Arbeiden in deemoed

94. Donderdag na Septuagesima

Het evangelie van de Zondag ( Mt. 20, 1-16 ), de gelijkenis van de werklieden in de wijngaard, wil ons niet enkel aansporen tot werk in ’s Heren dienst. Het wil ons vooral leren dat in het geestelijke leven, dat is, in het leven alles ondergeschikt is aan Gods roeping en zegen en dat Hij volstrekt vrij blijft in het schenken van zijn genade. „Het hangt niet daarvan af of iemand wil dan wel of iemand rent, maar van God die zich ontfermt” ( Rom. 9, 16 ). Dat wil zeggen: God roept de mens tot heil, en zonder dit goddelijk initiatief , dat aan al ons willen voorafgaat en dat alle goed willen in ons opwekt, is er geen heil mogelijk. zoals die huisheer telkens opnieuw naar de markt ging om de lanterfanters in dienst te nemen. Zonder dat kwamen zij de wijngaard niet eens binnen. En het betekent nog iets anders: ook nadat de arbeiders eenmaal door Gods erbarmen in zijn dienst geroepen zijn, heerst er zo iets als goddelijke willekeur. De menselijke rekenkunde faalt. De meester laat alleen het overeengekomen loon uitbetalen, maar sommigen geeft hij het erg lichtvaardig, vinden wij. De geroepenen van het elfde uur ontvangen eenzelfde loon als de werkers die de last en de hitte van de dag hadden gedragen. En deze laatsten moesten het verwijt aanhoren: „Is uw oog boos omdat ik goed ben?”

Wij houden van quantitatief denken: ik heb zoveel jaren God trouw gediend, zoveel jaren mij onthouden van grote zonden, zoveel aalmoezen gegeven (heb ik dat?)… Dat staat van mijn hemelse bankrekening moet wel uitstekend zijn. Maar God houdt ervan dit soort koopmansoverwegingen te verstoren. Een mens, die zijn leven lang onbekommerd van het aardse heeft geprofiteerd, wordt door de genade getroffen. Hij bekeert zich ter elfder ure, maar hij bekeert zich waarachtig. En wie zal zeggen of zijn hemelse glorie door zulk een kwaliteit van liefde ingeleid, niet die van veel brave burgers in heerlijkheid zal overtreffen?

Er is niets wat God in zijn vromen meer verafschuwt dan de geestelijke hoogmoed die zich bij voorkeur uit in verachting voor de zondaar. Het is de hatelijke houding die vereeuwigd is in de oudere broer van de Verloren Zoon en die in laatste consequentie voert tot het gebed van de Farizeeër: „Heer, ik dank u dat ik niet ben als de anderen.” Wij mogen het scherpe woord niet vergeten dat Jezus sprak tot de officiële vromen van zijn tijd: „Voorwaar, Ik zeg u: „De tollenaars en de zondaressen zullen eerder het Rijk Gods binnengaan dan gij” ( Mt. 21, 31 ). De engelen beleven hun grootste vreugde aan de éne zondaar, die zich bekeert en de goede moordenaar mocht de zekerheid ontvangen van het paradijs op korte termijn.

2. Ook als wij de gehele dag in de wijngaard hebben gezwoegd, moeten wij naar waarheid erkennen: „Wij zijn onnutte knechten. Wij hebben alleen maar gedaan wat wij moesten doen” ( Lk. 17, 10 ). De genade van God vraagt van ons inspanning en gevoel voor verantwoordelijkheid, zoals Sint Paulus ons leerde in het epistel. Maar tegelijkertijd mag nooit het bewustzijn verslappen dat Gods gaven genaden zijn. Er bestaat een zekere spanning tussen deze twee houdingen der ziel, tussen activiteit en besef van afhankelijkheid. Maar beide zijn noodzakelijk voor een waarachtig leven in het kindschap Gods. En beide moeten steeds toenemen, wil er sprake zijn van vooruitgang. En dus zal ook de spanning heviger worden. Maar zij wordt opgelost in een leven van vereniging met God waardoor het bewustzijn van Gods liefdevol werken in de ziel als vanzelf leidt tot een volkomen overgave aan het werken voor Hem.

Heer, bewaar ons voor elke vorm van geestelijke hoogmoed. Geef ons dat wij altijd blijven hongeren en dorsten naar de gerechtigheid die uw gave is, niet het product van onze prestaties, — en dat wij zonder beperking vertrouwen op uw mateloze liefde.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *