De Advent van dit leven

11. Woensdag na de Tweede Zondag van de Advent

„De God der hope vervulle u met alle vrede en vreugde door het geloof, opdat gij moogt overvloeien van hoop door de kracht van de Heilige Geest” ( Rom. 15, 13 ; epistel van de Zondag).De figuren die de Kerk ons in deze weken voor ogen stelt, zoals Isaias de profeet en Johannes de boetgezant, zijn de gestalten van de grote geduldigen, van de sterke, hopende zielen van het Oude Verbond , die bijna allen stierven zonder het heil te aanschouwen, maar niet wankelden in hun rotsvast vertrouwen op God. Onder hen neemt Maria, de gezegende Maagd en Moeder Gods, de eerste plaats in. De moederlijke verwachting van de geboorte van haar Kind verdubbelde het verlangen naar de Heiland der wereld.

1. Zo moet ook de houding van onze ziel in deze tijd er een zijn van hoop en verlangen, van smachtend uitzien naar de komst des Heren door zijn genade, naar de komst van het Rijk Gods op aarde, naar de uiteindelijke en definitieve openbaring van het Koninkrijk bij de Verschijning van Jezus op het einde der tijden. Voor ons persoonlijk komt de Heer in ons sterven. Eerst in de hemel „is God voor ons gekomen” , wanneer de Bruidegom de trouw wachtende ziel in zijn eeuwige feestzaal heeft binnengevoerd. Want ons hele leven is adventstijd . Het is een wachten op de komst van God, onze Rechter en onze Verlosser: „heft uw ogen op, want zie, uw verlossing is nabij”

Zij wij wel voldoende doorgedrongen in de zin van die vele gelijkenissen waarin de Meester zelf spreekt over de waakzaamheid en onze levensduur vergelijkt met een nacht die voorbijgaat, een waakstonde, een in het donker wachten op de komst van de Heer? Zó is ons leven. Het is maar voorbereiding, iets voorlopigs. Het moet een waakzaam uitzien zijn, een hoopvol verwachten en somtijds een smachtend en smartelijk verlangen. Dat is er het wezen van. En als wij menen dat het anders is, bedriegen wij onszelf. Het aardse leven is een droom, de dood zal het ontwaken zijn, het begin der werkelijkheid.

2. Het is onze grote fout dat wij ons dit eigenlijke wezen van ons leven als voorbijsnellende voorbereiding niet bewust zijn. Wij hopen niet echt en wij verlangen niet waarachtig, omdat wij niet ontberen, omdat wij de naaktheid der ziel niet ervaren. Wij vinden het zó wel goed. Want wij gaan op in het aardse, omdat wij niet, zoals het slotgebed het toch voor ons vraagt, „de aardse dingen verachten en de hemelse beminnen” . Onze geest is gevangen in duizend kleinigheden, zorgen, angsten, verlangens, genietingen, eerzucht, zelfzucht. Wij zijn niet leeg. Pas als de leegte er is en de woestijn in ons, kan de honger ontstaan, het werkelijke verlangen naar God dat de heiligen kenden.

Zalig de zielen die naar Jezus’ woord hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, die Hij in zulk een dorheid en duisternis dompelt dat geen aards voedsel hun meer smaakt.

„De tijd is kort. Dat daarom ook zij die een vrouw hebben, leven alsof zij er geen hadden; en die wenen alsof zij niet weenden; en die blij zijn alsof zij niet blij waren en die kopen alsof zij niet bezaten en die de wereld gebruikt alsof hij er niet van genoot. Want de gedaante van deze wereld gaat voorbij. En ik verlang dat gij zonder bezorgdheid zijt …” ( 1 Kor. 7, 29-32 ). En als de Apostel niet schroomt zo te spreken over het huwelijk, hoeveel te meer geldt het dan van de nietigheden die ons gemoed plegen te verontrusten? Eerst deze houding der ziel maakt ons enigermate een woord begrijpelijk als dat van Teresia van Avila : „of lijden of sterven” . Het leven heeft dan geen zin meer dan die van arbeiden en dulden voor Jezus; anders is het sterven of, zoals Sint Paulus het weer zegt, het heengaan om met Christus te zijn, heel veel beter.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *