De aantrekking der liefde

205. Quatertemperwoensdag van de Pinksterweek

„Niemand kan tot Mij komen tenzij de Vader die Mij gezonden heeft, hem trekt” ( Joh. 6, 44 ; evangelie).

1. Reeds in het Oude Testament had God zich verwaardigd te spreken over dit machtig en tegelijk liefdevol aantrekken van de mens door zijn innerlijke genade, door zijn sterke roepstem die zonder woorden spreekt tot wat het diepst leeft in elke mens. „Met een eeuwige liefde bemin Ik u; daarom heb Ik u vol erbarming tot Mij getrokken” ( Jer. 31, 3 ). „Ik bind ze aan Mij vast met mensenbanden en koorden van liefde” ( Os. 11, 4 ). Hebben deze teksten allereerst betrekking op Gods liefde voor zijn volk, Jezus spreekt over het zalig lot van de afzonderlijke mens. Er is hier geen sprake van uitwendige dwang noch van een innerlijke noodzakelijkheid die de vrijheid zou wegnemen, doch van een zoete en sterke beweging van de liefde die graag getrokken wordt tot degene die zij als haar enig goed erkent en ervaart. Het is de Heilige Geest die door zijn genade de christen „trekt” tot de Vader en de Zoon. „Allen die zich door Gods Geest laten leiden, zijn kinderen Gods” ( Rom. 8, 14 ). Zoals de Geest in de schoot der aanbiddelijke Drieëenheid voortkomt uit de wederkerige liefde van de Vader en de Zoon, zo is Hij ook in de ziel van de herboren mens als de goddelijke stuwkracht, die de mens machtig aandrijft tot de overgave aan God en hem met goddelijke geestdrift wil werpen in de maalstroom der eeuwige liefde. Het is nu de tijd van vurig verlangen en van nederig gebed tot de Heilige Geest, dat Hij in ons de weerstanden moge breken van egoïsme en alle zondige gehechtheid, opdat onze vrijheid zich onbelemmerd overgeve en de goddelijke aantrekking zich ongehinderd laat gevoelen.

2. Sint Augustinus spreekt: „Meen niet dat ge tegen uw wil wordt getrokken : de ziel wordt aangetrokken ook door de liefde … Misschien zal iemand zeggen: „Hoe kan er spraak zijn van vrijwillig geloven als ik getrokken werd?” Maar ik zeg u: niet enkel wordt ge willig meegesleept, — met genot laat ge u trekken. Er bestaat ook een genieting van de geest. Als de dichter kan zeggen: „Een ieder wordt meegesleept door het genot” — niet door dwang maar door genieting, niet door de band van verplichting, maar door de verlokking van het geluk — met hoeveel mer recht kunnen wij dan zeggen, dat de mens tot Christus getrokken wordt, de mens, wiens genieting is de waarheid, de zaligheid, de gerechtigheid, wiens lust is het eeuwige leven; en dit alles is Christus. Hebben dan alleen de zinnen des lichaams hun vreugden en kent de geest geen genieting? Als de geest geen genot kent, hoe kan dan de Schrift zeggen: „De kinderen der mensen vluchten onder de schutse uwer vleugels: dronken worden zij van de overvloed van uw huis. Gij drenkt hen met de stroom van uw genieting. Want bij U is de bron des levens; in uw licht zullen wij het licht aanschouwen” ( Ps. 35, 8-10 ) Geef mij een minnaar en hij begrijpt mijn woorden. Geef mij een ziel die verlangt en hongert, geef me er een die zich balling voelt in deze woestenij, die dorst en verzucht naar de bron van het eeuwig vaderland. Zo iemand begrijpt wat ik zeg. Maar een koele en lauwe ziel begrijpt mijn woorden niet …” (Homilie op het evangelie).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *