De dank der Moeder Gods

10. Onbevlekte Ontvangenis der Heilige Maagd

„Komt en luistert en ik zal u verhalen, u allen die God vreest, hoe grote dingen de Heer aan mijn ziel heeft gedaan” ( Ps. 65, 16 ; introitus van de vigilie).

1. De gezegende Maagd en Moeder Gods Maria heeft niet alleen in diepe nederigheid Gods weldaden ontvangen. Zij heeft met de deemoed een hartelijke en God erende dankbaarheid verbonden. Welke woorden vinden wij van haar in de Schrift vermeld? Slechts weinige, maar stuk voor stuk gunnen zij ons een blik in haar innerlijk. Daar is het woord dat getuigt van liefde voor haar door God gewilde maagdelijkheid: „Hoe zal dit geschieden, daar ik geen man beken?” — bijna onmiddellijk gevolgd door dat andere van volkomen onderwerping aan het goddelijke raadsbesluit: „Zie de dienstmaagd des Heren, mij geschiede naar uw woord” ( Lk. 2,48 ); — en een woord van deernis ook met de gewoonste noden der mensen: „Zij hebben geen wijn meer” , tezamen met dat andere dat zij immer blijft spreken: „Doet al wat Hij u zeggen zal” ( Joh. 2, 3-5 ). Maar deze alle tezamen bereiken niet de omvang van haar grote dankhymne, het Magnificat . De lof Gods overheerst al het andere. Maria heeft de boodschap van de engel aanhoord en haar fiat uitgesproken. Het wonder der menswording heeft zich in haar schoot voltrokken. Zwijgend, in diepe stilte en ingetogenheid, heeft zij „het zegel der Drieëenheid” ontvangen. Zelfs met Sint Jozef heeft zij niet gesproken; een engel moet hem later inlichten. „Met spoed gaat zij naar het gebergte” , waar Elisabet woont, om nederige diensten te bewijzen. Zij is van God vervuld. Haar reis is één gebed. Zij heeft geen oog en oor voor wat rond haar gebeurt. Zij zwijgt. Maar als Elisabet , door Gods Geest verlicht, haar begroet als degene die zij is, „de Moeder van haar Heer” , dán en dan eerst verbreekt zij de stilte en haar eerste woord is de lof Gods: „Mijn ziel verheft de Heer en mijn geest jubelt in God, mijn Heiland, want Hij heeft neergezien op de geringheid van zijn dienstmaagd” ( Lk. 1, 46-58 ). Als zij eindelijk spreekt en spreken móet over zichzelf, dan nog is haar spreken louter verheerlijking Gods en een wegcijferen van zichzelf. Zij spreekt zoveel mogelijk in de heilige woorden van het Oude Verbond en prijst God, „die machtig is en heilig en barmhartig” en in haar zijn volk gedenkt.

Wel mag de Kerk haar woorden in de mond leggen: „Ik wil U verheffen, o God” ( Ps. 29, 2 ; introitus ) en in de communio zeggen: „Roemrijke dingen zijn van u gezegd, Maria, want Hij die machtig is, deed grote daden aan u.” Haar zwijgen werd een spreken en haar spreken was een loven van God en die lof zwol aan tot een machtig en eeuwig koor. In waarheid, zalig hebben u geprezen alle geslachten en God verheerlijkt in u!

2. „Ik zal u verhalen die God vreest.” De vromen worden door Maria ingewijd in haar mysterie. Haar kennen is Jezus kennen en dieper doordringen in het geheim der verlossing. Hun die nederig en ingetogen zijn openbaart zij Gods wonderen, hun die met haar zeggen: „Zie de dienstmaagd des Heren” , die met haar verborgen bidden tot God en de stilte beminnen.

In het geheim heeft God zijn grootste wonderen aan haar gewrocht, ook het mysterie dat wij heden vieren. In de stilte van het gebed mogen wij proeven hoe zoet de Heer is en doordringen in de kennis van Moeders heerlijkheden, om zó met haar woorden en met haar hart God te verheerlijken die grote dingen deed. „Magnificat anima mea Dominum”

Willem Grosssouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *