Bevestig mijn schreden

247. Woensdag na de Zesde Zondag na Pinksteren

„Bevestig mijn schreden op uw paden, dat mijn stappen niet wankelen. Neig uw oor en verhoor mijn woorden. Werk wonderen van barmhartigheid, o Heer, Redder van hen die op U hopen” ( Ps. 16, 5-7 ; offertorium van de Zondag).

1. Het wankelen van onze schreden, altijd door, is de grote smart van hen die God eerlijk willen beminnen. Het kan ons angstig maken en moedeloos, de innerlijk schrijnende vernedering die onze zwakheid en lafheid ons aandoet, de smadelijke val van onze hoogmoed, de triomf van de boze begeerte, het geheime bederf van de zelfzucht. „Rampzalige mens die ik ben! Wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods?” ( Rom. 7, 24 ). Niets is heilzamer in het begin van de bekering en heel het geestelijk leven door, – als het fundament des te dieper graven naarmate de nok hoger rijzen moet ( Sint Augustinus ), – dan de werkelijke kennis, de ervaring, van onze zwakheid en de nederige erkenning daarvan, zonder bitterheid, zonder gekrenkte eigenwaan en zonder moedeloosheid. De mens moet zichzelf kennen als de in wezen zwakke en zondige. Het is alleen Gods barmhartige hand die het schepsel van de afval weerhoudt. In deze defectibilitas , deze werkelijke mogelijkheid van de zonde, staan alle mensen gelijk, daar zij hun als schepselen aankleeft en door de erfzonde versterkt werd. „Gij die slecht zijt … Zonder Mij kunt gij niets” ( Mt. 7, 11 ; Joh. 15, 5 ). De heiligen zelf zijn altijd de eersten geweest om dit te erkennen en in plaats van hen van vrome overdrijvingen te beschuldigen moeten wij veeleer bedenken dat zij de geestelijke werkelijkheid scherper zien dan wij.

2. Uit deze zelfkennis en uit deze vernedering voor Gods aanschijn vloeit vanzelf voort het eenvoudige en vertrouwvolle gebed: „Bevestig mijn schreden op uw paden, neig uw oor en verhoor mijn woorden” . „Als gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven aan uw kinderen weet te geven, hoeveel te meer zal uw Vader die in de hemelen is, het goede geven aan wie er Hem om vragen” ( Mt. 7, 11 ). Het door geestelijke ervaring verworven besef dat wij uit onszelf niets vermogen, is de allerbeste voorbereiding voor het smeekgebed dat bij de Vader verhoring vindt. Wie niet bidt gaat verloren, maar een leven van gebed doordrenkt voert tot God, al is het door smart en vernedering.

3. Uit dit gebed en in dit smeken wordt het vertrouwen geboren en de „hoop die niet wordt beschaamd” . „Werk wonderen van barmhartigheid, o Redder van hen die op U hopen.” De grondwet van het streven naar de christelijke volmaaktheid is dat wij aan ons vertrouwen op God geen grens mogen stellen. Voorzeker, persoonlijke aanleg, zondig verleden en allerlei omstandigheden kunnen, menselijkerwijze gesproken, evenzovele beperkingen betekenen waarmee de christelijke voorzichtigheid bij het bepalen van ons gedrag rekening moet houden, maar ons vertrouwen moet zuiver bovennatuurlijk zijn, geheel gevestigd in God, die alle remmende factoren kan doorbreken of nog liever ze laat bestaan en toch in zijn almachtige liefde dienstbaar maakt aan het werk van zijn genade. God weet wat voor ons het beste is en langs welke wegen Hij ons tot het doel wil geleiden. Deze wegen zijn wellicht geheel anders dan wij wensen zouden. Maar het éne doel blijft altijd de volmaaktheid der liefde, het beminnen van God met alle krachten der ziel, ons door de Heer zelf als het grote gebod opgelegd. Zo ooit, dan geldt hier Jezus’ woord: „Al wat gij de Vader in mijn naam zult vragen, zal Hij u geven” , ook al zijn er „wonderen van barmhartigheid” nodig, – en deze zijn altijd nodig om ons doel te bereiken. „Zo gij slechts geloof hadt als een mosterdzaadje …”

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *