Dank voor het jaar van Gods goedheid

373. Woensdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

Het epistel van de Zondag eindigt met de schone woorden van Sint Paulus : „Ik bid en smeek dat gij de Vader moogt danken die u in staat heeft gesteld om deel te krijgen aan de erfenis der heiligen in het licht. Hij heeft ons aan de macht der duisternis ontrukt en overgebracht naar het rijk van zijn geliefde Zoon, door wie wij de verlossing hebben verkregen, de vergiffenis der zonden” ( Kol.1, 12-14 ).

1. Hoe dikwijls hebben wij in het afgelopen jaar onze ziel gesterkt met de woorden van de grote apostel! Wanneer wij nu, overeenkomstig zijn vermaning, God danken voor zijn weldaden, dan mag erkentelijkheid voor de hemelse gave van die woorden niet achterwege blijven. Wanneer wij, volgens de uitdrukking van Sint Paulus , eenmaal deel hopen te krijgen aan het bovenaardse licht van de zaligen, dan mogen wij nu reeds ons verheugen om de stralen van dat licht, ons meegedeeld in het woord Gods, dat onze gang door het jaar begeleidde.

Dankbaarheid jegens God onze Vader, van wie alle goed neerdaalt, dit is een van Paulus ‘ geliefde vermaningen. Hoe passend worden wij er in deze laatste week van het kerkelijk jaar aan herinnerd! Deze gesteltenis moet nu overheersen in onze ziel. Met de schaamte over de fouten van het verleden en onze overgrote onwaardigheid, met de heilzame vrees voor dood en oordeel die onafwendbaar naderbijkomen, met deze en boven deze: blijde dankbaarheid voor alles wat wij van God ontvingen. Zijn barmhartigheid overtreft oneindig al onze ellende. Het is altijd alleen zijn genadige verlossing die ons redt.

Laten wij nagaan, voor zijn aanschijn, hoe goed de Heer wederom voor ons was tijdens de jaarkring van zijn welwillendheid die voorbijging…

2. De ene en grote, alle andere in zich sluitende weldaad Gods is onze verlossing , dat wij „deel mochten krijgen aan de erfenis der heiligen in het licht en werden overgebracht naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon” . Alle genaden, die zijn mildheid ons schonk in het afgelopen jaar, hangen daarmee samen als takken en loof aan de ene boom. Wij werden „ontrukt aan de macht van de duisternis” , waar de satan heerst, aan de zonde, aan de dwaling en het verderf, aan het niets, aan de schijn van deze wereld die voorbijgaat. Want bij alle bewustzijn van eigen onwaardigheid en onvoldoendheid zijn wij, bij dit einde, toch gelukkig door het besef dat wij in de levenwekkende schoot der Kerk en de gemeenschap van de sacramentele tekenen deel hebben aan het licht der heiligen, aan het licht van God zelf.

Kinderen der Kerk, kinderen van God, ledematen van het rijk van de geliefde Zoon: welk een fiere blijdschap moge ons bezielen! Al onze zonden en al onze zwakheid mogen ons de uitverkiezing Gods niet doen vergeten.

3. Deze genade gewerd ons door Hem „door wie wij de verlossing hebben verkregen, de vergiffenis der zonden” , door Jezus Christus die gekruisigd werd om onzentwil. Naar onze gekruisigde Heer zien wij op met geloof en vertrouwen, naar Hem die wij aanschouwden alle dagen van het jaar, die wij verwachten aan het einde der jaren. Het kruis van Jezus heeft ons vergezeld en wij willen het nimmer verlaten, totdat het verschijnt op de wolken des hemels. In het kruis ligt ons heil, ons leven en onze verrijzenis. Het teken en werktuig der verlossing, het insigne van de christen, de hoop van onze harten, ons eigen kruis in ons eigen leven (maar geen christen leeft voor zichzelf…), laten wij het duurzamer trouw beloven voor de tijd van het leven die Gods goedheid ons schenkt.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)