Christelijke zeden II

59. Donderdag na de Tweede Zondag na Driekoningen

Uit het epistel van de Zondag putten wij wederom lessen van christelijke levenswijsheid en levenskunst. Wij willen luisteren naar de grote Apostel, die tot ons spreekt met de stem van God, die ons verkondigt wat christelijk leven is en hoe het geleefd moet worden.

1. De christen moet zijn „vurig van geest” of „in de Geest” . Dit is wat Sint Paulus elders noemt: „Wilt de Geest niet doven” ( 1 Thess. 5, 19 ). Hij dacht daarbij op de eerste plaats aan de charismatische geestesgaven die in de jonge kerk overvloedig werkzaam waren. Maar ofschoon wij in enigszins andere verhoudingen leven, is deze vermaning ongetwijfeld ook op ons van toepassing. Wij zijn zo heel erg bang geworden voor alles wat „buitengewoon en overdreven” is, wij zijn zo vervuld van het idee van het plichtmatige werk alleen, wij zijn zo lauw en gemakzuchtig dat wij inderdaad veelal de Geest „gedoofd hebben” en aan zijn edelmoedige en spontane impulsen weinig of geen kans geven. Indien wij meer leefden uit de liefde Gods „die door de Geest in onze harten ligt uitgestort” ( Rom. 5, 5 ), dan zou de Geest door zijn wondere gaven, die aan elke gedoopte zijn geschonken , in ons heerlijke vruchten voortbrengen. Maar wij vragen ons te veel af: wat moet ik doen? — en zo verdort onze ziel.

2. „De Heer dienend.” Dit is voor Paulus een samenvatting van heel het christendom: een dienst van de Heer, in volkomen trouw en uit ongeveinsde liefde. Ook als wij alles hebben gedaan wat de Heer vraagt, moeten wij zeggen: „Wij zijn onnutte knechten” ( Lk. 17, 10 ) en tegelijk „geliefde vrienden” ( Joh. 15, 15 ; Lk. 12, 4 ).

De Apostel noemt zichzelf en ons slaven van Christus. Niet alsof de dienst des Heren een soort dwangarbeid zou zijn en daarom gelijken op het slaveninstituut der Oudheid. Niemand heeft zozeer als Paulus de christelijke vrijheid gepredikt. Maar hij wil aangeven dat Jezus door zijn kruisdood een volkomen recht op onze liefde heeft verworven en dat die liefde, zo zij haar normale gang mag gaan, ook werkelijk op onze gehele persoonlijkheid beslag legt. En Jezus noemt ons, zelfs voor het beste geval, onnutte dienaren, omdat God ons niet nodig heeft en met onze armzaligheid eigenlijk niets kan aanvangen. Toch wil Hij dat wij Hem dienen, al moet Hij ons alles geven waardoor het ons mogelijk wordt voor Hem te werken. Want Hij weet welk een eer en geluk het voor ons is zijn knechten te mogen heten en eenmaal te horen: „Welaan gij goede en getrouwe dienaar, ga binnen in de vreugde van uw Meester.”

3. „Verheugd in hoop.” De vurige Geest geeft ons de kracht de Heer te dienen en tegelijk schenkt Hij ons de vreugde der hoop als lafenis bij de arbeid en als een morgenschemering in het duister van dit tranendal.

Het christelijk leven is een „leven in hoop” ( Rom. 8, 24 ). Al kan Johannes zeggen dat wij het eeuwige leven slechts in ons dragen, wij dragen deze schat in lemen vaten, bijna zonder het zelf te weten. Paulus noemt de Geest de handgift van het volmaakte kindschap. Maar onze hoop wordt niet te schande ( Rom. 5, 4 ), omdat zij berust op de onvergankelijke liefde van God en het woord des Heren. Het is deze onbedriegelijkehoop die de bron is der waarachtige christelijke vreugde, het oneindig blijde verwachten eenmaal ononderbroken en onverdeeld en eindeloos met Christus te zijn.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *