden en de harmonie tussen God en mensen herstelt die verbroken was als gevolg van de zondeval van de eerste mensen in het paradijs. Hij beloofde de mensen die geloven dat hij het plaatsvervangend zoenoffer voor God is en daarmee de straf op zich nemend voor de zonden van de mensheid, te ‘behouden’ en hen ‘eeuwig leven’ te geven. Volgens de uitleg die diverse bijbelschrijvers gaven, maakte zijn dood aldus de verzoening met God de Vader mogelijk, doordat hij de straf op zich nam voor de zonden van de mensheid; Jezus is “het Lam van God dat de zonden van de wereld wegneemt.” De opvatting dat Jezus met zijn kruisdood de mens verzoent met God, heet de verzoeningsleer. Daardoor trad het abrahamitische principe van de ‘rechtvaardiging door geloof’ op een nieuwe manier in werking: ieder die in Jezus gelooft, zal voor God de Vader gerechtvaardigd (gerehabiliteerd) zijn. Zijn in het Nieuwe Testament beschreven geboorte (Kerstmis), zijn dood aan het kruis (Goede Vrijdag), de opwekking uit de dood (Pasen), de Hemelvaart (Hemelvaartsdag), het neerdalen van de Heilige Geest op zijn discipelen (Pinksteren) en de terugkeer (de Wederkomst), staan centraal in de theologie van het traditionele christendom. De opwekking uit de dood wordt door de meeste gelovigen binnen het traditionele christendom letterlijk genomen. De gebeurtenis neemt daar een cruciale plaats in, omdat het voor hen de uiteindelijke overwinning over de dood als ‘laatste vijand’ tot uitdrukking brengt. Ook Paulus noemt in zijn eerste brief aan de christenen van Korinthie de letterlijk genomen opstanding van Jezus het centrale punt in het evangelie.

De Sacramenten

Doopsel

De rooms-katholieke theologie onderscheidt dus drie soorten waarop de mens aan de doopgenade deelachtig kan worden: (1) Door de waterdoop, die voor eenieder die haar kan ontvangen absoluut verplicht en heilsnoodzakelijk is. Aan de hemel zullen door de waterdoop ook deelachtig worden: onwetende kinderen die in ketterse niet-katholieke genootschappen geldig gedoopt zijn, onwetend of te goeder trouw dwalende niet-katholieken die niet in staat van doodzonde verkeren. Degenen die bewust de rooms-katholieke leer bestrijden of verwerpen met hardnekkige innerlijke tegenstand en wel geldig gedoopt zijn, zijn – volgens de katholieke leer – daarentegen wél van het heil uitgesloten. (2) Door het Doopsel van begeerte dat tot stand komt door een volmaakte liefde en het door bovennatuurlijk geloof in Jezus Christus en diens rooms-katholieke Kerk. Zo worden bijvoorbeeld catechumenen die voor hun doopsel onverwacht sterven geacht worden deze vorm het doopsel ontvangen te hebben. Door sommigen wordt deze vorm van doopgenade ook toegepast op de bijzondere gevallen van hen die zonder eigen schuld in absolute onwetendheid over het christendom leven én daarbij één Schepper en de natuurwet volgen. Deze laatste situatie lijkt echter uiterst zelden voor te komen, zeggen bepaalde theologen. (3) Door het Doopsel van bloed van hen die hun bloed als martelaren gaven voor het getuigenis van Christus en nog niet gedoopt waren. Vereist is hiervoor wel, dat deze niet bewust in tegenstand tegen de Katholieke Kerk leefden.

Vormsel

Samen met het doopsel en de eucharistie vormt het sacrament van het vormsel het geheel van de drie initiatiesacramenten van de Katholieke Kerk. Het vormsel vervolmaakt de doopgenade en geeft de Heilige Geest. Hierdoor kan de vormeling dieper wortelen in het goddelijk kindschap en wordt hij of zij vaster ingelijfd bij Christus. Het verstevigt de band met de Kerk en haar zending. Het helpt de vormeling door woord en daad getuigenis af te leggen van het christelijk geloof. Bovenal geeft het vormsel de genade om in tijden van vervolging en verdrukking het geloof trouw te blijven en als een dappere soldaat voor Christus’ overgeleverde leer in blijven te staan, ook indien de dood zou volgen. In de Middeleeuwen werd het vormsel dan ook als een belangrijke stap gezien naar het bereiken van miles Christi-ideaal. De wezenlijke ritus van het vormsel is de zalving met het heilig chrisma van het voorhoofd van de gedoopte (in het Oosten ook van de zintuigen en andere plaatsen), samen met de handoplegging door de bedienaar en de woorden : Accipe signaculum doni Spiritus Sancti Ontvang het zegel van de heilige Geest, de gave Gods (vernieuwde Romeinse ritus).

Eucharistie

Volgens de Katholieke Kerk werd de Eucharistie door Jezus ingesteld aan de vooravond van zijn kruisiging tijdens het Laatste Avondmaal. Het Evangelie verhaalt hoe Jezus ongezuurd brood nam, dank zegde, het brak en een opdracht deed waaronder Hij zei: “Dit is mijn Lichaam.” Hij deelde het uit aan zijn apostelen, nam een kelk met wijn, zegde dank en zei: “Dit is mijn Bloed.” Ook dit deelde Hij uit aan zijn leerlingen, met de opdracht deze handelingen telkens te herhalen om Hem te gedenken. Na de verrijzenis van Jezus herhaalden de mensen die zijn leer aanvaardden iedere zondag – zeer vroeg in de morgen – dit ritueel. Niet alleen belangrijk is dat de tekenen van brood en wijn, lichaam en bloed van Christus worden: ook de deelnemers worden veranderd. Door de eucharistie worden de deelnemende gelovigen verenigd met de Heer en worden zó tot Volk Gods. Het gaat dus om vereniging met de Heer, om later, in het gewone leven de Heer uit te dragen. Men ontvangt dus het Lichaam van Christus (de hostie) om Zijn lichaam (Kerk) te worden.

Biecht

De biecht, ook wel boetesacrament, sacrament van de vergeving of sacrament van boete en verzoening genoemd, is een van de zeven sacramenten van de Katholieke Kerk. In dit sacrament kan de priester in Christus’ naam zonden vergeven. Deze priesterlijke functie wordt biechtvader genoemd. De biecht is gebaseerd op de woorden van de apostel Johannes: “Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad.” Na de begroeting van de boeteling, belijdt deze zijn zonden en legt de priester de penitentie op en verstrekt goede raad, zodat de penitent de fouten in de toekomst kan vermijden. Vervolgens verleent de priester de boeteling “vrijspraak en vrede” door de sacramentele absolutie, de vorm waardoor de genade van vergiffenis geschonken wordt. Er zijn drie voorwaarden voor de absolutie: de essentie van het gehele verhaal moet verteld worden, dat wil zeggen alle begane doodzonden en bij voorkeur ook de kern van de dagelijkse zonden, de boeteling moet berouw vertonen en moet het voornemen hebben zijn leven te veranderen. Tenslotte volgen de lofprijzing, dankzegging en de wegzending met de zegen van de priester. Alhoewel de priester overal biecht kan horen, gebeurt dit volgens de kerkorde meestal in een biechtstoel in de Latijnse Kerk, terwijl de Byzantijnse en andere riten de voorkeur geven aan een open ruimte, veelal nabij de iconostase.

Huwelijk

Binnen de Katholieke Kerk is het huwelijk een van de zeven sacramenten. De bedienaren van dit sacrament zijn de bruid en de bruidegom. Het kerkelijk recht schrijft voor dat namens de kerk de priester van de lokale parochiekerk als getuige optreedt. Dit kan ook verricht worden door een andere priester of diaken, mits deze hiervoor zijn gemachtigd door de priester van de eigen parochiekerk (dit wordt “dispensatie” genoemd). In de meeste gevallen vindt de kerkelijke huwelijksviering plaats binnen een Eucharistieviering, maar dit is niet verplicht: het huwelijk met een eucharistie is enkel op zijn plaats als het bruidspaar ook in het gewone leven de eucharistie waardeert als de bron van hun christelijk leven. In de Katholieke huwelijksmis wordt in de lezingen nogmaals gesproken over het grote sacrament dat het huwelijk is, over de genade die God geeft voor de liefdevolle instandhouding ervan, over de noodzaak van het krijgen van kinderen voor het menselijk geslacht en over het onverbrekelijk karakter van het Christelijk huwelijk.

Wijding

De wijding is, net zoals het doopsel en vormsel, eenmalig. Een wijding is onuitwisbaar. Het is een kerkelijke bezegeling van een roeping. Wijding is, zoals ook alle andere sacramenten, tegelijkertijd gave en opgave. Door de wijding zijn de wijdelingen gelijkvormig geworden met het beeld van Christus, de hoogste en eeuwige priester.

Ziekenzalving

De ziekenzalving of het heilig oliesel is een van de zeven sacramenten van de Katholieke Kerk alsmede van de orthodoxe Kerken. Ziekenzalving wordt in toenemende mate ook in protestantse kerken toegepast. De rest van dit artikel neemt de katholieke ziekenzalving als uitgangspunt. Het wordt door de priester toegediend aan zieken die in doodsgevaar verkeren; zij worden op het voorhoofd en op de handen (in oude ritus op voorhoofd, neus, oren, ogen, mond, handen en soms voeten) gezalfd met speciaal hiervoor gezegende pure olijfolie (materie: oleum infirmorum, zijnde ziekenolie), waarbij tegenwoordig slechts eenmaal deze woorden worden uitgesproken: Per istam sanctam unctionem et suam piissimam misericordiam adiuvet te Dominus gratia Spiritus Sancti, ut a peccatis liberatum te salvet atque propitius allevet. “Moge onze Heer Jezus Christus door deze heilige zalving en door Zijn liefdevolle barmhartigheid u bijstaan met de genade van Zijn Heilige Geest. Moge Hij u van zonden bevrijden, u heil brengen en verlichting geven”. De oude ritus bestaat in het herhalen van een hieraan gelijk gebed bij de zalving van de verschillende ledematen en zintuigen (vorm). Soms wordt gesproken van laatste sacramenten. Hiermee worden naast de ziekenzalving ook de (laatste) biecht en de (laatste) communie (het viaticum) bedoeld. Andere benamingen voor deze combinatie van biecht, sacrament van de zieken en communie sacramenten der stervenden en sacramenten der zieken. In delen van Nederland, met name in Limburg, Twente en de Achterhoek, gebruikt men hiervoor het woord bediening in de vorm van het bediend worden van de ernstig zieke gelovige door de priester.

Hemel, hel en vagevuur

De Hemel

Hoe de hemel er precies uitziet en hoe het daar is, daar zijn in de loop der eeuwen allerlei voorstellingen van gemaakt. Een bekende, romantische voorstelling is die van mensen die daar ‘met gouden lepeltjes zouden eten’. Maar de Bijbel zegt er eigenlijk niet zo veel over. Een beeld in het laatste Bijbelboek Openbaring is dat van een eeuwige stad van vrede, het nieuwe Jeruzalem, waar God en mensen samenwonen. De hemel als een stad waarin alles enkel en alleen goed is, zonder verdriet, dood en pijn. Jezus spreekt over het huis van zijn Vader waar veel kamers zijn (Joh. 14,2). Waar plaats voor velen is. We zullen God zien zoals Hij is, van aangezicht tot aangezicht (I Kor. 13,12).

De Hel

Rooms-katholieken geloven dat de meeste zielen voor hun intrede in de hemel eerst nog tijdelijk gelouterd moeten worden in het vagevuur. Alle christenen die het Credo (de geloofsbelijdenis) belijden geloven dat de hel een plaats is waar de zielen van de verdoemden heen gaan. Deze zielen ondergaan geen loutering in het vagevuur om daarna het eeuwig leven te kunnen binnengaan, maar zijn voor eeuwig verloren. ‘De hel zit vol zielen die geen geloof hebben gehecht aan de het bestaan van de hel’. Voor Rooms-katholieke en andere christenen is de hel een werkelijkheid die zich in het hier en nu kan manifesteren door de invloed van duivelse geesten en de satan. Zij is een werkelijkheid die bestaat naast de werkelijkheid van het leven van de mensen in de wereld en het leven van de zielen in de hemel en het vagevuur. De rooms-katholieken geloven dat zij met hun gebed en geestelijke offers de zielen in het vagevuur vertroosting kunnen geven en een spoediger verlossing uit het vagevuur, terwijl de zielen in de hel niet meer gebaat zijn bij gebed of goede werken ter hunne verlossing gedaan, maar werkelijk reddeloos verloren zijn. Binnen de Rooms Katholieke Kerk zijn middels vele privé-openbaringen heilsmiddelen gegeven aan de mensen om zich voor een eeuwige verdoemenis te bewaren. Zo is er het gebed van de drie weesgegroeten per dag in combinatie met het dragen van het scapulier. Of het rozenkransje van Barmhartigheid geopenbaard door de heilig verklaarde zuster Faustina Kowalska (Polen) waaraan de belofte verbonden is dat wanneer iemand dat gebed slechts één maal in zijn leven heeft gebeden, hij niet verloren zal gaan. Wat overigens niets zegt over de duur van het verblijf in het vagevuur. In de Bijbel is op meerdere plaatsen sprake van het bestaan van de hel, voornamelijk in het Nieuwe Testament.

Het Vagevuur

Vagevuur, ook wel purgatorium of louteringsberg, zijn in de katholieke leer namen voor een plek of staat na de dood voor zielen die naar de hemel gaan, waar men wordt gelouterd of gestraft, voor nog niet uitgeboete zonden die wel al vergeven zijn (in het geval van zware zonden in de biecht of door een volmaakt berouw). Anders gezegd: iedere zware zonde, hoe groot ook, kan worden vergeven door een volmaakt berouw (als biechten niet mogelijk is) of middels een berouwvolle biecht, maar de schuld die aan de zonde aankleeft moet nog worden goedgemaakt, uitgeboet. Men kan dit bij zijn leven doen door zijn lijden, ziekte etc. geduldig te dragen, werken van barmhartigheid te doen, gebed, het bijwonen van de heilige Mis, maar is men te kort geschoten dan boet men de rest van de schuld in het vagevuur uit. De doodzonde leidt tot de eeuwige verdoemenis (de hel), en moet tijdens het leven berouwd worden. De dagelijkse zonden worden al vergeven wanneer men met aandacht de heilige Mis bijwoont. Het zijn zonden die niet tot de dood leiden. Het vagevuur is een plaats die zowel de gerechtigheid van God als zijn barmhartigheid recht doet. God, in zijn volmaakte rechtvaardigheid, verdraagt geen onzuiverheid en onrecht, maar zijn oneindige barmhartigheid wil dat niemand verloren gaat. De ziel ondergaat daarom zijn gerechte straf, maar is wel gered. Hij gaat niet verloren in de hel. De zielen in het vagevuur worden vaak arme zielen genoemd vanwege het lijden dat zij ondergaan. De ziel zelf echter weet dat hij gered is en dat hij na een periode van rechtvaardige straf die hij door zijn daden of het nalaten van goede daden (!) zelf op zich heeft geladen, met God verenigd zal worden in de hemel. Dit is zijn grootste vreugde en troost in zijn lijden. Nadat de ziel is gelouterd krijgt hij toegang tot de hemel, alwaar hij tot de dag van de wederkomst van Christus voort mag leven voor Gods’ Aangezicht, hierbij God lovend, met alle engelen en heiligen. Na de wederkomst van Christus worden allen opgewekt om het laatste oordeel te ondergaan.

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *