De christen een andere Christus

3. Dinsdag na de Eerste Zondag van de Advent

„Bekleedt u met de Heer Jezus Christus” ( Rom. 13, 14 ; epistel). „Gij allen die in Christus gedoopt zijt, hebt Christus aangetrokken” ( Gal. 3, 27 ). „Vernieuwt u naar de inwendige geest en doet de nieuwe mens aan die volgens God geschapen is in gerechtigheid en heiligheid der waarheid” ( Eph. 4, 23. 24 ). Advent, begin van het kerkelijk jaar, betekent vernieuwing. Het is tijd uit de slaap op te staan (epistel). Het is tijd van ons af te schudden de zonden van het afgelopen jaar, de al te menselijke sleur, de vrede met onze fouten en ons egoïsme. Het is tijd ons weer op te wekken tot de helderheid der christelijke waakzaamheid die de dingen van het leven ziet in de klaarheid van het licht van God en Christus, in het licht van de eeuwigheid. Deze vernieuwing betekent echter niet alleen een afleggen van wat verkeerd is, maar vooral een omhelzen van wat goed, van wat christelijk goed en volmaakt is. Dit ideaal drukt Sint Paulus op het eind van het epistel uit met de ontstellende woorden: „Bekleedt u met de Heer Jezus Christus” . Als ik deze woorden lees, moet ik altijd denken aan een schilderij van Rembrandt dat zich bevindt te Leningrad: een Christus ten halve uit, in donkere tinten, waaruit blank opbloeit een wonderbaar schoon gelaat, tegelijk innig-menselijk en bovenaards, met een diepe en zachte blik, uitdrukkend rust, sterkte, tederheid, reinheid en bovenal goedheid, een waarlijk oneindige goedheid (voorzover het mensen gegeven kan zijn deze uit te beelden). Op Hem moeten wij gelijken… Wij moeten „ons bekleden” met Hem die „het beeld is van de onzichtbare God en de eerstgeborene van de hele schepping” ( Kol. 1, 15 ) en die om onzentwil geworden is de barmhartige Meester, de milde Wonderdoener, de geduldige Genezer van de „scharen” , die zijn medelijden opwekten.

Want de apostel bedoelt niet alleen, zoals hij het in de brief aan de Galaten zegt, dat wij allen door de doopgenade een mystieke en innerlijke gelijkenis vertonen met Christus, het Hoofd der Kerk, in wie wij zijn ingelijfd, — het vermaant ons ook in ons geestelijk en zedelijk leven door daden en gezindheid die gelijkenis naar buiten te laten treden. Zó, dat de mensen Hem in ons herkennen; zó, dat wij zelf als schuil gaan onder zijn gestalte: „bekleedt u met de Heer Jezus Christus” . Wat is het dat de mensen onweerstaanbaar tot Hem trok? Zijn hoge goedheid, die ontsprong aan een verborgen bron, — een hemelse tederheid, die niets zwaks bezat en louter reinheid was, maar straalde in zijn ogen en brandde in zijn Hart. „Leert van mij, omdat Ik zachtmoedig en ootmoedig van harte ben. Komt allen tot Mij die vermoeid en beladen zijt en Ik zal u verkwikken” ( Mt. 11, 29 ). Woorden die elk mens verstaat, woorden van een diep menselijke en toch ook bovenmenselijke goedheid. De bron van Jezus’ „mensenliefde” ( Tit. 3, 4 ) ligt in Hemzelf, in zijn aanbiddelijke ziel, in het één zijn met de Vader, in die voortdurende aanschouwing van het wezen Gods, die zijn innerlijk leven uitmaakt; daarom heeft zij een rust en een zekerheid die niet van deze aarde zijn.

Zoete en gezegende Moeder, doe ons een weinig gelijken op Hem. Het zal steeds goedheid zijn en ware, onzelfzuchtige liefde die de wereld voor Hem moet winnen. Maar zij moet van zo zuivere kwaliteit zijn, ze moet een hemels merk dragen. Reinig ons hart, verlicht onze geest. Ook voor ons ligt de bron inwendig. Doe ons zonder ophouden Hem aanzien, mogen wij altijd opnieuw in zuiver gebed ons tot Hem wenden om aan die bron de zuivere liefde te vinden.

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *