Boete

107. Aswoensdag

„Als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzeer omkomen” ( Lk. 13, 5 ). Als er één ding is waarvoor de wereld het orgaan mist, dan is het wel de zin van boete en inkering. Dit hangt samen met het verlies van het zondebesef en van het rechte begrip der verlossing. De antieke wereld heeft dit nooit in dezelfde mate gekend. Welke ook haar fouten waren, in die oude tijden leefde sterk het bewustzijn van de zonde en van de noodzakelijkheid der uitboeting. De rampen die de mens van tegenwoordig vreest, zijn ziekte, geestesziekte, armoede, sociale onzekerheid, pijn en dood. Voor deze hoopt zij zo lang een zoveel mogelijk gespaard te blijven; dat is de moderne idee der verlossing. Maar de zonde is een onwerkelijk begrip geworden, een woord dat men nog alleen maar in overdrachtelijke zin gebruikt. Voor de christen is de zonde het enige kwaad of minstens het grote kwaad, waarbij vergeleken alle andere hun betekenis verliezen. Doch de moderne heiden weet niet meer, dat al die andere die hij vreest, slechts het lugubere gevolg uitmaken van de zonde, waarachter de satan oprijs als tegenspeler Gods. Hij ziet de zonde niet noch satan, omdat hij, — anders dan de heiden in Christus’ tijd — niet meer gelooft in de werkelijkheid Gods.

1. Voor de katholiek staan twee dingen vast. De zonde is het grote kwaad, het enige kwaad dat onherstelbaar kan zijn. Dit is, als men wil, een theoretische waarheid. Maar ook dit andere staat voor hem vast, proefondervindelijke werkelijkheid: alle mensen zijn slaven der zonde door de erfschuld en alle zondigen door persoonlijke fouten. In de zonde vinden allen elkaar. Het is hierom dat boete noodzakelijk is: bekering en boete. Deze vermaning weerklinkt onophoudelijk in heel het Nieuwe Testament , in de mond van de boetgezant, van Jezus zelf en van de apostelen: „Doet boete, want het Godsrijk is nabij” . Keert in uzelf, keert u af van de zonde, bekeert u tot God. Boete is dan niets anders dan de reële consequentie van de ommekeer: het zich ontzeggen ook van geoorloofde genoegens en vreugden om goed te maken wat men misdreef, wat men zich te veel gunde aan aardse vreugden, zondigend tegen de heilige wil Gods. De mens die uit ziel en lichaam bestaat, voelt dat een zuivere innerlijke ommekeer niet voldoende is, dat deze zich moet uiten in „boete” , niet omdat aardse en zinnelijke vreugden in zich verkeerd zouden zijn, maar omdat het schepsel opstond tegen zijn Maker, de schepping misbruikend.

2. De wereld verstaat de goddelijke oproep tot boete slecht. De Kerk verneemt dit woord en geeft het haar kinderen door. Dit is de grote betekenis der jaarlijkse vasten. Het is jammer dat men veelal meent niet meer ouderwets te kunnen vasten en er ook dikwijls niet meer toe in staat is. Nog altijd blijft het waar, wat de prefatie in deze weken zingt: „lichamelijk vasten bedwingt de ondeugden, verheft de geest, kweekt deugd aan en schenkt beloning” . Het is een oerchristelijk gebruik. Nu is het de tijd, „dat de Bruidegom van ons is weggenomen” ( Mt. 9, 15 ) en de leerlingen treurend rondgaan. Vasten is het kenmerk van de status viae , van de periode tussen Jezus’ eerste en tweede komst, van de reize der ballingschap. De verzadiging wacht ons in de hemel, waar wij „de nieuwe wijn zullen drinken in het rijk des Vaders” ( Mt. 26, 29 ).

Doe boete voor uw eigen zonden en voor de zonden der wereld die zich niet bekeren wil. Bekeer u met alle kinderen Gods tot de hemelse Vader. Wil lijden en ontberen met de gekruisigde Bruidegom in wiens voetsporen wij nu treden gaan.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *