Almachtige erbarming

275. Woensdag na de Tiende Zondag na Pinksteren

„God, die uw almacht vooral toont door te sparen en genadig te zijn, maak groot uw erbarming jegens ons, opdat wij rennen mogen naar hetgeen Gij ons hebt beloofd en aldus de hemelse goederen deelachtig worden” (oratie van de Zondag).

1. God bewijst dat Hij almachtig is door barmhartig te zijn. Het zijn juist de kleine potentaten die er behoefte aan gevoelen de tanden te laten zien en met het zwaard te rinkelen. Een mens die zich zeker voelt van zijn macht kan volstaan met een enkel woord, maar hij zal het toch vermijden schijnbare zwakheid te tonen. God die de almacht zelve is, kan alle vertoon van macht ontberen. Hij kan het zich veroorloven te wachten want Hij heeft de eeuwigheid voor zich. Onder de mensen zijn het juist de zwakken die het gemakkelijkst tot medelijden neigen, maar aan Gods erbarmen staat de almacht ten dienste.

De weerloosheid van Christus in het vlees, het lijden en sterven van de Zoon Gods bewees de almacht der goddelijke liefde. Slechts God kon door onder te gaan zegevieren en door de dood het leven schenken. Christus heeft zich ontledigd van de voorrechten der godheid en aldus de duivel overwonnen. In het zwakke vlees bleek Hij sterker dan de geest der boosheid.

En ook thans bewijst de lankmoedigheid waarmee God de triomfen van het kwaad in de wereld duldt, zijn macht, want zijn voorzienigheid benut de boosheid voor haar plannen en zijn opgeheven arm reikt ver genoeg om op de oordeelsdag alle zonden te achterhalen en te straffen die niet werden uitgeboet. Door de nederige Maagd van Nazaret overwint zijn macht de ketterijen en de aanslagen die de poorten der hel ontketenen tegen de Kerk van Christus.

2. Tot deze almachtige God, die onze Vader in de hemel is, bidden wij: „Maak groot uw erbarming jegens ons” . Weerhoud nog de straffen die wij om onze zonden hebben verdiend. Schenk ons uitstel en tijd van genade, opdat wij ons bekeren mogen tot de grote liefde. Heb medelijden met onze zwakheid door ons milde overvloed van genaden te geven. Spaar onze ellende en hef haar (bundeltje miserie dat wij zijn) tot U op. „Laat uw aanschijn lichten over uw dienaar.” „Behoud mij, Heer, als uw oogappel, beschut mij onder de schaduw van uw wieken” ( Ps.16, 8 ; graduale van de Zondag).

3. Dan zullen wij in staat zijn „te rennen naar Gods beloften” . Misschien klinkt dit in onze taal niet fraai, maar het staat letterlijk zo in de oorspronkelijke tekst. Wat God heeft beloofd is hetzelfde als de hemelse goederen waaraan wij bidden deelachtig te mogen worden. De ziel die door Gods genade gesterkt en door de grootmoedige liefde bezield wordt, rent naar dat doel langs de smalle weg van het kruis. Wat de dichter zegt van de zon „juichend als een held om zijn baan te rennen” ( Ps.19, 6 ), mogen wij toepassen op zulk een mens. Er bestaan geen hindernissen meer voor hem die alleen steunt op het geloof en bereid is de uiterste eenzaamheid te omhelzen. Wie zich vastklampt aan het naakte geloof is beveiligd tegen de aanvallen van de duivel. Wie de onthechting nastreeft als zijn hoogste goed en zekerst bezit staat vrij en vol liefde tegenover de schepselen. Wie door geloof en beschouwing groeit in de liefde zal ten slotte ook de moeilijkste overwinning behalen, de zege op de eigen zelfzucht. Juichend rent hij langs zijn baan: want zijn verborgen lijden klinkt als een sterke zang in de oren van God. In de eenzaamheid bloeit, het oog van de Beminde bekorend, zijn liefde. In de stilte is hij een held zonder het te weten. Want zichzelf telt hij niet en hij bidt altijd met de tollenaar: „God, wees mij zondaar genadig” . Het schijnt bijna of zijn gebed slechts uit deze twee termen bestaat: God en ik, zondaar. Maar God verheft hem tot zijn eigen hoogte en doet hem snel het einde van zijn weg bereiken. Want de Vader heeft hem de erbarming betoond die almachtig is.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)