Christelijke hoop

183. Dinsdag na de Vierde Zondag na Pasen

„God, die uw gelovigen eensgezind en gelijkgestemd maakt, geef uw volk te beminnen wat Gij gebiedt, te verlangen wat Gij belooft, opdat te midden van de wisselvalligheden van deze wereld onze harten dáár gevestigd blijven waar de echte vreugden zijn” (oratie van de Zondag).

1. „Te verlangen wat Gij belooft” , dit is de tweede bede: de functie van de deugd van de hoop, de deugd die bij uitstek het christelijke bestaan kenmerkt. „In de hope immers zijt gij verlost” ( Rom. 8, 24 ). De onzichtbare goederen, het volmaakte kindschap en de openbaring van de heerlijkheid der zonen Gods ( Rom. 8, 19 ), het lichaam der verrijzenis gelijkvormig aan Jezus’ lichaam ( Phil. 3, 21 ), de manifestatie van ons ware leven dat nu nog met Christus in God verborgen is ( Kol. 3, 3 ), dit is het wat God ons heeft beloofd, waarnaar wij uitzien met onstuimig, reikhalzend verlangen tezamen met de schepping die in barensweeën ligt ( Rom. 8, 22 ), waarop wij hopen met de onwankelbare hoop die niet te schande wordt ( Rom. 5, 5 ). Het is de heerlijkheid die oneindig overtreft al, wat wij vragen of zelfs maar denken kunnen ( Eph. 3, 20 ). Want „geen oog heeft het gezien en geen oor gehoord en in geen mensenhart is het opgekomen wat God bereid heeft voor die Hem beminnen” ( 1 Kor. 2, 9 ).

2. Wat zou ons leven zijn zonder deze hoop? Ons bestaan zou gelijk zijn aan dat der heidenen, wier tragisch en in diepste wezen wanhopig lot door Paulus beschreven wordt als „een leven zonder God en zonder hoop in deze wereld” ( Eph. 2, 12 ), — in deze wereld vol leed en ongerechtigheid en zonder zin, zo er geen barmhartige God bestaat (want het lijden en de zonde eisen een barmhartige, niet enkel een rechtvaardige God). Neen, ons lot zou erger zijn dan dat der heidenen die van dit leven teugelloos genieten en het beheersen kunnen, terwijl wij zouden lijden en strijden voor een hersenschim. De apostel met al zijn grootmoedigheid aarzelde niet te schrijven: „Zo wij voor dit alleen onze hoop stellen op Christus, dan zijn we de beklagenswaardigste van alle mensen” . Doch „Christus is van de doden verrezen als eersteling onder hen die ontslapen zijn” ( 1 Kor. 15, 19. 20 ), als de aanvoerder ten leven die ons voorging. Door zijn dood brak Hij de betovering der zinnen en door zijn opstanding de biologische cirkel van geboorte en dood waarin de heidense mens gevangen ligt. Mogen de wereld en onze eigen onachtzame sleur dit brandend vuur der christelijke hoop in ons hart niet met as bedekken. Dat dit diepst verlangen van onze ziel onstuimig leve, gewekt door de Geest en de Bruid, die zeggen: „Amen, komt Heer Jezus!” ( Openb. 22, 20 ).

3. Wanneer de liefde voor Jezus’ gebod en het verlangen „ontbonden te worden en met Christus te zijn” ( Phil. 1, 23 ) in ons leven, dan „zullen te midden van de wisselvalligheden van deze wereld onze harten dáár gevestigd blijven, waar de echte vreugden zijn” . Maar ook alleen dán. Anders maken wij ons maar wijs dat wij naar de hemel verlangen. De halfslachtige christen voelt zich op aarde best thuis of, als hij zich onbevredigd gevoelt, dan is het, omdat hem de „vergankelijke goederen der wereld” ontbreken, niet omdat hem Christus ontbreekt en Christus alleen . Slechts hij die met het dagelijkse kruis-opnemen en het prijsgeven van alle zelfzucht ernst maakt, zal iets van die „echte vreugden” beginnen te begrijpen en vastheid krijgen voor zijn hart.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *