Contact met Jezus

110. Zaterdag na Aswoensdag

Het evangelie van heden ( Mk. 6, 47-56 ) verhaalt hoe Jezus een storm stilt op het meer. De leerlingen hadden alleen getobd en toen Hij tot hen kwam over het water, ongedeerd en onbewogen in het razen van de orkaan, schreeuwden zij het uit van angst. Want zij dachten aan een spookverschijning. Maar Hij zei: „Weest kalm. Ik ben het. Vreest niet.” Hij stapte aan boord en de wind ging liggen. En aan de overkant aangekomen troffen zij een grote menigte die op Hem wachtte en die alle zieken en ellendigen uit de omgeving aansleepte (en denk aan de hygiënische toestanden van een oudoosters achterland). „Waar Hij ook kwam daar legden zij de zieken neer op de pleinen en baden Hem dat zij enkel maar de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En allen die Hem aanraakten werden genezen.”

1. Wat die mensen verlangden mogen wij niet verachten. Wellicht zijn wij geneigd met laatdunkendheid te spreken van een materialistische godsdienstopvatting, van een zelfzuchtig zich verdringen rond de wonderdokter; misschien zelfs beoordelen wij hun handelwijze geringschattend als een magisch contact zoeken alsof er een stroom uitging van de Meester.

Maar dit is het juist wat God van ons vraagt. Het is datgene wat ook ons alleen kan genezen en redden en heiligen: het contact met de Heer. Want zijn gezegende mensheid is de bron waarin de Vader ons heil heeft gelegd. Natuurlijk, die Galilese vissers hadden nog maar een heel vaag of als ge wilt zelfs een onjuist idee van datgene waarom het Jezus eigenlijk ging. Maar in de grond hadden zij gelijk: het lichaam des Heren verlost ons, ook van ziekte en dood. Vergeet niet dat heel de sacramentele orde, dat samenstel van heilige maar tastbare tekens geladen met geestelijke kracht, een voortzetting is van Jezus’ menswording waardoor Hij genadig afdaalde tot onze lichamelijkheid die Hij nooit meer heeft afgelegd doch slechts gezuiverd en verheerlijkt. „Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven” ( Joh. 6, 54 ). In een lichamelijke aanraking zoeken wij, evenals die mensen van weleer, genezing voor onze ziel en voor ons lichaam. „Gevoed en gesterkt door de gave van het hemelse leven, bidden wij U, Heer, dat wat ons in dit leven een mysterie is ons hulp verlene voor het eeuwige” (slotgebed).

2. Toch waarschuwt Jezus: „Het is de Geest die levend maakt; het vlees alleen draagt niets daartoe bij” ( Joh. 6, 63 ). Geen stoffelijke aanraking baat, als onze geest geen contact zoekt met zijn Geest, als wij niet in Hem geloven en altijd opnieuw onze ellende aan zijn voeten leggen en Hem aanzien, en Hem aanziende (in de geest) onszelf vergeten. Zoek dit contact zo dikwijls mogelijk en zo zuiver mogelijk. De duivel kent de prijs van deze geestelijke aanraking. Alles ziet hij liever, zelfs wat schijnbaar goed en noodzakelijk is, dan dat onze geest zich bewust wordt van de Tegenwoordigheid die ons nimmer verlaat. Wat ons redt van satans klauwen is dat wij — ongestoord door de spoken van onze angst en bevrijd van de razende onrust die de wereldzee opzweept en los zelfs van het gelijkmatige woelen van onze gewone zorgen — in de rust die van Jezus uitgaat Hem trachten aan te zien, in de duisternis van ons geloof, maar standvastig en vertrouwvol, Hem alléén. Maar wij geloven niet in de geestelijke werkelijkheden die strijden om onze ziel, noch in de haat die om ons te verderven zich schuil houdt, noch in de Liefde die altijd aanwezig is maar zich niet opdringt om de kostelijke prijs van onze vrijheid te winnen: Liefde die alleen door liefde bezitten wil, aanbiddelijke Tegenwoordigheid door een zo ijle sluier voor ons verborgen.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *