De eeuwigdurende bekering

374. Donderdag na de Vier en twintigste Zondag na Pinksteren

In het offergebed van de zondagsmis lezen wij: „Verhoor, o Heer, genadig onze smekingen. Aanvaard de offers en gebeden van uw volk. Bekeer ons aller hart tot U, opdat wij, van aardse begeerten bevrijd, tot hemelse verlangens mogen overgaan.”

1. De heilige Kerk houdt ons op de laatste Zondag van het liturgisch jaar een der allerschoonste gebeden over de offergaven voor. Het brood en de wijn die zich op het altaar bevinden, alreeds aan profaan gebruik onttrokken, zijn de gaven van „Gods volk” , dat is van ons, die „Gods heiligen en geliefde uitverkorenen” zijn. God zal ze aanvaarden, want zij zullen door het priesterlijk woord worden veranderd in het lichaam en bloed des Heren. Onze „gebeden en smekingen” vergezellen ze. Ja, zij zelf worden in Jezus’ offer de vurigste en immer verhoorde smeekbede, die de Vader behaagt.

2. En hoe zuiver geeft deze formule het doel aan dat de eredienst der Kerk in ons wil bereiken: „ons aller hart moet zich tot God bekeren” . Zijn wij dan niet bekeerd, willen wij God niet oprecht dienen? Toch moeten wij altijd opnieuw bidden: „Bekeer ons hart tot U” , en met de psalmist: „Bekeer ons, o God, ons heil” ( Ps.84, 5 ), en met de Kerk in een ander harer gebeden: „Buig als met geweld onze opstandige wil tot U terug.” Wij behoeven altijd opnieuw bekering en deze bestendige ommekeer moet immer uitgaan van Gods genade. Zalig zij die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, die vurig blijven verlangen naar een heiligheid die hier op aarde nooit volkomen en nooit onverliesbaar wordt bezeten. Ons hart is een wankel ding. Onze zelfzucht krijgt steeds weer de overhand. Telkens weer zet zich op onze ziel het schuim af van zonde en onvolmaaktheid. Hoe past het ons nederig te verzuchten met de psalmist: „Was mij meer en meer van mijn ongerechtigheid” , en elke morgen opnieuw bij het confiteor ons op de borst te kloppen! In elke mis vragen wij God sterker beslag te leggen op ons hart, bij elke communie bidden wij: „Laat mij nimmer van U gescheiden worden. Moge de werking der hemelse gave bezit nemen van ons lichaam en onze ziel.”

3. Zo, Heer, zult Gij ons langzaamaan zuiveren van de „aardse begeerten” , ons geleidelijk genezen van de brandende en onrustige koorts van het egoïsme. Dan komt in ons het reine verlangen, dan gaan wij over tot de gelukzalige staat ( transeamus ) de hemelse begeerten en worden wij rijp voor wat Contardo Ferrini het feest van de heilige gedachten noemde. Wat behelzen deze? Verlangen naar uw nabijheid, naar het eeuwige zijn bij U, en verlangen naar de komst van uw rijk op aarde, verlangen om te werken en te lijden voor U, verlangen naar het enig noodzakelijke, naar het horen van uw woord, als Maria stil gezeten aan uw voeten, verlangen om onze broeders en zusters lief te hebben, verlangen naar waarheid en gerechtigheid. Heer, wij nemen deze woorden te gemakkelijk in de mond; zij dringen niet diep in de ziel, zij komen nog niet voort uit de grond van ons hart. Zij zijn nog niet geworden het woord dat Gij tot ons spreekt en dat ons zuivert ( Joh.15, 3 ). Gij alleen, Schepper en Heiligmaker, Gij alleen zijt in staat zulk een werkelijkheid in ons te scheppen en te behouden.

„Richt Gij zelf vast en zeker onze weifelende en wankele harten.” „U, Christus, kennen wij alleen. U smeken wij met zuiver en eenvoudig hart, bij klacht en lofzang, sla acht op het innerlijkst van onze geest” ( hymne van de lauden op Woensdag ).

Willem Grossouw

Over Innerlijk LevenAbonneren per email (dagelijks van 30/11/2014 tot 29/11/2015)