De doodsangst in de Hof

149. Woensdag in de Goede Week

„Hij nam Petrus , Jakobus en Johannes met zich mee, en begon ontroerd en angstig te worden. En Hij sprak tot hen: „Mijn ziel is dodelijk bedroefd; blijf hier en waakt.” Hij ging nog een weinig verder, viel neer ter aarde, en bad dat dit uur Hem mocht voorbijgaan. Hij sprak: Abba , Vader, alles is mogelijk bij U; neem deze kelk van Mij weg. Maar niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt” ( Mk. 14, 33-36 ).

1. Overwegen wij op de eerste plaats de vernedering die Jezus ondergaan en de troost die Hij ons geschonken heeft door als een gewoon mens bevreesd te willen zijn voor de dood, „angstig en ontroerd” voor het naderkomend lijden. Als „het uur is gekomen” en de verrader nabij, en van dan af tot de smartelijke dood toe, lijdt Jezus zonder één klacht en zonder één aarzeling. Zijn zielesterkte toont Hij door de troost der Jerusalemse vrouwen af te wijzen en de bedwelmende drank te weigeren die men Hem vóór de kruisiging aanbiedt. Maar nu, in de stilte van de nacht en de eenzaamheid van de Hof, in de dodelijke spanning der luttele uren die Hem scheiden van het laatste en verschrikkelijke, laat Hij toe dat de angst zich meester maakt van zijn hart. Hoe klinkt heel de leefdrift van zijn krachtige en nog zo jonge natuur vertwijfeld op in die woorden: „Vader, alles is mogelijk bij U, — alles, óók dat Ik leven blijf, — neem deze kelk van Mij weg” . Porphyrius , de grote vijand van het christendom, vond deze woorden „een Zoon Gods of zelfs maar een wijze, die de dood veracht, onwaardig” . Maar Jezus verachtte de dood niet, Hij vreesde hem en daarna omhelsde Hij hem, uit liefde voor de wil des Vaders. De Zoon Gods, die zich verwaardigde mens te worden, heeft het niet versmaad mens te zijn in alles behalve de zonde. Gedenken wij in onze bange en angstige uren zijn angst.

2. Maar de kelk die Jezus vóór zich zag, bevatte niet enkel de balsem van een gewelddadige en onterende dood, — die drank was ook gemengd met de oneindige bitterheid der zonde. In de kelk was het kwaad en het wee der ganse wereld. Dit is het lijden dat wij nooit ten volle zullen peilen. „Hem die geen zonde kende heeft Hij om ons tot zonde gemaakt” ( 2 Kor. 5, 21 ). De Zoon Gods, wiens leven bestond in de liefde tot de Vader, wiens wezen als verteerde in één vlammend opgaan tot God, Hij zag zich nu vereenzelvigd met de zonde, wier wezenlijke boosheid God alleen in haar ganse omvang kan beseffen. De zonde drong in zijn ziel, de zonde overstroomde Hem van alle zijden en zij dreigde het goddelijk licht in zijn geest te verduisteren. Wij kunnen over het mysterie der boosheid en het geheim van dit godmenselijk lijden slechts stamelend spreken. De zonde der wereld: van Adams val tot de laatste dag, alle zwakheid en gemeenheid der mensen, alle verloren onschuld en alle vertrapte eer, het bloed der gedoden en de tranen van kinderen, alle verraad en alle ontrouw, gebroken harten en opstandige geesten, kille hoogmoed en doffe wanhoop …

3. „Kunt gij niet één uur met Mij waken.” En wij menen dat wij Jezus niet alleen hadden gelaten in dat uur. Is dit zo zeker? „Jezus ligt in doodsstrijd tot het einde der wereld; wij mogen al die tijd niet slapen” ( Pascal ). Zelf verheerlijkt lijdt Hij in zijn ledematen die nog strijden tegen de zonde.

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *