Christelijke zeden I

58. Woensdag na de Tweede Zondag na Driekoningen

Het epistel van de Zondag is genomen uit het vermanend gedeelte van de brief aan de Romeinen . Het is een opeenvolging van korte zinnen waarin de Apostel, vurig en gehaast, ons de echt christelijke zedenleer, die zoveel verder en dieper gaat dan de zuiver menselijke, met alle aandrang voorhoudt. Wij kiezen er enkele uit voor onze overweging.

1. „Ongeveinsde liefde.” Dat is wat Sint Jan noemt: „Kinderkens, laat ons liefhebben niet met woord of tong, maar metterdaad en in waarheid” . Wat is liefde waard zonder trouw en volharding? Immers „eerst de volharding in het goede werk is deugd” ( Sint Gregorius de Grote ). En wat is christelijke liefde waard zonder lijden? Die in het gebed zo gemakkelijk geuite liefdesverzuchtingen houden een werkelijk gevaar in voor zelfbedrog, als zij niet „echt” zijn, dat is allereerst als zij niet gepaard gaan met het eerlijke streven God in de realiteit van ons bestaan te geven wat Hem toekomt. Welke zin hebben die woorden „God beminnen” , als ik niet tracht zijn wil te doen en te aanvaarden?

Ook inwendig moet onze liefde ongeveinsd zijn: de zuivere bedoeling om God te behagen moet bij onze daden voorzitten en niet de zucht onszelf of de mensen welgevallig te zijn. En ook het oprechte liefdegevoel (in de zin van affectie van onze wil, want dat andere, het fondantachtige gevoel, hebben wij niet in onze macht en het doet ook niet ter zake). Want liefde is toch niet allereerst daad of prestatie, maar sterke en tedere bewogenheid des harten en overgave van een door het goede gewonde en overwonnen wil.

2. „Elkander met broederlijke liefde beminnend.” De christelijke godsliefde is onbestaanbaar zonder de waarachtige naastenliefde. Zij uit en verwerkelijkt zich allereerst in de liefde voor onze broeders en zusters. Dit blijft de fundamentele eis van Jezus’ gebod, als valt het de natuurlijke mens ook zwaar. Ook deze liefde moet „ongeveinsd” zijn. En als wij voor sommigen niet „voelen” ? Dan nóg; want onze bovennatuurlijke naastenliefde is niet op ons gevoel gegrondvest, maar op het geloof dat ook onze vijand door God wordt bemind en door Jezus’ bloed is verlost. „Elkander met eerbewijs voorkomend” : de noodzakelijke christelijke nederigheid, ook ten opzichte van elkander en aldus tegenover God. En ook deze „ongeveinsd” , volgens het gebod des Heren: „Laat u niet meester noemen: één is uw Meester en gij zijt allen broeders. En noemt niemand op aarde uw vader. Eén is uw vader die in de hemel is. Wie van u de grootste is moet de dienaar zijn. Wie zich verheft, zal vernederd en wie zich vernedert, zal verheven worden” ( Mt. 23, 8-12 ). Zullen wij letterknechten zijn als de farizeeën van ouds en zeggen dat dus alle eerbewijs aan mensen betoond uit den boze is? Dan zouden wij vervallen in de fouten die Jezus geselt in de grote rede waaraan deze woorden zijn ontleend. Maar de Zaligmaker eist van ons dat, zo wij een mens eer bewijzen, zulks moet geschieden, omdat hij deelt in Gods vaderschap of in de zending van de Heer. En dat wij geen mens eren uit slaafsheid en laffe vrees. En dat geen mens een ander „gebruike” . Dat geen mens voor een ander middel wordt tot macht of voorwerp van lust. Moge er altijd , en ook tegenover de geringste, eerbied in ons zijn voor de persoonlijkheid. Want in elke mens woont iets onherleidbaars, iets onaantastbaar hoogs, waar alleen hijzelf meester is en God over hem.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *