Bestendige nieuwheid

262. Donderdag na de Achtste Zondag na Pinksteren

„Als gij door de kracht van de Geest de praktijken van de zelfzucht versterft, zult gij het leven hebben” ( Rom.8, 13 ; epistel van de Zondag).

1. De Geest en de door Hem gewekte liefde moeten ons christelijk leven bewaren voor de verstarring van de ouderdom. Wat God ons in Christus heeft geschonken is een nieuw leven, een wedergeboorte, de nieuwe schepping. „Zie, Ik vernieuw alles.” En de genade die wij ontvangen is slechts een begin, een zaad dat moet ontkiemen, een onderpand van hoger goed. Daarom moet onze liefde voor God, ook als wijzelf ouder worden, eeuwig jong blijven en spontaan, en een onbevangen frisheid bewaren. De priester moet altijd kunnen zeggen, en de gelovigen met hem, als hij in het prille morgenuur de trappen van het altaar beklimt: „Ik zal opgaan tot het altaar Gods, tot God die mijn jeugd verblijdt” . „Zegen, mijn ziel, de Heer … die uw begeren met alle goeds verzadigt zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van de adelaar” ( Ps.102, 1. 5 ).

De grote kunst ook van de menselijke genegenheid is jong te blijven. Maar al te dikwijls verstart zij tot gewoonte, tot sleur en routine die de dood zijn van de liefde. Liefde is altijd scheppend, vindingrijk en vol verrassingen. Zij bezit een veerkracht en een soepelheid die zich niet laten breken. Zij is levende vlam.

Zo ook is de ware liefde voor God, en op bijzondere wijze. Zij verzet zich tegen het gewicht van de oude mens, die door zijn zwaarte een vast rustpunt zoekt. De zelfzucht wil een einde stellen aan de eisen van de liefde. Zij wil ergens zeker zijn van zichzelf en zeggen: Het is genoeg; hier begint het gebied waar ik mijzelf kan zijn. Maar de liefde erkent geen grens en heft de rust op.

2. Voor de praktijk van ons leven betekent dit dat wij onszelf geestelijk voortdurend moeten vernieuwen. Dat wij elke dag moeten beginnen met een nieuwe liefde voor God. Dat wij altijd weder met de Kerk bidden om genaden van vernieuwing en wedergeboorte. „Vernieuw u naar de inwendige geest” ( Eph.4, 23 ).

Het betekent dus dat wij ontvankelijk blijven voor de inspraken Gods en niet vertrouwen op onze gewoonten, zelfs niet op de goede gewoonten. Worden deze niet door steeds nieuwe liefde bezield, dan worden zij sleur en schuilplaatsen van het egoïsme, geestelijke stofnesten. Het betekent dat wij altijd nieuwe wegen vinden om God te behagen, nieuwe middelen om de naaste te helpen, nieuwe offers om de zelfzucht te kruisigen.Het moet altijd weer mogelijk zijn dat de zonde, onze zonde en die van de wereld, ons bedroefd maakt (laten wij niet spotten met de gave der tranen, deze nooit opdrogende bron, de compunctio van Gods minnaars), dat het heimwee naar de hemel ons hart grijpt als was het de eerste maal, dat wij in de liefderijke beschouwing verrast worden door de oneindigheid Gods en met Augustinus uitroepen: „O Schoonheid, eeuwig oud en eeuwig nieuw, te laat heb ik U gekend, te laat U bemind!”

3. Wij moeten de kracht tot deze bestendige vernieuwing van onze liefde zoeken in de zalige eenzaamheid met God. „Goed is het Gods heil in de stilte te verwachten” ( Klaagl.3, 26 ). Johannes van het Kruis schrijft ergens: „Vestig uw ziel in onthechting en in uiterste eenzaamheid” , en Augustinus : „Wie zal mij geven rust te vinden in U? Wie zal mij geven dat Gij komt in mijn hart en het bedwelmt zodat ik mijn ellende vergeet en U, mijn enig goed, omhels?” ( Conf. 1, 5). Indien wij menen het zo niet te kunnen, indien wij zo nog niet kunnen leven, dan wijzen deze woorden ons toch de richting waarin wij het zoeken moeten. Het is zeker dat de kracht tot de goddelijke liefde die een voortdurend sterven van mijn egoïsme betekent, niet kan komen van mijn natuur, dat is van mijzelf. God alleen kan het ons geven Hem te beminnen zoals Hij bemind moet worden. „Gij allen die dorst hebt, komt tot de wateren. Zoekt de Heer zolang Hij zich vinden laat” ( Is.55, 1. 6 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)