De barmhartigheid Gods

349. Een en twintigste Zondag na Pinksteren

De som die de dienaar van het evangelie ( Mt.18, 23-35 ) zijn vorst schuldig was, is fabelachtig groot en in feite onbetaalbaar. De koning had het recht hem en heel zijn familie als slaaf te verkopen en zijn bezit in beslag te nemen, om aldus ten minste een gedeelte van het verschuldigde te verkrijgen. Maar als de dienaar hem deemoedig om uitstel vraagt, scheldt hij hem de gehele schuld zonder meer kwijt. Dit dient slechts om ons, in aardse verhoudingen, een idee te geven van Gods handelwijze met ons.

1. Wij allen staan tegenover God in de houding van die man tegenover zijn koning. Men moet niet menen, dat Christus in de persoon van de dienaar die zijn koning tienduizend talenten schuldig was, alleen maar de in het oog der mensen grote zondaars heeft willen uitbeelden. God is oneindig goed. Hij is waarlijk goddelijk goed. Doch wij zijn daarvan niet voldoende overtuigd: dit leeft niet in ons. En een van de redenen hiervan is, dat wij niet voldoende onze schuld tegenover God beseffen. Het beeld in de parabel is pakkend genoeg, maar de werkelijkheid is oneindig erger. Geen menselijke verhouding vermag dat uit te drukken. Als wij ons van geen zware zonden bewust zijn, menen wij dat onze schuld tegenover God niet groot is. Maar de grootte van een belediging wordt allereerst afgemeten naar de waardigheid van degene, wie ze wordt toegevoegd. God is de oneindige majesteit; onze zonden onteren de Koning der eeuwige heerlijkheid. En elke dag beledigen wij Hem menigmaal. „Allen toch struikelen wij op vele punten. Indien iemand in het spreken niet struikelt, is hij een volmaakt man” ( Jak.3, 2 ). Onderzoeken wij ons slechts in dit éne opzicht: de zonden der tong… En dat wij wellicht geen grote zonden bedrijven, waaraan danken wij het anders dan aan Gods liefdevolle voorzienigheid en genade? Daarom is ons aller schuld aan God in een zekere, maar zeer reële zin, oneindig groot te noemen.

2. Doch God rekent niet. Hij is niet als de mensen, Hij is mateloos goedertieren en barmhartig. Barmhartigheid is de vorm die de liefde aanneemt, wanneer zij staat tegenover de ellende ( Guardini ). God is de Liefde zelf, en deze liefde heeft zich in Jezus Christus neergebogen over onze miserie. De Vader in de hemel wordt niet moede ons te vergeven om het dierbaar bloed van Jezus. Telkens opnieuw als wij Hem met een oprecht hart om vergiffenis vragen, vergeeft Hij de schuld, hoe groot zij ook moge zijn. En welke middelen heeft zijn liefdevolle wijsheid niet gevonden om ons de zondenvergeving gemakkelijk te maken! Het doopsel wast alle smetten af. Na het doopsel is daar het sacrament der biecht, de redplank der schipbreukelingen, die meest liefdevolle uitvinding van de Goede Herder. Daar is de voorspraak van haar die wij met recht de Moeder der barmhartigheid noemen, en de voorspraak van alle rechtvaardigen en zaligen in de gemeenschap der heiligen. En altijd staat Gods genade gereed om ons op te wekken tot een waarachtig berouw. Aan de Kerk vertrouwde Jezus zijn schatten toe. Elke dag kunnen wij door deelname aan het heilig offer onze zielen zuiverder maken in Gods oog, kunnen wij door goede werken verdiensten verwerven die onvergankelijk zijn.

3. Laat ons met groot geloof naderen tot het offer der mis. Hier vinden wij, onder sacramentele tekenen, de hoogste openbaring van Gods barmhartige en vergevende liefde, want daar is voor ons tegenwoordig het zalige lijden en de smartelijke dood van Jezus die de wereld met God hebben verzoend en ons onmetelijke schatten van verlossing en genade hebben verdiend. Het offer van Jezus en de liefde van Jezus die heel ons heil bewerken, behoren niet tot het verleden, maar zijn op het altaar werkzaam tegenwoordig en om het zo uit te drukken onder ons bereik, tot onze beschikking altijd door. Altijd kunnen wij ons verenigen met zijn offer, in geloof en liefde, de gehele dag door en alle dagen van ons leven.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)