De eer van God

134. Dinsdag na de Vierde Zondag van de vasten

In de les uit het Oude Testament die de liturgie ons heden voorhoudt ( Ex. 32, 7-14 ) worstelt Moses met God om genade te verkrijgen voor het volk dat tot afgoderij verviel, terwijl hij met de Heer verbleef op de berg. Roekeloos schonden zij de eerste liefde en aanbaden het gouden kalf korte tijd nadat zij door God op wonderbare wijze waren verlost en begenadigd. Moses , voorafbeelding van de enige Middelaar, Christus, bidt en houdt aan en wint, omdat hij eigen belang versmaadt ( „Laat Mij begaan en hen vernietigen,” had de Heer gezegd, „en Ik zal u maken tot een groot volk” ) en een beroep doet op de eer van God. „Hoe zullen de Egyptenaren, uw vijanden, spotten en zeggen: „Hij heeft hen fraai bevrijd om hen te doden in de bergen en van de aarde te verdelgen!” In het graduale bidt de Psalmist: „Rijs op, Heer, en kom ons te hulp. Bevrijd ons om wille van uw naam ( Ps. 43, 26 ).

En in het evangelie zegt Jezus: „Wie uit zich zelf spreekt, zoekt zijn eigen eer. Maar wie de eer zoekt van Hem die hem gezonden heeft, hij is waarachtig en in hem is geen bedrog” ( Joh. 7, 18 ).

1. Als er één gedachte is waarvan de beide Testamenten zijn vervuld, dan is het deze dat alle eer toekomt aan God. Het is overbodig teksten aan te halen. Wij kunnen volstaan met te wijzen op Sint Paulus , bij wie deze idee buitengewoon krachtdadig is en telkens terugkeert zowel in positieve als negatieve vorm. „God heeft het onbeduidende uitverkoren en wat niets is om te niet te doen wat iets is, opdat geen vlees zou roemen voor God…, opdat gelijk geschreven staat: „Hij die roemt, roeme in de Heer” ( 1 Kor. 1, 28-31 ).

Natuurlijk is er een gerechtvaardigde menselijke roem mogelijk, maar toch slechts in afgeleide zin en op het tweede plan. De eigenlijke eer komt alleen God toe, omdat Hij God is, de eerste en laatste oorzaak van al wat is, de bron van alle goed, God is naijverig op dit exclusieve voorrecht en Hij kan niet anders zijn. En allen die van zijn Geest zijn vervuld, dat zij, alle heiligen en alle waarlijk religieuze mensen, worden door eenzelfde ijver verteerd en waken met jaloerse zorg voor de onaantastbare glorie van God. Zij beschouwen het welbehagen in eigen roem als een roof gepleegd op de goddelijke majesteit. Deze naijver is de noodzakelijke aanvulling van de nederigheid. De laffe, geheime en openlijke, belachelijke ijdelheid zijn, consequent doorgedacht, niets minder dan majesteitsschennis (zoals Sint Jan kon zeggen dat wie zijn broeder haat eigenlijk een moordenaar is, 1 Joh. 3, 15 ).

2. De ijver voor de eer van God is ook een machtige prikkel tot nooit aflatende arbeid in de dienst van het rijk der hemelen. Wij weten hoezeer Sint Ignatius van Loyola werd gedreven door het verlangen „naar de meerdere glorie van God” , welke spreuk geen dood devies was, maar een zweepslag die de richting van zijn hele leven en werken bepaalde. Zo is het met alle ware apostelen.

Het eigenaardige is dat de mens in deze onzelfzuchtige drift tevens de hoogste vervulling van zijn eigen wezen vindt. Wie zijn eigen eer zoekt, diens leven verzandt in de trieste onvruchtbaarheid van het egoïsme, voorafbeelding en begin van de troosteloze en eeuwig op zichzelf teruggeworpen eenzaamheid van de verdoemde. De mens is niet geschapen voor zichzelf. Wie zijn eigen eer zoekt, verzet zich tegen de oorspronkelijke natuur der dingen. Hij maakt van zichzelf een idool, dat is een on-ding. De mens kan slechts gelukkig zijn door te zijn voor anderen, door uiteindelijk te zijn voor de Ander, voor wie en door wie het heelal bestaat. „Waardig zijt Gij, onze Heer, onze God, de roem en de eer en de macht te ontvangen. Want Gij, Gij hebt alle wezens geschapen, door uw wil bestaan zij en werden zij gemaakt” ( Openb. 4, 11 ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)

  • Tevreden over deze inhoud?
  • ja   nee

Leave a Comment

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *