Aan God alleen denken

320. Zaterdag na de Zestiende Zondag na Pinksteren

„Heer, ik wil alleen aan uw gerechtigheid denken” en niet aan mijn eigen zondigheid en zwakte, zo zingen wij met de psalmist in de communiezang van de Zondag ( Ps.70, 16 ). Het is een schoon gebed op het ogenblik dat wij aan het offermaal des Heren mogen deelnemen. „Gij hebt mij onderricht, o God, vanaf mijn jeugd, verlaat mij niet nu ik ouder ben geworden.” Reeds in onze jonge jaren heeft Christus ons onderricht in de wegen van zijn liefde door ons deel te geven aan zijn lichaam en zijn bloed. Terwijl onze geest nog onmachtig was om ook maar enigermate het geheim der eucharistie te peilen, werd onze ziel gevoed met de spijs der liefde. En nu wij ouder zijn geworden en ervaring ons wijzer maakt en onverschillig misschien, bidden wij dat God ons niet moge verlaten, dat wij Hèm niet mogen verlaten maar met groeiend geloof en grotere eerbied de heilige communie mogen ontvangen.

2. „Op uw gerechtigheid alleen letten.” Aan Hem alleen denken: dat is het ideaal dat ons steeds voor ogen zweeft bij deze overwegingen. Is het niet geheel onze bedoeling door zijn genade en onze volhardende inspanning te bereiken dat onze geest altijd meer van de gedachte aan God wordt vervuld? Daartoe dient de oefening der meditatie dag in dag uit, daartoe wil de ingetogenheid bijdragen en de praktijk van de schietgebeden en de over alle uren verspreide ogenblikken dat wij ons hart tot Hem verheffen. De versterving moet geleidenlijk de beletselen der zelfzucht verwijderen die aan het leven van vereniging met God in de weg staan. De nederigheid moet ons bevrijden van onszelf, van ijdelheid en eigenwaan. Vertrouwen moet ons gemoed openbreken naar God toe, om onze ziel bloot te stellen aan de onvermoede werking van zijn almacht.

„Aan Hem denken.” Dat is geen eenzijdigheid, het is juist het tegendeel van bekrompenheid. Zonder twijfel zal degene die naar de vereniging met God streeft en naar het volle leven van geloof en liefde, niet kunnen deelnemen aan alle genoegens, ook niet aan alle geoorloofd vermaak dat hij op zijn weg ontmoet. Hij zal ook zijn belangstelling moeten beperken en niet kritiekloos alle nieuws en alle sensatie kunnen opnemen die de middelen der moderne techniek in een vroeger ongekende mate over de mensheid uitstrooien. Maar hij zal daarom niet minder mens zijn, integendeel. Hij zal de wezenlijke waarden van het vele bijkomstige en al te vergankelijke des te zekerder weten te onderscheiden. Hij zal geestelijk vrij blijven, en daarom juist beschikbaarheid voor de werkelijke nood van zijn evenmens, omdat hij niet opgaat in de duizenden dingen van de dag. Door de omgang met God zal hij zich een zuiver orgaan verwerven om te verstaan wat er het diepst leeft in de mens, verborgen onder de bovenlaag van oppervlakkigheid, routine en onoprechtheid, die wij te zelden laten verwijderen. Hij zal in de evenmens kunnen verstaan wat de ander zelf niet begrijpt, wat hij verleerd heeft te beseffen: zijn behoefte aan liefde en zijn verlangen naar Gods goedheid.

3. Door in heilige eenzijdigheid onze geest zoveel als ons mogelijk is tot God alleen te verheffen kunnen wij enigszins het evenwicht herstellen in de wereld die haar kinderen belet aan God (en zichzelf) te denken. Door onze Heer innerlijk aan te hangen en naar Hem alleen te zien, bereiden wij ons op de allerbeste wijze voor op onze eeuwige bestemming, de aanschouwing Gods in de hemel. Door bestendig in zijn tegenwoordigheid te leven verwerven wij een geestelijke rijkdom, een schat die niet kan worden aangetast, een innerlijke zekerheid die geen terreur ons kan ontnemen. Dit is het leven dat alleen onvergankelijk is en onafhankelijk van alle denkbare omstandigheden. Want het is in waarheid het eeuwige leven, op aarde begonnen door Gods onuitsprekelijke genade.

„Zalig de man, die op de Heer zijn vertrouwen heeft gesteld, die zich niet wendt tot ijdelheden en nietswaardige dwaasheid” ( Ps.39, 5 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee