Actieve dienst

274. Dinsdag na de Tiende Zondag na Pinksteren

„Aan eenieder wordt de geestesuiting geschonken om er nut mee te stichten” ( 1 Kor.12, 7 ; epistel van de Zondag).

Het epistel van de Zondag vormt het begin van Paulus ‘ uitgebreide verhandeling over de charismata of geestesgaven in zijn eerste brief aan Korinte . Het hoort tot die stukken van de apostel, welke voor de moderne christen niet zonder meer doorzichtig zijn, en wel om de speciale reden datze betrekking hebben op toestanden die nu niet meer bestaan, althans niet in dezelfde vorm en dezelfde verhoudingen. Deze geestesgaven moeten wij in het algemeen verstaan in bovennatuurlijke zin, als bijzondere geestelijke begaafdheden die door God, buiten hiërarchisch verband om, aan vele christenen werden geschonken ten einde de jonge, nog weinig gevestigde en georganiseerde Kerk bij te staan in de zware moeilijkheden van haar eerste groei. Het epistel noemt er verschillende op. Ze waren ook zeer verscheiden: apostolaat, profetie, het geheimzinnige charisma der talen of tongen, het geloof dat wonderen werkt, gaven van herdersambt, leraarschap, bestuur en bediening. Sommige gingen gepaard met opvallende verschijn- selen en werden daarom door onvolmaakte christenen bijzonder begeerd. Hiervoor waarschuwt de apostel, eigenlijk al vanaf het begin. In de les van vandaag wijst hij er op dat de geestesgaven, hoe verschillend ze ook schijnen, alle slechts de drieënige God tot oorsprong hebben, en vooral dat ze alle gegeven worden tot één doel, het nut der gemeenschap. Want dit is zeker: deze gaven maken hun dragen zelf niet per se beter of heiliger, maar zij moeten dienen voor het welzijn der Kerk, voor de opbouw van Christus’ Lichaam. Zij mogen daarom geen aanleiding geven tot verdeeldheid.

1. Toch moeten wij niet denken dat deze passage alleen maar geschiedkundig belang bezit. Want al zijn uiteraard in de loop der eeuwen de omstandigheden, waarin de Kerk leeft en haar uiterlijke gedaante in veel opzichten veranderd, zij blijft als geheel met de Geest begaafd. De charismatische geestesvolheid is haar onverliesbaar kenmerk. Op allerlei wijzen blijkt deze ook nu. Denk bijvoorbeeld aan de wonderlijke, door de Geest bewerkte gaven van de Pastoor van Ars , van een Johannes Bosco . De wijdingsgenaden van het priesterschap, dat in zijn volheid aan de bisschoppen en in een afgeleide zin aan alle priesters wordt verleend, de charismen van het martyrium en van de profetie, de macht over de demonen en vele andere gaven zijn in de Kerk niet verloren gegaan. En wat Paulus zegt over de verscheidenheid enerzijds en de eenheid van oorsprong en doelstelling der geestesgaven anderzijds, mogen wij toepassen op alle gaven, zowel natuurlijke als bovennatuurlijke, die ons zijn geschonken.

2. Denk aan de gelijkenis van de talenten. De een heeft meer ontvangen dan de ander, maar de beloning beantwoordt slechts aan de trouw en is dezelfde bij verschillende begaafdheid: „Ga binnen in de vreugde uws Heren” ( Mt.25, 21 ). De begaafdheid kan hier op aarde erg verschillend lijken, doch Jezus noemt het weinig, of er vijf talenten gegeven zijn of twee. Maar wat de Heer van eenieder eist, is actieve trouw, werkzame dienst. De onnutte knecht wordt gestraft, niet omdat hij slechts één talent bezat noch omdat hij het verspilde, maar omdat hij er niets mee had uitgevoerd, al had hij het dan zorgvuldig bewaard en weggestopt. De Heer vordert dat wij woekeren met zijn gaven, dat wij ze vruchtbaar maken voor het rijk Gods, dat wij er nut mee stichten. Ieder christen wordt door Gods genade in de gelegenheid gesteld zulk een knecht te zijn. Talenten in onze zin zijn daarvoor niet nodig; of liever, een zuiver hart en een vindingrijke liefde, die zichzelf niet zoekt zijn de grootste gave. „Gij hunkert naar de hoogste gaven? Ik wijs u een weg die nog veel hoger ligt” ( 1 Kor.12, 31 ), die van de liefde, de koningin, die blijft in eeuwigheid.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)