De afwezigheid Gods

243. Zaterdag na de Vijfde Zondag na Pinksteren

Voor hen die door Gods genade bevoorrecht zijn met het leven in zijn tegenwoordigheid bestaat er geen onverdraaglijker gedachte dan die aan de eeuwige verwerping. Is het daarom dat God aan meerdere heiligen de plaats in de hel heeft getoond die voor hen bestemd zou zijn geweest, indien zijn erbarming hen niet had gered? Wat kan ons machtiger aansporen tot de dienst des Heren en het vurige verlangen Hem geheel toe te behoren dan het besef dat wij door eigen schuld voor eeuwig kunnen verliezen wat wij reeds in de duisternis van het geloof hebben leren smaken als ons hoogste goed? Meen niet dat de dreiging met de hellestraffen een middel is door missiepaters uitgevonden om de menigte bevreesd te maken. De zachtmoedige Meester zelf heeft er meermalen met grote ernst over gesproken. „Werpt de onbruikbare knecht naar buiten, in de duisternis; daar zal geween zijn en tandengeknars … Tot hen die aan zijn linkerhand staan zal de Koning zeggen: „Gaat weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur dat bereid is voor de duivel en zijn engelen” ( Mt. 25, 30. 41 ). „Dan zal Ik hun (die de wil des Vaders niet volbrachten) openlijk zeggen: „Nooit heb Ik u gekend; gaat weg van Mij, gij werkers der ongerechtigheid” ( Mt. 7, 23 ). Ook elders spreekt Jezus van de „hel waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt” ( Mk. 9, 47 ). De heilige Johannes aanschouwde in zijn visioenen hoe de verworpenen worden gestraft met wat hij luguber noemt de tweede dood , dat is de eeuwige dood. „Die overwint zal dit alles beërven; Ik zal zijn God zijn, hij mijn zoon. Maar alle lafaards, trouwelozen, boosdoeners en moordenaars, ontuchtigen, tovenaars, afgodendienaars en leugenaars, hun deel is in de poel die brandt van vuur en zwavel. En dit is de tweede dood” ( Openb. 21, 7. 8 ).

2. Wanneer Sint Paulus de hemel niet beter weet te beschrijven dan als een „zijn met Christus” , een „inwonen bij de Heer” , dan is de hel het eeuwige zijn zonder God. Wanneer de zaligheid bestaat in de aanschouwing van aanschijn tot aanschijn, dan is de tweede dood een voor immer van zijn tegenwoordigheid beroofd zijn, een door Hem niet langer gekend worden. Want het eeuwig leven is niets anders dan Hem kennen en beminnen en door Hem gekend worden en erkend met de liefde van zijn voorkeur. Tot de dwaze maagden die buiten de bruiloftszaal gesloten blijven, zegt de Heer: „Voorwaar, Ik ken u niet” ( Mt. 25, 13 ). Ontzettende woorden die de ziel slingeren in de eenzaamheid zonder einde! Teruggeworpen op zichzelf, omdat zij zichzelf had gesteld boven God, kan de ziel voor eeuwig alleen maar zichzelf zien, terwijl zij voor God alleen geschapen was. En deze martelende honger naar God welke haar hoogmoed weigert te erkennen, moet zij verduren met een nimmer aflatende bewustheid waarvan wij ons op aarde geen voorstelling kunnen vormen. Niets is er wat haar afleidt van haar pijn, niets om haar en in haar dan de duisternis waarvan Jezus spreekt en het vuur en de worm der wroeging die niet sterft.

3. Voor alle christenen is de overweging van de straffen van de hel heilzaam. Want zij doet ons bestendig verblijven in de vreze Gods en doet ons, door de grote tegenstelling, des te heviger verlangen naar de vereniging met de Heer. De overdenking van wat de theologen de poena damni noemen, het eeuwig ontberen Gods, verleent buitengewone kracht aan ons gebed: Laat mij niet van U worden gescheiden. Wij worden daardoor ook opgewekt tot grote zielenijver, want wij beginnen zo een weinig te begrijpen wat het zeggen wil als wij met Gods hulp door onze gebeden en offers ook maar één ziel mogen behoeden voor zulk een lot.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *