Apostolische ijver

101. Donderdag na Sexagesima

Het epistel van de Zondag ( 2 Kor. 11, 19–12, 9 ), het relaas van het zwoegen en lijden, van de zwakheden en de genaden van de Apostel, is met zulk een vurige eerlijkheid en met zo meeslepende welsprekendheid door hem zelf geschreven, dat een heilige is doorgedrongen in de zondagsoratie, dat ongenaakbare heiligdom der Romeinse liturgie: „… geef genadig dat wij in alle tegenspoed gesterkt worden door de bescherming van de Leraar der heidenen” .

1. Dit epistel spreekt voor zichzelf, beter dan alle uitweiding of samenvatting. Laten wij ons op de eerste plaats stichten aan de arbeid en het leiden van Paulus in zware dienst aan zijn Heer, aan de inspanningen en de offers die zijn apostolaat hem kostte. De „slaaf van Jezus Christus” droeg in zijn lichaam de „merktekenen” van zijn Heer ( Gal. 6, 17 ), de sporen van geseling en allerlei mishandelingen. „Het doodslijden van Jezus” sleepte hij altijd mede ( 2 Kor. 4, 10 ), „in zwoegen en gevangenschap, in slagen en doodsgevaren, te land en ter zee, in honger en dorst, in koude en naaktheid” . Van Antiochië tot Rome droeg hij het evangelie en het kruis van de Meester. Hij verkondigde Christus op de Areopaag aan de intellectuele elitevan Athene en aan de cipier die hem één nacht bewaken moest in de gevangenis van een provinciestad, aan de wufte Korinthiërs in hun verdorven havenstad en aan de eenvoudige Galaten in het binnenland van Anatolië, aan heidense dames die met het jodendom sympathiseerden en de soldaten van de keizerlijke garde, aan Romeinse gouverneurs en aan de fanatieke rabbi’s van Jerusalem en Rome. „Wee mij zo ik het evangelie niet verkondig” ( 1 Kor. 9, 16 ). „Met vreugde zal ik kosten maken en bovendien nog mijzelf geheel uitgeven voor het heil van uw zielen” ( 2 Kor. 12, 15 ). Telkens was het onontgonnen terrein dat hij zocht, want hij beschouwde het zware pionierswerk als zijn taak ( Rom. 15, 20 ). Waren de grondslagen eenmaal gelegd, dan trok hij verder als een geestelijke kruisvaarder, pelgrim voor Christus in een wereld waar hij overal en nergens thuis was.

2. De drijfkracht van deze ontzaglijke inspanning was de liefde voor Degene „die hem bemind had en zich voor hem had overgeleverd” ( Gal. 2, 20 ) en tevens (maar het was dezelfde golfslag) de liefde voor de mensen, een vurige zielenijver. Ook hiervan getuigt het epistel: „… de zorg voor alle kerken. Wie is er zwak zonder dat ik mij zwak gevoel? Wie ondervindt er ergernis en ik gloei niet van toorn?” Het beeld van Jezus, de Heer, de hem verscheen bij Damascus en hem neerwierp in het stof en hem brak door al zijn zekerheden te vernietigen en dan weer oprichtte tot de dienst aan het evangelie, dat beeld, heerlijk, schrikwekkend en aanbiddelijk, heeft hem nooit verlaten. Sindsdien betekende leven voor hem: Christus. En daarom kon zijn aards bestaan niets anders meer zijn dan een verkondigen van die glorie en was sterven voor hem alleen maar zuivere winst, daar eerst de dood hem Christus geheel zou geven ( Phil. 1, 21-23 ). Wat hij in de mensen zocht, rusteloos en onvermoeibaar, langs de duizend wegen die zijn rijkbegaafde ziel ten dienste stonden en die zijn liefde vond, was altijd weer: Christus, opdat het enige en geliefde beeld in hen gestalte zou aannemen en rijpe vorm.

3. Er zijn twee dingen die de zielenijver, deze liefde zonder bezit, noodzakelijk eist: een kracht die bereid is tot de uiterste offers te gaan en een zuiverheid die zichzelf niet zoekt. Als kristal hard en zuiver, en ook zo breekbaar. Een weinig zelfzucht of ijdelheid bederft veel, zo niet alles.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *